Peterse Schilderijen & Gedichten

Schilderijen: Carine Vankeirsbilck - Gedichten : Bart Madou

 

 

 

De Neva bevroren (I)

 

Angstaanjagend leeg, gezegend zij het water,

gezegend zij haar schoonheid, angstaanjagend.

Onderhuids verstijft het licht,

wolken zijn als ijs,

aan beide zijden pleegt de zon

haar zelfmoord, het dagelijkse ritueel.

Van duister naar duister

sluit ik mijn ogen

denk aan haar

want eenzaam is de verte

 

 

 

 

Strelka in de verte

Passeren, dat wil zeggen onderweg,

van eind mei tot begin september,

de dagen ruw als ijs

je neemt ze vast,

ze smelten op je tongpunt,

vallen hoeks in het verleden.

Kijk, zeg je dan,

kijk daar de dag waarop de stroom bevroor

en daar die van het afscheid

gekarteld lijkt hij wel

of links beneden

de dag die nooit begon,

wat lijkt hij klein

en onbeduidend.

 

 

 

Natte stenen

Zij hebben geen naam,

van alles wat hen aanraakt

is de regen hen het liefst,

dan voelen ze zich als korrels graan

bereid de zwaarte uit te breken

in staat het huis te worden

de woning van de dichters,

grondvesters van de mythe.

 
 

 

 

Traptreden

Hebben de voeten van de Finse visserszoon,

hebben zijn versleten gelapte schoenen

ooit de treden van de kathedraal bestegen?

Poesjkins bronzen ruiter zegt daarvan geen woord,

Waarom zou hij trouwens? Een bronzen ruiter

zo denk ik, heeft wat anders om het lijf,

de stad eens sparen van de vijand, ik zeg het maar,

wat kunnen hem die twintig treden schelen?

 

Traptreden, nochtans, je kan er hongerig op zitten,

de kade en het spel van wolk en licht bekijken,

de trage schepen, de meeuwen, je eigen spiegelbeeld.

Ben ik dat wel? En zou jij aan mij denken nu?

Vandaag, nu ik hier zit, nu ik mijn hand laat glijden,

het marmer streel, de verticale naad van deze trede?

 
 

 

Lantaarns van spiraal

Baard en petje draagt hij,

en krast op een gedenkbord:

‘Napoleon was hier’.

De leugens van weleer

zijn de waarheden van vandaag.

Twee gidsen later hoort hij weer:

Mendeleev zag hier het water stromen,

en Alexandr Blok, zijn vrouw en onlangs Gorbatsov.

Gespannen stilte in de lucht,

er klinkt wat gelig licht uit de lantaarn,

hij ziet de schotsen op de stroom,

cyclisch scheurend op de balustrade,

ik ook, denkt hij, ik ook en Mendeleev.

 

 

 

Onbetreden

Achter de kloostermuren glanzen de heroïnespuiten

in telbare trosjes, morbide façades, onafgespoeld

rusten ze elke dag onder nieuwe centimeters sneeuw

vervallen getuigen van heroïek en daadkracht,

mild is het witte, het tapijt van elke nieuwe nacht.

Zijn, soms is het niet waargenomen worden.

 
 

 

Verwijdering

Van de Zwanengracht aan de zomertuin

moet je vooreerst de tuin afpellen

verdrink de zomer in je vodkaglas.

Drink uit dit hellevuur!

Demp dit door Peter opgespaard kanaal.

Nu resten nog de blanke slanke halzen.

Wring ze niet om, gij dwaze idioot!

Maar laat ze luisteren, de kinderen

naar hun vol ijlheid schrale zang.

Als vanzelf gaan zij verdwijnen, als een fuga.

 
 

 

 

Kronverski

Dubbel flapt de keizersadelaar zijn vleugels

hij krijgt er kop noch staart noch poten aan

het zoemt van grootsheid, goud, verblinding

de lentezee hangt tikkend in de morgenlucht

een laatste winterblaadje valt, of nee blijft staan

of hangen in de koele fotografenlens, één ogenblik

in duizendsten van seconden opgeteld een bonken

de hartslag van de adelaar, oogappel van de tsaar

hij deelt bevelen uit, laat zijn ministers bollen

het nieuwe jaar vraagt nieuwe onbeschreven orders

de arend wordt een duif, geringd door het gespuis

het is de keizer aan te zien,

zijn rijk valt hier aan scherven.

Kanonnen klaar en schiet maar op die duiven,

de schijtluis lachebekt, zijn krul op een postscriptum.

Get. Impotente potentaat. Probitas laudatur[1]


 

[1] Probitas laudatur et alget (Juvenalis).

De deugd wordt geprezen en sterft ondertussen van koude

 
 

 

 

De twaalf colleges

Rood schilfert wit schilfert regenbogen,

hommage aan de kuitenflikker Peter

beeldig als de kunstenaar, de albatros

het koken is een kunst, sprak nog de pugilist.

Hij liet ze prepareren, van muis tot sidderaal,

versierde zijn theater anatomisch in de alcohol.

En dat ze maar regeren nu (bonkend op de tafel),

waarmee hij zijn principe kracht bijzette.

En zie, daar hokten ze bijeen, ontdekten het portiek,

verlieten snel het pand, zonder teken of betekenis,

riepen de meisjes die zich lieten roepen.

Houden maar, anatomisch, meer is al genoeg.

 

 

 

De onbekende man

Stappend het licht tegemoet

dat valt een kwartslag naar rechts,

bedacht als de stad één hand

in zijn vestzak de linker

op de kop van zijn pijp

zijn andere hand.

 

Hij wandelt de dag tegemoet

de muren vol schurft,

ze deren hem niet

het licht uit de bomen

als fruit voorverwarmd

het valt in zijn spoor.

 

Wie was en wie is hij,

wiens schim zal hij ooit zijn?

Kent ze hem, weet ze,

voelt ze hem aan,

is zijn vijfhoekig gepeins

voor haar te vertalen?

 

 

Waterstand

Stond zeven meter hoog die nacht

in klessen dreven de graven voorbij

beten zich vast aan het geel van de gevels

Het stofferig water, de gal van de Neva

bekraste de muren met vulkanische kreten,

sijpelde de zomer erna nog vol overgave

drupte haast speels op de neus van de dorpsgek

werd heilig verklaard en kreeg een kapel

een vrouw moet je weten, Xenia

overstroomde zichzelf als de zee

tot de zevende hemel.

Ora pro nobis.

 

 

Nergens ergens

Stel dat ik je hier zou zoeken,

en stel ik vind je,

dan – zou jij zeggen –

zou dat geen wonder zijn.

 

Maar stel ik ben verdwaald

al mijn wegen afgesneden

niet verder dan de stroom

tot daar kan ik geraken.

 

Dan zou niets iets zijn

zou jij schaduw op het water

zou drijven voelen zijn

bijbels zelfs, tot in mijn ziel.

 

 

De Neva bevroren (II)

Zo ver je maar kunt kijken, de vlakte

en na de vlakte, weer de vlakte

volstrekt het land in cirkels sluitend

radeloos roeiend op de middellijn.

Alsof de golven hier verstard zijn

kan er slechts stilte schrijnen

ook geen zon die fluistert

ook geen zon, zelfs dat niet meer.

 

 

De engel

Adembenemend staat de engel in de zon

het kruis van Christus op het Noorden

als sneeuw blinkt het goud van zijn vleugels.

Stoffelijke resten gaan al eeuwen op in rook,

engelachtig dwarrelen de pluimen naar het firmament,

langs de voeten van de engel met het kruis,

langs zijn gouden vleugels, nader beschouwd

rook van de doden die de hemel bestormt.

 

Nadat Osip Mandelstam zijn engel gevonden had

nadat Nadezjda Tristia inspireerde, zolang nadat

de as van de bleke maskers geen rook meer gaf.

 

© Copyright 2007 - 2009  ALLE RECHTEN VOORBEHOUDEN   hetbeleefdegenot.be

Contact: hetbeleefdegenot@scarlet.be - tel. 0498/73.58.73

Laatst bewerkt: 30 juni 2010