HET

BELEEFDE

GENOT

 vzw

hetbeleefdegenot.be
Home
    Even voorstellen
Wie is wie?
    Lid worden
Te beleven
Beleefd
Toverberg
Publicaties
Fotogalerij
Kunstenaars
 
Links/Sponsors
Contact


HET BELEEFDE GENOT vzw

Coronadagboek Bart

 

 

Week 28 juni - 4 juli 2020

Week 21 - 27 juni 2020

Week 14 - 20 juni 2020

Week 7 - 13 juni 2020

Week 31 mei - 6 juni 2020

Week 24 - 30 mei 2020

Week 17 - 23 mei 2020

Week 10 - 16 mei 2020

Week 3 - 9 mei 2020

 

Week 28 juni - 4 juli 2020

Zondag 28 juni 2020

Géraldine Schwarz, Frans-Duitse journaliste en schrijfster, Frans van voor, Duits van achter, mij verder onbekend, deze week in de De Standaard: ‘De kudde volgen door onverschilligheid of opportunisme is ook een vorm van medeplichtigheid’. Volg ik de kudde? Uiteraard wil ik dit niet geweten hebben, ik die mij pas in mijn schik voelde als ik ‘s avonds na een werkdag mij tegen de stroom van terugkerende forenzen in de gangen van het station moest wringen om een leeggelopen trein te bereiken. En uit opportunisme? In geen geval. En onverschilligheid dan? Dat wordt een delicater punt. Nee, onverschillig ben ik niet en wil ik ook niet zijn, en toch voel ik mij in zekere zin medeplichtig aan juist die onverschilligheid, dus toch? Het feit dat ik niet op de barricades ga staan, niet (meer) in de kop van betogingen loop, dat ik bovendien zwijg in alle talen, ik bedoel mondeling, schriftelijk, in de publieke ruimte… Moet ik het dan uitschreeuwen? Maar hoe? En zou dat niet wat zielig overkomen, een oude bevende man die ergens in een park de voorbijgangers met een bord staat te waarschuwen tegen de naderende wereldramp? Of een pancarte met ‘Black lives matter’, niet alleen die zwarte lijven, alle levende menselijke lijven. Human lives matter? Zouden ze mij dan niet verdenken van een anti-abortus boodschap? Maar, laat ik de kern van de zaak niet uit de weg gaan: zwijgen is een vorm van medeplichtigheid, ergo: ik speel het spel van de massa, waar ik zo’n grondige hekel aan heb, mee. Tja, wat een elitaire uitspraak laat ik nu uit mijn pen cq. toetsenbord vloeien? Of moet ik mijn verontwaardiging over alle onrecht op het asfalt schilderen? Of op mijn pas geverfde witte gevel? Of verspreiden via artikels? Via een pamflet, een boek? Zou één van die acties iets uithalen? Laten we realistisch zijn: geen moer zou dat uithalen. Heb ik daarmee mijn geweten al te gemakkelijk gezuiverd? En even mijn verbolgenheid in een dagboeknotitie gieten (mijn lezers zijn op één hand te tellen, mijn lezeressen op twee, en daarmee spel ik mij nog wat op de mouw). En ja, het maakt mij triest. Of ben ik te oud? Waar was ik dan? De problemen van vandaag waren er decennia geleden ook al? Je moest pakweg dertig jaar geleden al een nitwit zijn om niet te beseffen dat het met het klimaat razendsnel de verkeerde kant uitging, o ja, men had het toen vooral over ozongaten, zure regens, fluorwaterstoffen in de atmosfeer, cfk’s, CO2 concentraties, afsmeltende gletsjers, maar nog niet zo zeer over de vandaag zich aankondigende klimaatsveranderingen: stijgen van de zeespiegel, verwarming van de atmosfeer, uitdroging, woestijnvorming enz. Heb ik toen gewaarschuwd? Een beetje misschien, maar dan in mijn eigen bubbel. En ja, met een lezing voor een bescheiden opgekomen publiek heb ik mensen willen wijzen op het feit dat er niet alleen zoiets als de Shoah geweest is, maar ook de Nakba, beide woorden betekenen trouwens de catastrofe. Dan bereikt een historicus als Ilan Pappe met The ethnic cleansing of Palestine (De etnische zuivering van Palestina) een veel groter publiek, waaronder ikzelf dus. En terecht dus, en dat bedoel ik als ik eerder schreef dat ik het de academici kwalijk neem dat ze hun stem niet verheffen. Ilan Pappe heeft het wel gedaan, en zo moesten zijn vele collega’s het nog meer doen. Zelfs naar hen luisteren is niet zo evident, zeker als de politici aller landen het beter willen weten dan deze experten. We ondervinden het vandaag nog dagelijks. Maar goed, ontslaat mij dat van mijn wil (plicht?) om het onnatuurlijke en onmenselijke wat vandaag op deze aarde geschiedt niet onder de aandacht te brengen? Zeker niet, maar…. Altijd maar die maar.

 

Maandag 29 juni 2020

Vijfhonderd bladzijden liefdesbrieven. Echte liefdesbrieven dan: André Brink aan Ingrid Jonker en Ingrid aan André. Los van die brieven: eerste vaststelling, googel je Ingrid Jonker, dan stoot je steevast op de naam van André Brink, ga je daarentegen op zoek naar André Brink: geen sprake van Ingrid Jonker, wel dat hij vijf maal getrouwd is geweest, de laatste maal met de Poolse Karina Szczurek (hij 71, zij 29) en ook de liefdesbrieven of eerder de e-mails tussen hen werden gepubliceerd (en wellicht ook gecensureerd door Szczurek), maar nog niet vertaald: You make me possible.

Maar terug naar de as Jonker – Brink en het fenomeen van gepubliceerde liefdesbrieven. Ik moet zeggen, nog voor ik eraan begon had ik al iets van een soort spontane afkeer: dat riekt niet weinig naar voyeurisme. Liefdesleven zo maar te grabbel gooien. Beide protagonisten waren intussen overleden. Jonker in 1965, 32 jaar, zelfmoord, nou ja, mede uitgelokt door de eenzijdige breuk van Brink. Brink moordenaar? Brink sterft vijf huwelijken later in 2015, 80 jaar oud, hij heeft Ingrid met andere woorden met een halve eeuw overleefd. Met dit in het achterhoofd deze brieven lezen, je neemt een en ander wel met een korreltje zout, of een ‘korreltjie sand’, vooral Brink schuwt de grote woorden niet: voor eeuwig, voor altijd. En toch, na verloop van verschillende brieven, geraak je er wel aan verknocht. Het was ook niet gemakkelijk voor beide gelieven: hij, getrouwd, een kind Anton, woont in Grahamstad (in de buurt van Elisabethstad), zij twee jaar ouder, gescheiden, een dochtertje Simone, woont in de buurt van Kaapstad, of een kleine duizend kilometer van elkaar verwijderd. Telefoneren was niet evident (aanvragen, doorschakelen, weinig privé) dus brieven en bandjes inspreken en om de vier, vijf maanden een ontmoeting, maar dan meestal wel voor een hele week. Afstand laat de verliefdheid duren, althans tot op het kantelpunt. En ook al bevatten de brieven niet veel anders dan dagelijkse futiliteiten, dat schrijven weeral niet wil lukken (maar intussen geraken de bladzijden wel vol), dat ze dag en nacht naar elkaar verlangen, verhalen over de publicatie van hun werk en bedenkingen bij elkanders literaire productie met heel veel verwijzingen naar andere dichters of schrijvers: Paul Van Ostaijen, Walt Whitman en enkele Zuid-Afrikanen, toch blijf je geboeid de ene brief na de andere lezen.

 

Dinsdag 30 juni 2020

De laatste dag van juni, de zomer kan nu echt beginnen. In Zuid-Afrika is het dan winter, met (soms) sneeuw, koude en al. Jonker en Brink begonnen hun correspondentie eind april, komt overeen met eind oktober bij ons, dus diep in de herfst. Dat was even wennen, steeds die seizoensknop moeten omdraaien. Anderzijds, zo koud zal het wel niet geweest zijn, herhaaldelijk schrijft Ingrid dat ze in zee is gaan zwemmen (met haar witte badpak van André gekregen). Als je de breedtegraad bekijkt dan is Kaapstad 33° zuiderbreedte, gespiegeld kom je uit aan 33° noorderbreedte en daar vinden wij steden als Marrakech, Tripoli en Jeruzalem, niet bepaald kille gebieden in de winter. Er staan ook enkele foto’s in Vlam in de sneeuw. O, wat ogen ze nog jong. Ingrid nog geen 30, André 28. Alles ligt nog open voor hen, althans op het eerste gezicht want Brink is nog getrouwd met Estelle, al is de liefde zeer ver zoek, en heeft hij zijn vaderplichten tegenover Anton, nog een peuter (of al een kleuter – ik ben niet zo goed in die pleutermaterie, nooit geweest), Ingrid is al gescheiden van de vijftien jaar oudere Pieter Venter, die haar administratief blijft lastig vallen, o.a. in verband met hun dochter Simone, bovendien was er nog een vrij intieme vriendschap tussen Ingrid en een alweer veel oudere Jack Cope, een driehoeksverhouding met een serieus gebroken-hoek af zou je kunnen stellen. Met Cope schiet ze niet echt op (voor zover je dat uit de brieven aan Brink kan besluiten), maar hij woont geen duizend kilometer van haar woonst, vandaar dat Jack regelmatig op bezoek komt, waarbij het steeds (volgens de briefwisseling met Brink) op een ruzie uitdraait – over de verzoening nadien zwijgt ze wel in alle talen tegenover Brink. Simone, Venter, kwaadaardige Jack, verre André en chronisch geldgebrek en bovendien een racistische vader die haar verstoten heeft omwille van haar keuze voor de ‘verkeerde’ kant, een alarmerend en vervaarlijk cocktail! De depressie die daar het gevolg van was is haar noodlottig geworden. Zij verdronk zich in de oceaan. Het heeft niet mogen baten, ondanks haar bijzonder gevoelige en grootse poëzie. Na haar dood is ze gerehabiliteerd, meer zelfs bij de opening van het eerste democratisch verkozen Zuid-Afrikaans parlement droeg de pas vrijgekomen Nelson Mandela haar gedicht Die kind (wat doodgeskiet is deur soldate by Nyanga) voor. Hij noemde haar expliciet een Afrikaan én een Afrikaner. De laatste (opgenomen) brief van Ingrid Jonker aan haar ‘schattejongen’ dateert van 18 april 1965. Geen vuiltje aan de lucht zo te lezen. Drie maand later, op 19 juli 1965 loopt ze de zee in, haar levenloze lichaam wordt de dag nadien gevonden. Toen men haar vader het trieste nieuws van zijn dochter kwam brengen was zijn reactie: werp haar maar terug in de zee. Even nog Ingrid citeren: ‘Iedereen is zo kwetsbaar geworden, en daarmee, mooier, beter’. Het is alsof ik Etty Hillesum hoor.

 

Woensdag 1 juli 2020

Hälfte des Jahres, niet Hälfte des Lebens, daar zij we la ver, ver over. Overigens behoort het gedicht Hälfte des Lebens van Friedrich Hölderlin tot de mooiste die ik ken.

 

Hälfte des Lebens

 

Mit gelben Birnen hänget

Und voll mit wilden Rosen

Das Land in den See,

Ihr holden Schwäne,

Und trunken von Küssen

Tunkt ihr das Haupt

Ins heilignüchterne Wasser.

 

Weh mir, wo nehm ich, wenn

Es Winter ist, die Blumen, und wo

Den Sonnenschein,

Und Schatten der Erde?

Die Mauern stehn

Sprachlos und kalt, im Winde

Klirren die Fahnen.

 

Halfweg het leven

 

Met gele peren hangt

en vol met wilde rozen

het land in het meer

o, zachte zwanen,

en dronken van kussen

dopen jullie het hoofd

in het heilig nuchtere water.

 

Wee mij, waar vind ik, als

het winter is, de bloemen, en waar

de zonneschijn,

en de schaduw van de aarde?

De muren staan,

sprakeloos en koud, in de wind

knarsen de weerhanen.

 

(Eigen vertaling)

Een pracht van een gedicht, zeker als je het van nabij bekijkt. De eerste strofe, zacht, weemoedig (eerste helft van het leven), de tweede strofe ijskoud, hard (laatste helft van het leven). Het is ook al door talrijke dichters vertaald, vaak met andere accenten of andere woordkeuzes: Klirren die Fahnen: klateren de vlaggen vanen, ik hou echter van het vaak vertaalde weerhanen. Het knarsen van niet geölied ijzer telkens de windhaan van positie-verandert. En zo heeft bijna elke zijn een eigen vertaling. Maar laat mij even de inhoud analyseren (ook dat is door velen gedaan, je vindt het terug op Internet, doorgaans bij Duitse sites, logisch eigenlijk). Eigenlijk wordt in de eerste (vrouwelijke) strofe de herfst beschreven en wordt in de volgende (mannelijke) strofe de winter aangekondigd. De peren zijn rijp, want geel. Hölderlins toren aan de Neckar in Tübingen, waarin hij dertig jaar zwakzinnig verbleef (daar is men het nog niet over eens: was hij zwakzinnig of deed hij dertig jaar alsof?) was en is eveneens geel. De zwanen – denk aan Brugge – hoe ze geruisloos op het water drijven en hun spiegelbeeld kussen telkens ze met hun snavel het water raken. Een vredig, maar zo voel ik het aan, een verraderlijk tafereel. Stilte voor de storm zo lijkt het mij. En die storm kondigt zich onmiddellijk aan, al bij de eerste regel van de volgende strofe. De eerste twee regels wemelen van de w-klanken: Weh, wo, wenn, Winter, wo. Hier geen peren meer, geen bloemen, geen verwarmende zon, enkel koude, kille, starre, zwijgende muren en dat dat prachtige beeld van die knarsende, knerpende weerhanen in een ijskoude valwind. De dynamiek van de eerste strofe, de vloeiende beweging van de zwanen tegenover de stilstand, het statische in het tweede deel, alles lijkt hier wel bevroren.

1 juli, Hälfte des Jahres, een jaar om nooit te vergeten.

 

Donderdag 2 juli 2020

Vandaag heb ik de DVD met Black butterflies bovengehaald (ik moest hem eerst nog zoeken, en pas helemaal op het laatst vond ik hem) en kritisch bekeken in het licht van de correspondentie tussen Ingrid Jonker en André Brink. Doorgans is het boek mooier dan de film, maar hier is de werkelijkheid van de brieven veruit te verkiezen boven de al te opgesmukte film, waarachtiger, echter, meer beleefd ook. Tja, een filmisch verhaal moet je doorgaans ophangen aan een anekdote en die dan uitvergroten en hier hebben we dus uitgerekend Jack Cope (prima vertolkt door Lima Cunningham) die ‘toevallig’ de in nood verkerende Ingrid (Carice Van Houten) uit de kwaadaardige golven van de oceaan redt (en dan weten dat deze beginscène opgenomen werd in een hoek van een of ander zwembad). Uitgeput op het strand vraagt ze haar redder wie hij is. ‘Jack Cope’, zegt hij. ‘The writer!’ roept Ingrid, verrast over haar eigen verbazing (ik schreef eerst: verbaasd over haar eigen verrast zijn). En de logica eist dan dat Jack hetzelfde vraagt. ‘The poet!’ gilt Jack al even verrast, en zie de romance is begonnen en dat voor de rest van de film (met veel vallen en evenveel maal opstaan, minus eenmaal dus, de laatste maal)? Jack Cope, de grote liefde van Ingrid Jonker. Uit de brieven met Brink krijg je toch wel een ander beeld en inderdaad kan je je afvragen hoe eerlijk Ingrid wel is in haar brieven, ze heeft het vaak over Jack maar steeds in de negatieve zin. Jack was hier gisterenavond en we hebben flink wat geruzied. Het steeds terugkerende refreintje. Ligt de waarheid in het midden? Alsof waarheid in een midden kan liggen. Nu, het meest plausibel antwoord op die vraag is dat zij hoe dan ook verschrikkelijk verlangt naar de verre en afwezige André (haar eerste keus zou ik denken), maar een temperament als Ingrid kon daar volgens mij niet mee leven en met een gehaaide maniak als Jack in de buurt is de conclusie vlug gemaakt: hij mag haar bed geregeld warm houden, met haar seksuele honger kan zij geen drie maanden wachten op die andere maniak. Komt Brink niet voor in de film? Ja toch, hij krijgt wat misleidend de naam Eugene Maritz, misleidend want ergens somt iemand enkele Zuid-Afrikaanse schrijvers op: … André Brink, Eugene Martiz… In de film is Eugene/André maar een zielig persoontje die het allemaal verknalt bij Ingrid. Als je dan hun brieven leest begrijp je dat niet. Op zich wel een charmante film, bij momenten ook ontroerend (zeker als je die de eerste maal ziet en geen weet hebt van de relatie met Brink). Maar zoals gezegd de waarheid is te verkiezen boven de opgeschroefde fictie.

 

Vrijdag 3 juli 2020

Op 3 juli 1883 werd in Praag Franz Kafka geboren. Zeker de schrijver die de meeste indruk op mij gemaakt heeft en dan vooral in mijn studentenjaren en vlak erna. Alles van hem gelezen en alles wat hij geschreven heeft in mijn bibliotheek, denk ik toch. Ik moet erbij zegge: zijn œuvre is nu ook niet zo uitgebreid: drie romans, tientallen verhalen, veel dagboeknotities en ook veel brieven aan familie en vriendinnen. Inderdaad, ik was 16 jaar toen ik in de bibliotheek van Oostkamp een exemplaar vond van de Brieven aan Milena. Deze brieven waren een ongelofelijke ontdekking voor mij. Het deed mij onmiddellijk besluiten alles van die schrijver te weten te komen en te lezen. Jammer genoeg zijn de Brieven aan Milena niet meer te verkrijgen. Ik bezit wel de oorspronkelijke brieven in het Duits. Vaak gezocht op internet maar ook in antiquariaten is er nog een Nederlandse uitgave te vinden. Bijna had ik succes: een verkoper bood alle brieven van Kafka in Nederlandse vertaling aan als een pakket. Voor alle zekerheid toch nog even informeren: allemaal minus de brieven aan Milena! Ja, dag Jan. Om de meeste geschriften van Kafka in het Duits te bemachtigen ben ik na de deliberatie van de eerste kandidatuur, dat was in 1970, met de fiets van Leuven naar Aken gereden (in twee dagen met een stop in de Jeugdherberg van Houffalize, waar ik de enige bezoeker was) en in Aken in een boekhandel (die vandaag niet meer bestaat) om de Fischer Verlag boekjes van Kafka te kopen, plus nog een paar andere (o.a. Franz Kafka door Klaus Wagenbach in de RoRoRo-reeks van Rowohlt en een biografie van Beethoven). Intussen is het al een hele tijd geleden dat ik nog een Kafka ter hand genomen heb, moet ik toch eens doen een dezer dagen.

 

Zaterdag 4 juli 2020

Ik wil nog eenmaal terugkomen op de briefwisseling tussen Ingrid Jonker en André Brink. De laatste brief van André, als die tenminste de laatste is, dateert van 27 april 1965. Ingrid is uit het leven gestapt op 19 juli 1965, slechts 2,5 maand na die brief. Heeft die brief haar van streek gebracht? Was het de genadeslag? Die brief begint losjes en in de gangbare stijl: Eindelijk weer terug…, dank je voor je wachtende brief…, de lezingen zijn goed verlopen…, je hebt vast ook de stekelige recensie gezien… Stuff as usual dus. En dan plots, wellicht op de laatste bladzijde van de brief, het beroemde citaat uit The Waste Land van T.S. Eliot: ‘April is the cruellest month, breeding lilacs enzovoort tot de vierde regel: Dull roots with spring rain.’ Gevolgd door - ik citeer de passage volledig (onderstreepte woorden ook door Brink onderstreept): ‘April. Lief kind, kom bij me zitten en luister. En probeer te begrijpen dat dit het zwaarste is wat ik tegen iemand heb moeten zeggen, ooit. Ik wil het in zo min mogelijk woorden doen, want jij bent vrouw – en zult het al geweten hebben: jij wist het al een maand geleden, voor mij. Ja. Ik was bij haar. En we zijn met elkaar naar bed geweest. Ik sta naakt voor je; ik wil geen kleren of bescherming behouden. Ik mag niet eens vergiffenis vragen, want dat impliceert schuld – en net zo min als ik ooit schuld kan voelen over jou en mij, kan ik me hier schuldig om voelen. Ik weet alleen: het is iets verschrikkelijks om te doen – om dit te moeten vertellen, aan jou, nu. Meer weet ik niet. Alleen dat jij onvervangbaar bent in mijn hart. En dat jouw geluk me altijd ter harte zal blijven gaan. Ik ben in de handen van de levende God. En ik groet je mijn Cocon. Met tranen. En met liefs. André.’ De fatale bekentenis die er toch wel zat aan te komen, want opvallend: de laatste maanden bijna eenrichtingsbrieven van Ingrid aan André (maar zijn er intussen geen brieven verloren gegaan of heeft André ze niet vrijgegeven?). Een maand eerder, op 15 maart, in zijn voorlaatste (?) brief schreef hij al suggestief ‘Als je me nog wilt hebben; als de stilte staat voor hoop en niet voor afstandelijkheid. Zeg, zeg, zeg me waar de liefde ligt.

De vrouw met wie hij was en met wie hij naar bed gegaan is, heette Salomi Louw, kort nadien is hij met haar getrouwd (na de scheiding van zijn eerste vrouw Estelle). Het huwelijk heeft nauwelijks een jaar stand gehouden maar schonk hem wel een tweede zoon: Gustav. Dat Ingrid behoorlijk overstuur was, dat leidt geen twijfel, anderzijds is ook Ingrid verre van kuis gebleven: haar plaatselijke minnaar Jack Cope blijft heel de tijd rond haar cirkelen, blijft regelmatig inslapen (wat zij ook vertelt aan André, steeds eraan toevoegend dat ze in een apart bed sliepen, meestal na de zoveelste hevige ruzie), ook weten wij dat ze omstreeks dezelfde periode een korte relatie had met de Belgische kunstschilder Herman Van Nazareth. Dus ja allemaal verklaarbaar: twee koningskinderen die bij elkaar niet konden komen, tenzij heel af en toe, het temperament en de gammele psychische toestand van Ingrid, de lichamelijke honger en zelfkastijding van André… En dan nog: hoe waarheidsgetrouw is de realiteit van die brieven? Wat schrijft Ingrid niet en wat verzwijgt André? Een treurig einde, het heeft niet mogen zijn, maar laten wij er geen doekjes om winden, deze liefdesrelatie of zelfs een huwelijk (wat beiden zo graag wilden) had weinig kans te overleven in het toenmalige schrijversmilieu van Zuid-Afrika. De laatste regels uit de laatste (gepubliceerde) brief van Ingrid – naar aanleiding van het tweejarig bestaan van hun kennismaking nota bene – klinken dan ook intriest: ‘En ik zal denken aan een gezicht, een geliefd gezicht, jouw gezicht. Blijf braaf samen met al onze geheimen. Je Cocon.

 

Week 21 - 27 juni 2020

Zondag 21 juni 2020

De boer van Parijs, wat voor soort literatuur is dat nu? Moeilijk te beantwoorden vooral omdat Aragon zelf zich schijnt te amuseren om van de ene hakstijl op de andere takstijl te springen. De vertaler Rokus Hofstede, een paar jaar terug te gast in Het Beleefde Genot toen hij het over Pierre Michon had, schreef ook een nawoord bij De boer. Daarin maakt hij een rake opmerking: ‘Veel eigenaardigheden van Le Paysan de Paris zijn te duiden als een poging om tegemoet te kommen aan een onmogelijk verlangen: een verhaal vertellen waar het vertellen van verhalen verboden was’. Maar Aragon wist heel goed wat hij deed, hij heeft de regie stevig in handen. Rokus heeft het ook over surrealistisch realisme, een treffende omschrijving, hij heeft het ook over de ‘kwikzilverachtige kwaliteit van de teksten’. In het deel Le passage de l’Opéra zijn we eerder getuige van een bijna reportage-achtige beschrijving van al de winkeltjes en andere zaken (kapper, schoenenpoetser massagesalon, bordeel, restaurant) in de passage terwijl het andere deel Le sentiment de la nature aux Buttes-Chaumont soms eerder op een filosofisch traktaat gaat gelijken. Interessant is wel als je even googelt naar dat fameuze park in het Noorden van Parijs, in het 19de arrondissement, dat je dan een goed beeld krijgt van het park zoals het er vandaag en ook ten tijde van Aragon uitzag. De bochtige paden, de hangbrug de rotsformatie en erboven het tempeltje, het klopt nog allemaal met wat Aragon in zijn beschouwingen meegeeft. Even terzijde, maar tijdens. Het opzoeken van Buttes-Chaumont ontdekte ik in de buurt ook een kleiner parkje dat de naam draagt Parc Anaïs Nin. De naam lijkt mijn specialer dan het park, maar mocht ik nog eens in Parijs zijn, dan zou ik wat graag eens door het Parc Anaïs Nin kuieren, en uiteraard ook in het Parc Buttes-Chaumont. Parijs doe je meestal voor de monumenten en de musea, maar het groen in deze lichtstad zou ook wel eens de moeite waard kunnen zijn. Of een wandeling uitstippelen in het genre van ‘in de voetsporen van de surrealisten’.  Het zou zelfs een surrealistische wandeling kunnen worden, al zouden veel plaatsen niet meer te bezoeken zijn, om te beginnen al de Passage de l’Opéra, want ten prooi gevallen bij de heraanleg van de Avenue Hausmann. De eigenaars van de talrijke winkeltjes ontvingen een aalmoes als schadevergoeding voor het ontruimen van hun zaak, ze konden er niet eens de kosten voor hun verhuizing mee financieren. Ook op deze problematiek gaat Aragon dieper in, maar bovenal is het de verbeelding die de tekst stuurt. Als hij vele jaren later nog eens terugblikt op De boer van Parijs heeft hij het over ‘… die roman-die-geen-roman-was.’

 

Maandag 22 juni 2020

Waarom schrijft u? Waarom schrijf ik een dagboek? Eerlijk, bij zo’n vraag sta ik met mijn mond vol tanden. Ik heb er nog niet bij stil gestaan. Het lijkt mij nochtans een logische vraag aan schrijvers. Luc Tuymans, waarom schildert u? Eliane Rodriquez, waarom speelt u piano? Waarom doet u wat u doet? Enfin, ooit werd die vraag tijdens een interview gesteld aan Gabriël Garcia Marquez: waarom schrijft u? Zijn antwoord was toen: ‘Ik heb het al eens gezegd en ik blijf het denken: ik schrijf om meer geliefd te zijn. ik geloof dat dat een van de fundamentele aspiraties is van een schrijver.’ Om meer geliefd te zijn? Wil ik meer geliefd worden? Het is nog nooit bij mij opgekomen. Een typisch antwoord is ook: ik schrijf om gelezen te worden. Doe ik dat? Gelezen door wie? Voor wie zou ik dan schrijven? Voor de hele wereld misschien? Kleine correctie: voor mijn eigen kleine wereld? En dan nog: heb ik misschien een doelpubliek? Afschuwelijke naam, maar in zijn compactheid wel verantwoord hier. Nee, niet direct lezers (of lezeressen) op het oog. Of toch? Tja, meer dan drie, vier zullen het wel niet zijn. Ik neem aan hier en daar toevallige lezers (of lezeressen). Schrijf ik uit een soort dwang (ook al gehoord: hier sta ik, ik kan niet anders, Luther weet je wel). Nee, die zogenaamde dwang is er zeker niet, anders zou ik vroeger al (dag)boeken vol geschreven hebben. Schreiben wie ein Form des Gebetes, schreef Kafka ooit. Zeer religieus, zeer Kafka en zeer diepzinnig. Laten wij bidden.

Schrijven omdat ik het plezierig vind? Ervan geniet? Scribo ergo fruor? Het zou een lijfspreuk kunnen zijn. Maar genieten doe je nooit alleen, dus kom ik sowieso weer bij mijn lezers (of…). En toch is dit wat ik een vorm van voorgenieten zou willen noemen, een beetje zoals met een voorspel (met het vooruitzicht op het echte spel wel te verstaan). Ik schrijf, dus ik geniet (voor), ook al heb ik geen enkele lezeres op het oog. Misschien schrijf ik daarom. Dus, jij die dat leest, weet dat het voor jou bestemd is. En ja, eigenlijk zit ik zo wat een beetje in de buurt van het ‘geliefd willen zijn’ van Marquez. Een subtiele verleidingstruc van mij als dagboekschrijver?

 

Dinsdag 23 juni 2020

Vandaag kreeg ik een lithografie onder ogen, verschenen in L’illustration van 5 juli 1919, met als titel Des gueules cassées. Er staan een rij gekwetste soldaten uit WO I op, ze worden de hand gedrukt door een aristocratisch uitziend type (lange zwarte mantel, witte gesteven kraag, bakkebaarden, Nietzscheaanse snor, …), ik vermoed Georges Clemenceau (bijgenaamd Le Tigre) die voor Frankrijk aan de onderhandelingstafel zat in de spiegelzaal van het kasteel van Versailles. Sommigen leunen op krukken, andere dragen een hoofdverband en enkelen hebben een mondmasker aan. Niet uit hygiënische voorzorgen maar natuurlijk omdat hun gelaat zo verminkt is door de oorlog. De gelijkenis met de huidige mondmaskerepidemie dringt zich op. Nu ja gelijkenis: een zwartwit tekening en een zwart mondmasker uit 1919 staat ver af van de olijke maskers met bloemetjespatronen van een eeuw later.

Iets verder in de catalogus is er een foto afgedrukt van een smid met een leren voorschoot en zwart of donkerblauw marcelleke aan (op een zwart-wit foto is dat niet zo goed te zien). Hij slaat met grote kracht op een aambeeld waarop een zwaard ligt. Hij maakt er een ploegschaar van. Hij is omringd door een enthousiaste groep van vooral jonge mensen, ze lachen en klappen in de handen. De foto dateert van 24 september 1983 en werd genomen in de omgeving van Wittenberg, de stad van Maarten Luther. Deze catalogus kwam er naar aanleiding van de tentoonstelling Wege zum Frieden in 2018 in het LWL Museum für Kunst und Kultur van Münster (nergens te vinden waar LWL voor staat). Een uitgebreide en mooie catalogus, niet verassend voor wie het LWL Museum kent (het El dorado voor de liefhebber van hedendaagse kunst, las ik ergens). Tot twee weken geleden was er nog een tentoonstelling met werk van onze Karel Dierickx van 13 maart tot en met 7 juni, veel bezoekers zal de tentoonstelling wel niet gehad hebben. Als je naar hun website (lwl.org) gaat dan kun je onder ‘Ausstellungen – Karel Dierickx’ nog een interessante video bekijken van Stefan Hertmans die het in mooi geprononceerd Duits heeft.over zijn vriend Karel Dierickx.

 

Woensdag 24 juni 2020

Natuurlijk schrijf ik weinig, bijna niets eigenlijk, over Corona en haar toestanden. Actuele thema’s moet je zoveel mogelijk vermijden, binnen de kortste keren verliezen ze hun actualiteit, en dan kijk je later wat beteuterd naar je schrijfsels. Heb ik dat geschreven? Ach, ach. Een beetje zoals met geëngageerde poëzie, verlokkelijk maar o zo riskant, want vaak zo situatie gebonden. En daarvoor schrijf je niet, om het enigszins wat opgeblazen te zeggen: als je iets schrijft, geëngageerd of niet, schrijf het dan voor de eeuwigheid, niet voor het al te vergankelijke nu. En let wel: eeuwige geëngageerde poëzie is wel degelijk mogelijk, zelfs door naar bepaalde tijdsgebonden gebeurtenissen te verwijzen. Pablo Neruda (Canto General uit 1950), Konstantinos Kavafis (Wachten op de barbaren uit 1898), Paul Celan (Todesfuge, 1948), het zijn literaire monumenten van de XXste eeuw, je kunt ze nooit genoeg herlezen en je erdoor laten betoveren. Niet gemakkelijk om relevant te blijven in veranderende tijden, daarvoor lijkt het mij, moet je het (al te) concrete opgeven en een beroep doen op het abstracte wat dan tot gevolg heeft dat je meer inspanning verwacht van je lezers. Rutger Kopland schrijft ergens (in zijn dagboek): ‘Niet hoe reageer ik daar en daar, maar hoe reageer ik altijd en overal, daar gaat het mij geloof ik om’. Zoek daar maar eens een bevredigende oplossing voor als dichter. Heb ik ooit politiek geëngageerde poëzie geschreven? Ik herinner mij een vrij gedicht: Blauwe nacht. Opgedragen aan de Britse mijnwerkers tijdens hun langdurende staking onder het bewind van Margaret Thatcher. Begin 1985 was dat. De beginregels: ‘Blauwe nacht zinkt, / zinkend schip boven Sheffield? / Teder de nacht die alles eender kleurt’ Ik heb mij nog gewaagd aan dat soort poëzie, deze gedichten staan onder het hoofdstukje ‘Machines hebben handen nodig’ in mijn laatste bundel Klankschalen. Eentje is mij dierbaarder dan de rest. Ik geef het hieronder integraal weer:

Schaamteloos

 

De zee is ver, de zee is nabij,

de zee is diep, de zee is breed,

de zee is de zee

vanaf het strand van Lampedusa

tot aan het zand van Gaza

de zee is eeuwig

de zee kent geen schaamte.

Jaren later, toen er een wedstrijd uitgeschreven werd naar aanleiding van het honderdjarig bestaan van de Historische Uitgeverij maakte ik een aantal gedichten, uit drie door mij ingezonden gedichten werd ‘Werkers’ bekroond met de eerste prijs, nogal realistisch gebonk en gedreun vind ik nu wel, maar helemaal in de lijn van het opgelegde thema (een realistisch schilderij van een arbeidersmilieu of een optocht, ik weet het niet meer zo goed). De eerste regels luidden: ‘Wie eens de geulen heeft gezien, / de stroom van gloeiend staal’. Nou, Marx zou in zijn nopjes geweest zijn.

 

Donderdag 25 juni 2020

De drie musketiers gewikt en gewogen. André Breton, ondanks de grootse bekendheid van Nadja, viel mij tegen. Toch wat een voorzichtige surrealist, vind ik. Het tweede deel, waarin de figuur van Nadja voor het eerste verschijnt, is zelfs een (gewoon) dagboek, autobiografisch dus. Aantekeningen gelardeerd met semi-surrealistische voorvallen. Een roman zou ik dit boek niet noemen (Breton overigens ook niet). Daarentegen komt De boer van Parijs van Louis Aragon het dichtst in de buurt van wat je van een surrealistisch geschrift verwacht, voornamelijk het tweede deel Natuurgevoel in de Buttes-Chaumont. De laatste nachten van Parijs van Philippe Soupault is dan weer het meest literaire verhaal van de drie en draagt mijn voorkeur weg. Ik zoek bij elk enkele mooie zinnen, opmerkelijk genoeg, om te citeren. Sommige zinnen heb ik al eerder deze of vorige week geciteerd, ik probeer andere er uit te lichten. Eerst uit de Nachten. ‘Haar gebaren hadden iets zigzaggends, verontrustend en verleidelijk tegelijk’, ‘We volgden de zijarm van de Seine rondom het Île de la Cité, waar het water slaapt in de schaduw van de dode kathedraal’, ‘…een Parijse straatslijper…’, ook bij Aragon komt het woord straatslijper voor, ‘…avonturiers zonder avonturen…’, ‘In de voorspelde toekomst zochten ze een bevestiging van het heden’ (over de mannen van het groepje die in hun vrije tijd een waarzegster raadplegen), ‘Vroeger. De ironie van het woord leek me wurgend zwaar.’. Enzovoort. De boer dan: ‘…maar of zekerheid werkelijk bestaat, die vraag wordt door niemand gesteld.’, ‘man en vrouw zijn zo aan elkaar gewend dat hun alledaagse gesprekjes van lieverlee door een volstrekt zwijgen zijn vervangen’ (herkenbaar), ‘… de kleinste kleintjes…’, ‘… geografie van het genot…’ (welke plaatsen zouden hier bij mij niet overal in aanmerking komen?), ‘Wat geniet een mens er toch van om op de drempel van de verbeelding te staan!’, ‘Voor hedendaagse stedelingen heeft hygiëne de plaats van pracht en praal ingenomen.’, ‘Ja, in het begin wikkelde ik het landschap in mijn woorden.’ Enzovoort ook. Nadja tenslotte. ‘Hij heeft mij die meetrillende onlust deelachtig gemaakt., ‘Terwijl je werkt, heb je er niets aan dat je leeft’ (zou passen als levensmotto voor de decadenten), ‘Ik houd veel van die mensen die zich ’s nachts in een museum laten opsluiten, om buiten de toegestane uren op hun gemak een vrouwenportret te kunnen aanschouwen, waar zij het licht van een dievenlantaarn op laten schijnen’ (ook iets voor decadenten en surrealisten, maar het spreekt mij wel aan, een nachtje in het bijzijn van de Lady of Shalott van John William Waterhouse lijkt mij wel wat, uiteraard (de tweede versie van ) het gedicht van Alfred Tennyson lezend - But Lancelot mused a little space / He said, "She has a lovely face; / God in his mercy lend her grace, / The Lady of Shalott.", ja, ja), ‘Nadja, het altijd geïnspireerde en inspirerende schepsel…’, ‘Alleen wie nooit is binnengegaan in een krankzinnigengesticht kan er onkundig van zijn dat gekken daar gemaakt worden, precies zoals in tuchthuizen boeven gemaakt worden’ (daar zal Michel Foucault zeker mee ingestemd hebben), ‘Het welbekende feit dat er geen grens bestaat tussen niet-waanzin en waanzin…’, ‘de schoonheid; het is overduidelijk dat deze hier nooit anders beschouwd is dan om de hartstocht te dienen.’ Enzovoort, dat spreekt vanzelf.

 

Vrijdag 26 juni 2020

Wie ben ik? Zo begint Nadja van André Breton. Die zin deed mij denken aan de eerste zin van Ayn Rands Atlas shrugged uit 1957 - driemaal in het Nederlands vertaald, eenmaal als Wereldschok (1990, vertaling Renate Kloosterhuis), eens als Atlas in staking (2007, vert. Jan de Voogt) en de laatste keer als De kracht van Atlantis (2012, volledig herziene vertaling door dezelfde Jan de Voogt) en die beginzin uit De kracht van Atlantis luidt: Wie is John Galt? Een obsessionele vraag die om de haverklap terugkeert en pas ver over het midden van de zeer dikke roman (1372 bladzijden!), die overigens geen seconde verveelt, beantwoord wordt. Nu Breton beantwoordt zijn eenmaal gestelde vraag helemaal niet, tenzij je de hele roman (?) als antwoord wilt beschouwen. Nee, hij maakt er een (zogenaamd) surrealistisch zootje van. Origineel is wel dat hij zijn verhaal doorheen het boek illustreert met foto’s van plaatsen, gebouwen, figuren, standbeelden, tekeningen (van Nadja dan – die zijn wel surrealistisch, doen soms denken aan een ruwe schets van werk van Joan Miro, die trouwens tot de vriendenkring van Breton behoorde). Eigenlijk foto’s waarvan de nostalgie afspat. Zo is Parijs ooit geweest. Twee jaar geleden was ik bijvoorbeeld nog op de Place Dauphine op het Île de la cité. Jammer, maar ik wist toen niet wat voor een invloed die plaats op Breton heeft gehad, toen ben ik wat onverschillig over het pleintje gelopen (waar enkele Parijse senioren zich met veel commentaar overgaven aan het pétanquespel), terwijl Breton daar spannende momenten beleefd heeft. Nou ja, voor Breton en zijn kompanen zou ik wel niet speciaal naar Parijs trekken, maar als je er dan toch bent… Zijn tweede liefde is dan Nantes, een stad waar ik een tiental jaren gelogeerd heb, en die stad viel best heel goed mee. Veel ongeschonden Art Nouveau gebouwen en villa’s en het prachtigste plein dat ik ooit gezien heb (zelfs mooier dan de halve maan van Siena, en dit is al zo mooi), maar ja, het was toen valavond na een warme zomerdag, er was een terras en rode wijn, la dolde farniente op zijn Frans. Intussen ben ik ook begonnen aan De kunst van het nietsdoen van de veertienede eeuwse Japanse dichter, schrijver, monnik en hoveling Kenko. Maar nu ga ik lekker nog wat niets doen, morgen is een andere dag.

 

Zaterdag 27 juni 2020

De kunst van het nietsdoen of de kunst om de argeloze lezer te misleiden. Nou ja, het is maar van hoe je het bekijkt. De letterlijke vertaling uit het Japans zou zijn: Overpeinzingen in ledigheid. Dat lijkt mij al wat dichter bij de waarheid te staan. Het zijn vooral overpeinzingen, de aanzet van Kenko is trouwens een soort anti-ledigheid: Wat lijkt het waanzin om in mijn ledigheid hele dagen achter mijn inktsteen door te brengen en zomaar, lukraak, de eerste gedachten op te tekenen die in mij opkomen…’. Het lijkt waanzin, maar zo ziet Kenko het niet, hij schriffelt duchtig voort (schriffelen = neologisme, schrijven met een griffel) en in feite is het ook geen schriffelen, want niet voor niets zijn de Japanners zo’n uitstekende kalligrafen. De teksten worden namelijk gepenseeld. (‘Als je niet zegt wat er op je hart ligt, krijg je een winderig gevoel, en dus laat ik mijn penseel maar zijn gang gaan’). Lof van de traagheid. Blijkbaar is kalligraferen niet zo evident, regelmatig wijst Kenko erop dat één of ander karakter onjuist geschreven of gelezen is, waardoor een compleet andere betekenis aan het licht komt. Af en toe lijkt zijn betoog ook wel een voorloper op Het boek van de hoveling (Il libro del cortegiano) van Baldassar Castiglione. Een van de drie boeken die Karel V op zijn nachtkastje had liggen in zijn laatste verblijfplaats, het klooster San Jeronimo de Yuste (de andere boeken waren Il principe van Machiavelli en – uiteraard – de Bijbel) Kenko dus met voorschriften over hoe de edelen zich aan het keizerlijk hof dienen te gedragen. Wat ook sterk naar voor komt, is zijn pleidooi om de oude traditionele waarden in ere te houden, en dat tegen de moderne rages bij de jeugd. Soberheid en matigheid staan als deugden ook hoog in aanzien bij deze monnik, en van vrouwen moet de man niet weten, al is hij wel gebiologeerd ‘bij het zien van de witte benen van een meisje dat kleren stond te wassen’. Ook het huwelijk als instelling vindt geen genade. ‘Toch is het verstandiger om je hoofd niet te verliezen in de liefde, als je niet de indruk wilt geven dat je een speelbal der vrouwen bent’. Echt Machiavelliaans (niet de Machiavelli zoals hij doorgaans voorgesteld wordt, maar de Machiavelli van de brieven en l’art de vivre) is Kenko als hij schrijft (en daar treed ik hem heerlijk in bij): ‘Geen groter soelaas dn in je eentje bij een lamp te zitten met een opengespreid boek en bevriend te raken met iemand uit lang vervlogen tijden die je nooit hebt ontmoet’. Eenzaamheid is voor hem geen straf, integendeel, het is een oase van rust en stilte om in jezelf terug te plooien. Vermijd in elke geval het samenwonen met een vrouw (leve de LAT-relatie schijnt hij te zeggen): ‘Maar als een stel niet onder één dak woont en een man zijn vrouw zo nu en dan gaat opzoeken, zullen hun wederzijdse gevoelens de jaren trotseren. Als hij dan zomaar bij haar langsloopt om de nacht bij haar door te brengen, houdt dat de verhouding fris.’ In een voetnoot bij deze tekst lezen wij dat dit een gewone gang van zaken was bij adellijke families in het Japan van de 14de eeuw, de vrouw bleef namelijk jaren lang inwonen bij haar familie. Terloops merkt Kenko ergens op dat ‘Als een man van boven de veertig al eens een geheim liefje heeft, kun je hem dat moeilijk kwalijk nemen’, zolang je het maar niet uitbazuint of erover zit te snoeven. Maar laat ik deze aantekening besluiten met de wijze woorden van de Chinese dichter Bai Juyi (9de eeuw), maar geciteerd door Kenko: ‘De avond valt en ik heb nog ver te gaan. / Ik struikel op mijn levenspad’ En ik? Zal ik ooit aankomen in Cordoba, zelfs al weet ik de weg? Cordoba, lejana y sola.

 

Week 14 - 20 juni 2020

Zondag 14 juni 2020

Vandaag op zoek naar een onvindbaar boek van Luce Irigaray. Niets gevonden maar mijn rekken ook niet onderste boven gehaald. Luce Irigaray? Ooit (ooit!), ik vermoed van Jean-Pierre Van Hee een introductie tot haar denken gekregen tijdens een Moritoencursus (een beetje de voorloper van Amarant, al is er verder geen verband te zoeken). Wat mij toen vooral aansprak of eerder intrigeerde was haar fascinatie voor ‘le muqueu’, het slijmerige. Een jaar of twee (drie?) geleden passeerde Irigaray ook de revue bij een lezingenreeks bij Amarant, door Magda Michielsens, maar het was bij Magda vooral om de feministische ideeën van Irigaray te doen. Ik heb twee boekjes van haar, waarvan het ene – over le muqueu – , dat wat ik zocht, momenteel nergens te vinden is. Wanneer waag ik mij aan haar geschriften? Ik zet haar wat in een bubbel met Hélène Cixous en Julia Kristeva. Alleen van deze laatste heb ik nog werk gelezen (de titel was mooier of begrijpelijker dan de inhoud herinner ik mij nog): Liefdesgeschiedenissen, ondertitel: Een essay over verleiding en erotiek. Ik vraag mij af of ik dit ‘essay’ (448 bladzijden!) uitgelezen heb, in elk geval vind ik het boek door onder- en aanstrepingen. Dit lijvig werk heb ik mij in januari 1992 aangeschaft kom ik nog te weten op de titelbladzijde en achteraan vind ik een factuur van de bandencentrale, gedateerd: 29 augustus 2006. Wellicht gepaste lectuur terwijl ik op het verwisselen van een band zat te wachten en kijk ook nog een in drie geplooide folder voor een concertenreeks fortepiano van 19 tot 26 augustus 2006: Zomer in Poeke met recitals van onder meer Malcolm Bilson, Alexei Lubimov (heerlijke pianist!), Jan Vermeulen, Claire Chevalier en Jos van Immerseel.

Sterke taal van Kristeva: ‘In de liefde ben ik op het toppunt van mijn subjectiviteit.’ Of: ‘Is misleiding immers niet de voorwaarde voor genot?’ (O, wat laat ik mij graag misleiden). Of: ‘Zelfs als God niet zou bestaan, zou de religie nog heilig en goddelijk zijn’. Dat soort zinnen is nog te doen, maar als er boven een paragraaf een titeltje staat als ‘Metonymisch en metaforisch object’, o la, toch even in mijn (weinige) haar krabben.

Anderzijds, aantrekkelijke (tussen)titels als ‘Manische Eros, verheven Eros; over de mannelijke seksualiteit’. Of ‘Liefdesverdriet: het veld van de metafoor’. Of ‘Romeo en Julia: het haat-liefdespaar’ (waarin: ‘Zij gebruiken meer tijd om zich voor te bereiden op de dood dan om elkaar lief te hebben’). Of: ’Een zuivere stilte: de volmaaktheid van Jeanne Guyon’ (Wie, bij lo! is Jeanne Guyon? Een Franse mystica uit de 17de eeuw, haar volledige naam was Jeanne-Marie Bouvier de la Motte-Guyon, leert ons Wikipedia). En tot slot, de ontnuchtering van bladzijde 384, laatste paragraaf: ‘Iedere liefde eindigt, hoe hevig die ook is geweest, en de hevigste liefde eindigt abrupter dan alle andere. Na de liefde komt de walging; niets is natuurlijker…’ O, wee, het komt niet van Kristeva, zij citeert uit ‘Brieven aan Pauline’ van Stendhal!

 

Maandag 15 juni 2020

Ecriture auto-auto-automatique. Noten op tafel, duiven op de nok van het dak en een ekster in de bamboestruik. Een dirigent interviewt de interviewer. Levend live. De muziek van Arvo Pärt. Maar op het tafelkleed zijn vooralsnog geen wijnvlekken te bespeuren. Alleen twee boeken waarvan de titels er niet toe doen. De leeuw en de luipaard (leopardus) broederlijk verenigd. Blauw gras zou helemaal niet mooi zijn, met een nationalistische reflex zou je kunnen zeggen: komaan, laat maar komen. Aan die noten hangt een schimmelsmaakje. De koning ter ere. Een arduinen tafelblad mag wat abstracter vind ik: contemplatie, vrijheid voor allen, iets in het genre van argeloosheid? De kleur is lichtpaars, geef toe: een kleur (want niet alle kleuren zijn gekleurd), de behoefte, om maar één voorbeeld te geven. Waarom heeft de behoefte geen kleur?. Niet omdat het geen kleur is. Quod est demonstrandum. Deprimerender dan deze zin kan enkel een stupide vraag zijn. Over de al dan niet geworpen teerling, over het zoete zoutgehalte van de Rubicon. De laatste herfstnachten zullen schitterend zijn, kijk naar de bloeiende kersenbomen, ze waaien niet en ze maaien niet, en toch kan je je geen genereuzer kwartet dan die vier bomen voorstellen. A la fin tu es las de ce monde ancien. Het komt niet van André Breton. Nadja, mon Dieu en mijn toeverlaat! Terzijde, er is nog de <woord onleesbaar> die op springen staat vanwege de nachtelijke brand. Misschien dat daarom de duiven en de eksters hun toevlucht zoeken in de struiken en op de daken. Daken, aken waken. Gladiooltjes zijn niet zo eenvoudig om op te rijmen. Welke tegenstander ontdekt de werkelijke invloed van de manische stuiptrekkingen op het groepsgevoel? Vraagteken. Als ik echt slimmer wil zijn, moet ik mij onthouden van onzichtbare gesprekspartners. Hoe auto-auto-heteromatique was nu dit verhaal? Morgen schrijf ik over Philippe Soupault, een surrealist van de eerste lichting, meer in daden dan in woorden. Ik verklaar mij nader. Morgen.

 

Dinsdag 16 juni 2020

De nadere verklaring van mijn experiment van gisteren. Octave is een intrigerende bijfiguur uit de roman De laatste nachten van Parijs (Les dernières nuits de Paris), verschenen in 1928. Auteur: Philippe Soupault. Octave hield zich bezig met eigenzinnige experimenten. Op het einde van de roman wou hij Parijs in brand steken (was Nero zijn grote voorbeeld?). De wind zat nochtans goed en de vuurbol verspreidde zich razend snel maar toevallig begon het te stortregenen. Alleen de loods en wat aanpalende kiosken waren in de vlammen opgegaan. Een brandweerman constateerde de uitdrukkelijke geur van verbrand mensenvlees. Octave is niet meer verschenen op de bijeenkomsten van het groepje. Toevallig was er die bui. De laatste nachten van Parijs is de roman van het toeval (samen met het ontbreken van een plot, zowat het voornaamste surrealistisch element van deze overigens vrij klassieke roman). Aan hoofdstuk 2 (van de 14) laat Soupault een citaat van de pre-darwinist Lamarck voorafgaan: ‘Toeval is niets anders dan onze onwetendheid van de oorzaken’. Soupault heeft het verschillende malen over het toeval: ‘Nogmaals verdreef het toeval de vergetelheid en gaf opnieuw werkelijkheidsgehalte aan wat ik graag als dromen beschouwde’. De roman is geschreven vanuit de ik-persoon, al zou ik eerder de stad, Parijs, als hoofpersonage aangeven. Treffend is bijvoorbeeld de zeer herkenbare beschrijving van de Parijse skyline vanuit het appartement van. Octave: ’Het was het gewone woud van schoorsteenpijpen en de golvende zee van zinken daken waarboven torenspitsen en koepels verrezen en een hogere, arrogantere schoorsteen dan de andere.’ Ik weet niet wie of wat mijn aandacht op deze wat bevreemdende roman gevestigd heeft, ik denk haast Rebecca Solnit, in haar hoofdstuk over tippelen (een andere manier van wandelen). Het uitgangspunt en tevens de rode draad van de roman is inderdaad de halsstarrige achtervolging van Georgette, een Parijse prostituee.

 

Woensdag 17 juni 2020

Nog meer dan bij Soupault is Parijs het hoofdpersonage van De boer van Parijs van Louis Aragon. Philippe Soupault, Louis Aragon, André Breton: de drie musketiers. Ze schreven respectievelijk Les dernières nuits de Paris (1928), Le paysan de Paris (1926) en Nadja (1928). Geen vrienden voor het leven, Soupault (samen met die andere afvallige Antonin Artaud) werd uit het clubje van de surrealisten gesloten en gestoten. De met veel tamtam ingehaalde dadaïst Tristan Tzara is hem daarin voorgegaan, want met even veel tamtam uit het kliekje van Breton gezwierd. Soupault noemden ze trouwens ook Philippe Dada. De laatste nachten van Parijs heb ik gelezen, dat kun je nog min of meer een echte roman noemen, zij het al met surrealistische trekjes. Nu ben ik bezig met De boer van Parijs. Dat is pas surrealisme, al krijg ik de indruk dat het wel moeilijk gaat om de gangbare literaire paden te verlaten. De boer bevat twee langere en twee korte delen. In De passage de l’Opéra voert Aragon onder meer een toneeltje op: De mens in gesprek met zijn gevoelens – hij noemt het een sketch – met als rollen de mens, het gevoel, het verstand, de wil en last but not least: de verbeelding, in feite de protagonist. De verbeelding houdt ook een lange toespraak en daarin zegt zij: ‘Een groots nieuwtje maak ik wereldkundig: zojuist is een nieuwe verslaving geboren, een nieuwe duizeling dient zich aan: het surrealisme, telg van de waanzin en de duisternis’. En verder: ‘De verslaving, genaamd surrealisme is het liederlijke en hartstochtelijke gebruik van het beeldmiddel, juister gezegd de onbeheerste provocatie van het beeld om zichzelfs wille en om wat daarmee op het terrein van de representatie aan onvoorspelbare storingen en metamorfosen teweeg wordt gebracht want elk beeld dwingt je het hele Universum te herzien.’ De verbeelding (de boer Aragon) heeft gesproken. Het is de eerste maal dat het woord surrealisme hier valt. Die zinnen klinken voor mij als een passage uit een manifest. Nadja zal ik dan na De boer lezen. Ik ben wel benieuwd, want Nadja (de originele, zowel als de vertaalde) heb ik al zeer vele malen in handen gehad, doorbladerd, maar weer terug weggelegd, eindelijk zal het er van komen.

 

Donderdag 18 juni 2020

Een tragisch, hartverscheurend en klaaglijk gevoel is het en tegelijkertijd smachtend, een hunkering naar het onmogelijke, de ziel van de schoonheid. Het overkomt mij vaker dan je zou denken. De aanleiding is doorgaans niet ver te zoeken: de muziek. Zo verging het mij ook vandaag, mijn afspeellijsten op mijn iPhone zijn nogal willekeurig tot stand gekomen. De hele Mahler onder de hoede van Pierre Boulez (een buitenkansje, het kostte voor het downloaden van elke afzonderlijke symfonie, raar maar waar, meer dan het downloaden van het geheel, alle symfonieën en Lieder (voor 103 nummers, als ik mij nog goed herinner betaalde ik 9 euro). Verder nog de strijkkwartetten van Bela Bartok, een album met Oosterse muziek door Jordi Savall en zijn Hesperion XX, (uiteraard) een opname van de Goldbergvariaties, cellomuziek van Gabielli, Mr Abel’s Fine Airs, Best of Serge Gainsbourg en links en rechts nog wat kruimels uit het klassieke repertoire.

Het is mijn goede? slechte? bizarre? gewoonte als ik in mijn tuin zit te lezen om mijn muziek aan te zetten en te shuffelen (al is het maar om het gekakel van mijn buren achter de haag wat op de achtergrond te houden). Zo krijg ik na elkaar willekeurige stukjes uit mijn afspeellijsten. Vandaag was er eerst het derde, langzame deel van Mahlers 4de symfonie: ruhevoll, poco adagio. Het is een van de mooiste melodieën die ik ken, enkel wat verstoord helemaal op het einde door een crescendo van het slagwerk, dat echter vlug weer overgaat in het vorige thema. Op die momenten denk je: bestaat er iets mooiers dan dit op de wereld? Het antwoord hoef je niet te zoeken: nee, dit is het allermooiste. In deze schoonheid wil ik leven en sterven. Volgde dan een streepje Goldberg, ik weet niet meer de hoeveelste variatie, maar de zuivere en trefzekere aanslag van Lars Vogt bezorgen je in die paar maten een onaards geluksgevoel, en dan, ja dan, opnieuw Mahler, 10de symfonie, onvoltooid, weer de langzame beweging, adagio, het deel waar de symfonie mee begint. Opnieuw het ruhevolle gevoel van de 4de symfonie, maar misschien nog heviger, want nog meer etherisch, het vermoeden van die absolute schoonheid, daar achter de bergen, onbereikbaar maar wezenlijk en oneindig. Lezen lukt dan al lang niet meer. De laatste tonen sterven weg. Volgde dan het laatste van de Vier letzte Lieder van Richard Strauss, totaal van de kaart dan. De stem van Renée Fleming, ik ken geen betere uitvoering al hou ik ook van de vertolking van de onlangs gestorven Jessye Norman.


 

Wir sind durch Not und Freude
Gegangen Hand in Hand;
vom Wandern ruhen wir

nun überm stillen Land.

 

Wij zijn door nood en vreugde
hand in hand gegaan;
en rusten na het dwalen samen
hier in de stilte van het land.

 

Joseph Von Eichendorff brengt de stilte binnen in zijn gedicht: ‚O weiter, stiller Friede! So tief im Abendrot. (Die weidse zwijgende vrede, zo diep gedompeld in het avondrood.)

Unieke ervaringen uit het niets. Wir genießen die himmlischen Freuden.

 

Vrijdag 19 juni 2020

De maandelijks nieuwsbrief dient verstuurd – met uitzondering van de jaarlijkse zomernieuwsbrief voor twee maanden, deze dus. Meestal niet zo moeilijk om een nieuwsbrief samen te stellen, er zitten altijd wel één of meerdere activiteiten in de pijplijn. Maar nu met de huidige Coronastagnatie valt deze pijplijn droog. Gelukkig was er in extremis nog Guido Dobbelaere die zijn volgende tentoonstelling aankondigde. Nieuw werk van deze blijvend jonge oude meester, zo te zien heeft de lockdown de schilder en de dichter geïnspireerd. Zeker gaan bekijken, liefst als de kunstenaar in persona in de galerij vertoeft. Vooraf had ik al twee filmpjes opgepikt. David Vergauwen, zoals steeds fonkelend, verfrissend en erudiet probeert de argeloze leek iets bij te brengen over abstracte en conceptuele kunst onder de titel ‘Dat kunnen wij ook!’ (wat inderdaad zo is, maar wij denken er niet aan, laat staan dat wij het doen). Verhelderend? Ik vond van wel. Intussen liggen mijn artistieke constructies stil (want dat kan ik ook). Geen concepten? Jawel, maar ik moet er eens ongestoord een tijdje over na kunnen denken. Mijn dagboekschrijven verhindert dat enigszins (echt waar). Misschien als de werkgroep pARTcours straks met een thema voor de manifestatie van volgend jaar aankomt, kan ik wat concreter en doelgerichter denken. Ik vrees alleen dat het weer zo’n braaf, gemakkelijk en ruim thema zal worden, zoals het thema ‘Water’ verleden jaar. Nu, moet ook kunnen, creatieve geesten moeten met alles kunnen wegkomen. Toch hou ik meer van een lichtjes cryptische titel, een wat filosofische, poëtische titel zeg maar, niet steeds een enkelwoordig thema. Voorbeelden? Ach, die liggen voor het grijpen. Eerste greep: ‘zoals een verlangen er is’ uit een gedicht van Kopland, nog een greep: ‘De gevleugelde warmte’ (zomaar uit het hoofd) en maar grijpen: ‘Een gewone maandag’ of ‘Eens zat ik in zeldene stilte van zomer’ (Henriette Roland Holst) of ‘We gaan baden in een zee van liefde’ (titel uit Filosofie Magazine van september 2018), of, of, of… grijpen maar. Ik heb gezegd, dus zwijg ik.

 

Zaterdag 20 juni 2020

Ik ben de speelbal van mijn zintuigen en het toeval’ noteert Louis Aragon in zijn Voorwoord bij een moderne mythologie, dat tevens het eerste deeltje van De boer van Parijs vormt. Verder beklemtoont hij dat de zintuigen en de rede nooit als gescheiden entiteiten mogen worden begrepen. Nu van rede is er niet veel merkbaar in De boer, van zintuigen des te meer. In het tweede deel - in feite het eerste substantiële deel – bevindt hij zich in de niet meer bestaande Passage de l’Opéra. Hij beschrijft er al de winkeltjes en andere zaken en hoe hij, of beter zijn zintuigen, op die ontmoeting reageren. Dat een en ander nogal surreëel overkomt mag ons niet verwonderen, samen met André Breton, die hij regelmatig vermeldt, vooral in het laatste deel Natuurgevoel in de Buttes-Chaumont, stond hij aan de wieg van het surrealisme. Kan de Passage aan surrealistische kronkelingen er nog door, in Natuurgevoel in de Buttes-Chaumont zitten wij er midden in. Zo wijdt hij een hele bespiegeling aan het woordje ‘dus’. ‘Het dus verjaagt de beklemmende schaduwen, het is een reusachtige straatveger met haren die tot de sterren reiken, met voeten die via lichtraampjes binnendringen in de kelders van de huizen der mensen. (…) En over de fiets van het dus heb ik het maar helemaal niet.’. Zo, dus. Maar alles bij elkaar is het geheel nog vlot leesbaar, zolang je er maar niet op uit zijt om er kop of staart aan te krijgen.

 

Week 7 - 13 juni 2020

Zondag 7 juni 2020

En wat hiervan te denken? Aan het woord is Norman Douglas, dandy, bi (al is hij meer homo, maar daarover heeft hij het slechts in zeer bedekte termen), rijk en ook weer arm (hij gooide alles over de balk) en schrijver, jawel van romans, verhalen en merkwaardige dagboeken, waaruit deze passage komt. ‘Tot voor kort, toen ik mijzelf overgaf aan een grootscheepse vernietiging van brieven en documenten en manuscripten, had ik alle brieven van Anyuta aan mij bewaard – want we hebben lang met elkaar gecorrespondeerd nadat ik uit Rusland ben weggegaan; ik heb er alleen een van vier pagina’s bewaard om het sentimentele genoegen, veronderstel ik, haar handschrift nog eens te zien, daar ik het tegenwoordig niet kan vertalen noch zelfs lezen.’ Om het sentimentele genoegen, nou, een geldige reden naar mijn gevoel (sentiment). Anuyta (Anette) was een zestienjarig Russisch meisje dat Douglas in Sint-Petersburg opgescharreld had tijdens zijn diplomatiek missie bij Engelse ambassade; Daarnaast had hij ook een geheime en ontoelaatbare relatie met de aristocratische Helen die zelfs tijdens intieme momenten enkel Frans wilde praten en omdat hij zijn Russisch wilde vervolmaken had hij een volksmeisje nodig. Tja, waarom niet? Alle middelen zijn goed om je taal aan te scherpen. De affaire met Helen is op een schandaal uitgelopen, waardoor Douglas Sint-Petersburg stante pede heeft moeten verlaten en Rusland voor Italië, Napels heeft moeten inruilen, maar daar had hij al vlug het gezelschap van Anetta, ook 16 en door haar moeder naar Douglas gestuurd. Op het einde van zijn dagboeknotitie vertelt hij ook dat haar vijftienjarige broer op hem verliefd was geworden, maar verder gaat hij er niet op in. O, die decadenten nietwaar? En toegegeven, ik voel er mij door aangetrokken, zonder in hun plaats te willen zijn. Ik zou het ook niet kunnen meen ik, te conservatief denk ik dan. Oscar Wilde, Norman Douglas, Baron Corve oftewel Rolfe, Charles Baudelaire en niet vergeten onze vriend Des Esseintes, maar deze laatste is een fictieve verschijning. Mario Praz (1896-1982) heeft er een bijzonder lezenwaardig en rijk gevuld boek over geschreven, alhoewel niet puur over decadentie of Dandyisme. De oorspronkelijke titel is Italiaans en klinkt bijgevolg, zeker als het zo’n uitgesponnen woordenrij is, heel zangerig: ‘La carne, la morte e il diavolo nella letteratura romantica’. Heel volgzaam vertaald als ‘Lust (carne?), dood en duivel in de literatuur van de Romantiek’, maar beter bekend in zijn Engelse vertaling als ‘The Romantic Agony’. Ik zie dat ik het boek gekocht heb in 1990 en in die periode waarschijnlijk ook gelezen, met inderdaad hier en daar onderstrepingen. Neem nu bladzijde 119, die ik toevallig opensla: ‘Romantici en decadenten wilden niets liever dan zich laten vergiftigen.’ Waarna Praz onmiddellijk overgaat op de waanzin van Baudelaire. Mario Praz, Italiaan, was een hartstochtelijke hater van Spanje en al wat Spaans is, zo erg zelfs dat hij een heel boek vol met negatieve aanmerkingen geschreven heeft (De mythe van Romantisch Spanje).

Mario Praz, toch een beetje jeugdsentiment (nou ja, in 1990 was ik wel 40!).

 

Maandag 8 juni 2020

Djuna Barnes’ Nachtwoud is uit en de goede raad van T.S. Eliot opvolgend, heb ik het onmiddellijk herlezen. Terecht meen ik. Bij een eerste lezing frons je nogal eens de wenkbrauwen, en eer dat je begrijpt hoe de vork – de drie vorken in dit geval – in de steel zit, ben je aan het slot aangekomen. Met die opgedane kennis in het achterhoofd is alles opnieuw lezen een verademing. Je gaat meteen alert zijn wanneer en hoe de personages voor het eerst verschijnen, je gaat oog hebben voor de voortekenen van een afgebroken en elders ontstane relatie. Een driehoeksverhouding tussen drie vrouwen (en één vrouw zit al zo complex in elkaar), daarbij moet je beslist geconcentreerd blijven en toch is het een man (die in een nachtelijke monoloog bekent dat hij een vrouw wou zijn) die de show steelt, dokter O’Connor. Bovendien is de eigenlijke hoofdpersoon Felix, met wie het boek begonnen is en ook eindigt, ook al verschijnt hij niet zo vaak op het toneel. Zeer merkwaardige (en zoals gezegd moeilijke) roman uit 1936. Om een mij onbekende reden hou ik van lectuur uit het interbellum. In die periode zijn trouwens de grote klassiekers van de XXe eeuw ontstaan. Kafka, Het Proces (postuum verschenen, 1925), Het Slot (postuum verschenen, 1926), Amerika (postuum verschenen, 1927). Proust, de zeven delen van A la recherche du temps perdu (1913-1927, waarvan drie delen postuum verschenen), Thomas Mann, De Toverberg (1924), Jozef en zijn broeders (1933-1944), Rilke, De Elegieën van Duino (1922), De sonnetten aan Orpheus (1922), James Joyce, Ulysses (1922), Scott Fitzgerald, The Great Gatsby (1925), … Ja, wat vind ik dan zo bijzonder aan die interbella? Ik zou het bij God niet weten, en toch hebben ze allemaal een soort je ne sais-quoi gemeen, iets houdt mij in de ban en verplicht, nee doet mij haast vanzelf lezen, ook al moet je je er soms echt doorheen kauwen. Van taaie literatuur gesproken. Hoe dan ook, een ding is zeker: je moet er je gedachten bijhouden, zin per zin soms.

 

Dinsdag 9 juni 2020

De Toverberg, zomereditie 2020 is af. Toch weeral iets waar we fier over mogen zijn. Zowel qua inhoud (met dank aan de talrijke medewerkers) als qua vorm, dit laatste is niet evident, ik spreek uit ervaring. De laatste stap, de verdeling kan beginnen. Dat worden dus een paar fietstochten in de vier windrichtingen, het grootse pakket gaat echter naar het postkantoor van Zedelgem. Ik probeer als het enigszins mogelijk is zogenaamde speciale postzegels op de omslagen te kleven. Dit keer was er de Jan Van Eyck-uitgave, mooi gepresenteerd in de vorm van het drieluik van het Lam Gods. Is Jan Van Eyck samen met Ludwig Van Beethoven (en misschien Multatuli) de grote verliezer van het jaar 2020? Volgend jaar worden ze al afgelost door andere iconen: John Keats (+ 1821), Fjodor Dostojewski (geb. 1821), Charles Baudelaire (geb. 1821) en niet te vergeten Alighieri Dante (gest. 1321 in Ravenna en er ook begraven, tot grote ergernis van de Florentijnen). Misschien dat ik in de volgende Toverberg nog een hommage breng aan Beethoven, dan hebben wij toch iets aan zijn nagedachtenis gewijd. En ja, als ik nu eens het integrale Heiligenstädter Testament zou opnemen? In vertaling natuurlijk. Een ongelofelijk waarachtig document humain. Beethoven die maar al te goed beseft dat hij zijn belangrijkste zintuig, het gehoor, verloren is. Natuurlijk kan hij dat niet aanvaarden, hij is pas 32 en heeft nog al die geweldige plannen. Je eigen muziek niet meer kunnen horten, dat moet vreselijk zijn. Op het einde van zijn leven was Bach zo goed als blind, maar compleet doof zijn… Op een gegeven moment kon Beethoven zelfs het applaus niet horen van een enthousiast publiek, de concertmeester moest hem bij de arm nemen en hem naar het publiek toekeren. Je zou voor minder misantropisch worden. Of hij al dan niet de groostte was – maar ook dat is eigenlijk relatief – zou ik niet durven zeggen, want er zijn natuurlijk nog Bach, Mozart en Schubert, maar wat ik wel zou durven poneren is dat de klassieke muziek bij Beethoven haar hoogtepunt heeft bereikt.

 

Woensdag 10 juni 2020

Ziezo, alle Toverbergen verdeeld. Eergisteren Zedelgem, gisteren Veldegem en de gefrankeerde nummers afgegeven op het postkantoor, vandaag Loppem en Aartrijke. Goed voor zo’n kleine honderd exemplaren, waarvan goed de helft met de post. De fietstocht was eveneens ontspannend, klein windje en de mogelijkheid binnenpaadjes te kiezen. Gisteren langs de rand van het Pleysierbos en de oude spoorwegroute van Loppem naar Vloethemveld, na de Tweede oorlog een krijgsgevangenenkamp waar vooral Letse soldaten opgesloten waren. Vandaag het smalle paadje dat Pierlapont met de Zeedijkweg verbindt, via de achterkant van het Klokhof, daarna de Rolleweg (niet te verwarren met de Rolleweg te Brugge, waar het Gezellemuseum zich bevindt, althans nog een tijdje, want gezien de geringe belangstelling heeft de Stad Brugge beslist om het te sluiten, eventueel een andere bestemming te geven. Tja, ook al mag Guido Gezelle Vlaanderens grootste dichter geweest zijn, wie is er nog in zijn poëzie geïnteresseerd? Temeer daar zijn gedichten vol staan met oude en verouderde woorden, ook vele neologismen of West-Vlaamse uitdrukkingen. Zeg nu zelf: wie kent er nog een averulle? Een verbastering van avondronker en wie of wat ronkt enkele ’s avonds en niet overdag? ’t Is de meikever. En zo zijn er nog tientallen voorbeelden te vinden bij Gezelle. Eerlijk gezegd, de figuur en het werk van Gezelle ken ik ook niet zo goed, ik weet zelfs niet meer of wij veel over hem vernomen hebben in de lessen Nederlands tijdens de humaniora. In Noord & Zuid zullen er wel nog gedichten van Gezelle gestaan hebben, maar ik vermoed dat de huidige handboeken voor het middelbaar onderwijs nauwelijks melding maken van deze priester-dichter.

En na de Rolleweg – ik vergat bijna dat ik nog aan het fietsen was – komen we in de dorpskom van Loppem, daar wonen de meeste leden van Het Beleefde Genot. Voor de terugweg kies ik dan wel om door Merkemveldbos te rijden, wel opletten voor de vele putten en plassen, ook al heeft het nauwelijks geregend de laatste dagen.

 

Donderdag 11 juni 2020

De diepzinnige eenvoud van Rutger Kopland.

 

Wie zal de vriend zijn van mijn vriendin,

de baas voor mijn hond, het kind in mijn jeugd,

de oude man bij mijn dood, wie zal dat zijn als

ik het niet ben?’

 

Dit is het begin van een gedicht zonder titel uit de bundel ’Al die mooie beloften’ dat eindigt met :

Iemand toch

zal toe moeten zien dat alles voorbij gaat’

 

Kan je je een simpeler waarheid inbeelden dan het besef dat alles voorbij gaat? Sic transit gloria mundi of Et in Arcadia ego? Wat zal ik kiezen (niet voor grafschrift, al zijn het beide serieuze kandidaten)? Het laatste natuurlijk. Ooit, ooit, voor mijn dood, was ik in Arcadia, de poëtische Hof van Eden. Tous les matins du monde sont sans retour. Zo is het als je achterom kijkt. En wanneer kijk je achterom? Als er geen vooruit meer is, of nauwelijks nog is. Niet dat ik veel aan de dood denk, ik denk er alle dagen aan en ’s morgens is de eerste gedachte doorgaans: hei, ik ben er nog. Maar tobben of kniezen, nee hoor, een zeker stoïcijns gedrag is mij eigen zou je kunnen zeggen. Het einde? So, what. ‘War das das Leben? Wohlan, noch einmal! Het voorbije leven overdoen, met alles erop en eraan: de vreugdes en tegenslagen, de heerlijkheden en de ontgoochelingen. Het klinkt wel geweldig. Dan denk aan de oever van de rivier: dat water zal stromen en blijven stromen per omnia sæcula. Of de wolken: kijk hoe ze komen en gaan en verdwijnen, en steeds weer komen ze aandrijven, lossen ze op. En wat is het leven van de mens tenslotte meer dan dit kleine golfje in de onmetelijke oceaan? Even richt het zich op en verdwijnt weer. Enkelen hebben het gezien vooraleer ze zelf verdwijnen. Maar het is er geweest, alleen de oceaan blijft. En mijn grafschrift dan? Geen gloria mundi, geen Arcadia, maar dit dieper dan diepzinnig gedicht van Giuseppe Ungaretti, slechts twee regels, twee woorden eigenlijk. Zelden is het existentiële zo kernachtig weergegeven:

 

M’illumino

D’immense’

 

Onvertaalbaar?

 

ik verlicht mij

met het onmetelijke

 

Wat zou ik op de dag van vandaag nog kunnen verlangen? Misschien dat ene: laat mij nog eenmaal naar Ispahan gaan.

 

Vrijdag 12 juni 2020

Telling of showing? Eerlijk gezegd, ik heb al altijd (nog altijd) moeilijk gehad met deze indeling. Het is mij niet stteds duidelijk. Teveel telling stond er onlangs in een recensie van het toneelwerk van Ilja Pfeijjer. Show, don’t tell! Tonen eerder dan vertellen dus. Meer interactie, dialoog, minder blabla. Niet helemaal akkoord, er zijn steengoede vertellers met weinig dialoog, en anderzijds geraak je met kleurloze toonkunstjes ook niet ver. Goede vertellers? Kafka in de eerste plaats, maar onlangs heb ik nog een tijdgenote van hem ontdekt: Regina Ullmann met prachtige verhalen in de bundel ‘De Landweg’, met nauwelijks dialogen maar wel vol breekbare schoonheid, puur telling dus.  Het artikeltje over Pfeijffer gaf mij wel een beter inzicht. Daarin wordt gesteld (het gaat over zijn toneelstukken) : “Veel woorden om uit te spreken, minder materiaal om te spelen  Pfeijffer is meer tell dan show. Dat is ook zo in zijn romans. (…) Bij toneel ontbreekt de verteller en moeten drama en conflict ontstaan uit dialoog” Maar dat tell meer beweren is en show meer bewijzen is…, tja, min of meer akkoord, want opletten: het mag niet de indruk wekken dat het louter vertellen per definitie haast (veel) minder waarheidsgehalte zou hebben. Lidewijde Paris wijdt er in haar boek ‘Hoe lees ik korte verhalen’ bladzijden en bladzijden aan, over telling en showing, zo erg dat het, bij mij althans, maar blijkbaar niet bij haar lezers (die zo te lezen bijna uitsluitend overenthousiaste lezeressen zijn) nog meer verwarring schept dan bij haar zakelijke definitie uit het eerste hoofdstuk. Maar misschien – en ik bedoel dit helemaal niet ironisch – ligt het vooral aan mij en zou ik Lidwijde’s boek eens rustig en oplettend moeten herlezen. Maar eerder dan dat wil ik een verhaal lezen, met veel telling voor mijn part, bijvoorbeeld Simpele Gimpl van  Isaac Bashevis Singer of een verhaal van Isaak Babel.

 

Zaterdag 13 juni 2020

De goden overwinnen, de demonen worden overwonnen’ of lees je het liever in de oorspronkelijke taal? ‘Lha gyalo! Dé tamtsje pam!’ Ik neem aan dat dit eerder de fonetische weergave is, trouwens met Tibetaanse karakters moet dat voor elke westerling Chinees zijn. Nee maar, het is de kreet die vrome pelgrims slaken op het ogenblik dat ze het hoogste punt van een bergpas overschrijven. En in Tibet zijn er nogal wat passen en ze zijn allemaal redelijk hoog, 5000 meter is zeker niet abnormaal. ‘De goden overwinnen, de demonen worden overwonnen’ , ook Alexandra David-Néel (David was de naam van haar Franse vader, Néel de naam van haar eerste en enige man, een Franse ingenieur, haar moeder heette Alexandrine Borghmans en was afkomstig uit Oostende), ook Alexandra dus was 56 jaar als zij deze kreet talrijke malen heeft uitgeroepen. Als eerste westerse vreemdeling bereikte zij te voet vanuit de provincie Yunnan in China de heilige en verboden stad Lhasa in Tibet. Haar tocht, in 1924, samen met een jonge lama Yongden, die zij voor de gelegenheid liet doorgaan voor haar zoon, duurde zowat een half jaar. Vermomd als arme Tibetaanse pelgrim verbleef ze ruim twee maanden in Lhasa. Een paar jaar later schreef zij haar reisverslag van die onderneming neer in Voyage d'une Parisienne à Lhassa, in 1986 in het Nederlands verschenen onder de titel Een vrouw trekt door Tibet. Ondanks haar trefzekere en adembenemende beschrijvingen vol eerbied en meeleven voor de grootse natuur rondom haar, kunnen wij ons geen beeld vormen over die machtige besneeuwde bergtoppen, de dichte wouden onder de boomgrens, de klaterende watervallen en snelstromende rivieren. Je hoeft op Google Earth maar even in te zoomen op de bergketens ten oosten van Lhasa of daar de kronkelende rivier de Salween te volgen en je krijgt het al benauwd van deze goddelijke grootsheid van de natuur. Haar tocht was – hoe kan het anders – zeer avontuurlijk. Sneeuwstormen, slapeloze dagen en nachten zonder eten, onheilspellende ontmoetingen, een kabelbrug 50 meter boven een kloof die dreigt het te begeven, gastvrije onderkomens die oneetbaar voedsel aanbieden en weigerachtige bewoners van verlaten gehuchten, haar zoon die zijn enkel verzwikt bij een val, slapen in open lucht bij temperaturen onder het vriespunt… het hoorde er allemaal bij. Misschien toch een korte passage uit haar reisverslag: ‘Zo krachtig was, zelfs voor mij, de verleiding van die nacht met sneeuw, in het hart van de ongerepte bergen, dat ze zegevierde over mijn zorgen net als over de fysieke problemen die ik voelde. Lange tijd – bijna tot aan de dageraad – bleef ik zitten, onbeweeglijk, terwijl ik de heerlijkheid proefde van mijn isolement in volmaakte kalmte, de volstrekte stilte van dit vreemde witte land; de geest los van alles, ondergedompeld in een onuitsprekelijke sereniteit.

 

Week 31 mei - 6 juni 2020

Zondag 31 mei 2020

Bereikbaarheid is niet hetzelfde als nabijheid, lees ik hier in het nieuwe Filosofie-magazine van de maand juni. En ook al vinden we dat wat sneu omdat te geloven, in feite is het zo. Bereikbaarheid ruimtelijk bedoeld dan, nabijheid geestelijk bedoeld. En is het niet wat erover om nu te klagen? Wat moesten ze dan pakweg 200 jaar geleden zeggen? Als er de bereikbaarheid niet was, dan was alleen de postkoets met brieven die een week onderweg waren en waarbij het antwoord nog eens een week onderweg was? De dagen in het leven sijpelden toen natuurlijk veel trager weg en men wist gewoon van niet meer. Dat er ooit nog autowegen zouden komen of elektrische fietsen. Enerzijds heb ik wel wat heimwee naar de tijd van Madame Bovary, de tijd van de landauers met gordijntjes voor de ramen, anderzijds natuurlijk als je beseft wat voor comfort we nu hebben. Die goeie oude en terzelfdertijd slechte tijd, een mens is immers nooit tevreden, om dat te weten, daarvoor hoef je geen filosoof voor te zijn, of net wel, als je ervan uitgaat dat in elke mens een stuk filosoof schuilt.

Je kunt het natuurlijk ook net andersom bekijken, ik bedoel de tegenstelling bereikbaarheid en nabijheid. Je kunt stellen: nooit waren we zo bereikbaar als nu. Zelfs aan de onderkant van de wereldbol is het nog mogelijk om met elkaar te praten, te whatsappen, te chatten, te skypen (wat een woorden allemaal) en mekaar te zien. Nog nooit zo bereikbaar geweest dus. Maar lijfelijke nabijheid wordt dan weer als een quasi onmogelijke droom ervaren. Nabijheid/bereikbaarheid, het is zoals je het bekijkt.

 

Maandag 1 juni 2020

En dan is er nog het nietsdoen. Ook al een filosofisch kernprobleem: nietsdoen is niet niets doen, of zou dat niet mogen zijn. Laten we naar de specialisten ter zake gaan kijken. Kenkõ, een monnik uit de vroege 14de eeuw, schreef wat wij vandaag een traktaat zouden noemen. ‘De kunst van het nietsdoen’. Een kunst geen kunde, waaruit impliciet blijkt dat je het niet zomaar kan aanleren (al weet ik niet wat het oorspronkelijke woord in het Japans was en of dit woord dan überhaupt vertaalbaar zou zijn naar het moderne Nederlands, zonder niet al te veel van zijn bijbetekenissen te verliezen. (Zojuist gevonden op Internet: een preciezere vertaling van de oorspronkelijke titel is: ‘Overpeinzingen in ledigheid). Een kunst dus: je hebt het in je of je hebt het niet (het talent van de kunstenaar dus). Genieten van het nietsdoen is genieten van de schoonheid van de gewone dingen rondom ons (mijn definitie), al staat het woordje genieten mij niet echt aan, het klinkt mij te actief, in je opnemen of zoiets, dat lijkt mij een betere omschrijving. De omgeving zijn werk laten doen, of de omgeving toelaten, in je hart zullen de enen zeggen. Het wil ook zeggen: de werkelijkheid rondom je aanvaarden (ook al actief, te actief vind ik), gewoon de werkelijkheid te laten zijn wat ze is en daar genoegen mee nemen. Nu ja, de ene werkelijkheid is de andere niet. De werkelijkheid van een zelfs verlaten spoorweg is helemaal iets anders dan de werkelijkheid van een opwellende bron aan de rand van een bos (vind maar nog zoiets!). Ledigheid in je hoofd creëren of niet moeten moeten. Het ideale recept voor het geluk zou je kunnen zeggen. De (westerse) mens is er jammer genoeg niet op voorzien.  Coronatijd zou een ideale oefening in nietsdoen moeten zijn, en dat is hier ook wel een beetje het geval, althans bij mijzelf. Anderen gaan zichzelf opvreten, worden er humeurig, depri, agressief van… de aard van het beestje nietwaar. Een beetje afwisseling is misschien nog idealer. Zoals ik voor mezelf altijd voorhield op de (nooit gestelde vraag): waar zou je het liefste zijn? Dan had ik als antwoord: in de zomer in de stad, in de winter ion de steppe of een verlaten eilandje ergens tegen Scandinavië. Nee, niet andersom hoor. De drukte als het druk is, de kalmte als het compleet rustig is. Ik denk hierbij aan Suzanne Brøgger, een Zweedse (denk ik toch) feministische auteur, die inderdaad ooit het omgekeerde beweerde: in de zomer in een ijswoestijn ergens aan de poolcirkel en in de winter in een wereldstad als Parijs. We zouden elkaar dus nooit ontmoet hebben maar misschien wel van woonst gewisseld hebben. Nu ja, losse dromerijen uit mijn jeugdjaren (toen mocht je nog echt dromen, nu terugkijken op wat je ooit gedroomd en nooit verwezenlijkt hebt, en je daar ook in schikken. Voor die houding bestaat er een woord voor meen ik te weten, maar het ontsnapt mij nu, dat hoort ook ontegensprekelijk bij de ouderdom. Maar zolang ik mijn geliefde(n) nog herinner….

 

Dinsdag 2 juni 2020

Van onder het stof gehaald, letterlijk, want het boek was achter een rij andere boeken gesukkeld, dat gebeurt wel vaker. Het ‘Verzameld werk’ van de Poolse schrijver en graficus Bruno Schulz, of moet ik schrijven : de Pools-Joodse schrijver of de Joods-Poolse schrijver. Hij leefde inderdaad in het getto van Drohobycz, maar werd al vroeg in de oorlog, in 1942, doodgeschoten door de Gestapo. De ironie wil dat hij een paar weken vooraf opgevorderd werd door een of andere Duitse commandant om de muur van de kinderkamer te versieren. Eigenlijk heeft Schulz maar twee romans geschreven: De kaneelwinkels en Sanatorium Clepsydra en daarnaast enkele verhalen. ik leerde hem kennen via een vriendin die in de bibliotheek werkte: ‘De Kaneelwinkels, dit moet je zeker eens lezen’. Ik heb nooit getwijfeld aan de smaak van mijn vriendin, en dit keer was het ook raak. Onmiddellijk na De Kaneelwinkels heb ik ook Sanatorium Clepsydra gelezen. Zijn twee romans zijn verlucht met die typisch hoekige tekeningen van de auteur. Een vijftiental jaar geleden, toen het gastland van Europalia Polen was, was er in het Rode klooster een mooie tentoonstelling gewijd aan Bruno Schülz. Daar ervaarde ik voor het eerst een schokkende gebeurtenis. Ik was toen rond de 55 of daaromtrent, en toen ik een ticket bestelde vroeg de (Franstalige) medewerker aan de balie spontaan: sénior? Ik was verontwaardigd en spontaan antwoordde ik: mais non! Dom van mij natuurlijk, zo moest ik de volle pot betalen.

 

Woensdag 3 juni 2020

Een autobiografie op basis van visitekaartjes. Nog zo idioot niet. Norman Douglas, geboren in 1868, kreeg het voor elkaar. In een brûle-parfum, een Japans antiek stuk om wierook te branden, bewaarde hij zijn visitekaartjes. Toen waren het nog echte visitekaartjes. In het besef dat zijn leven er stilaan op zit  - ‘De winter van mijn dagen is aangebroken. Ik heb het grote climacterium bereikt. Wanneer het nog kan is het nu de tijd om die wandeling te ondernemen in het verleden, in gebieden die ik nooit zal terugzien…’ – laat hij zijn visitejaartjes door zijn handen gaan. Noot: climacterieum = periode waarin de functies der geslachtsorganen ophouden oftewel de penopauze. Hij tracht de persoon te herinneren van wie het kaartje komt, en dan beschrijft hij zijn ontmoeting met die persoon of een anekdote…, maar soms kan hij zich de man of de vrouw niet meer herinneren.

 

‘Di Constanzo Guiseppe, Negoziante di vini.

Ik heb heel wat wijnhandelaars gekend in mijn tijd, maar deze herinner ik mij niet.

 

Mrs. G.S. Saxton

Wij ontmoetten elkaar op Ceylon, meen ik.

 

Rear Admiral Folger, United States Navy

Hij is uit mijn geheugen geglipt

 

Mr. Boris Berliand

?

 

Harte de Tecklenburg, Ancien ministre des Finances

Klinkt Hollands. Ik heb geen herinnering van Zijne Excellentie.’

 

Bij niet weinig kaartjes zet hij vraagtekens. Een typisch staaltje van het Douglas-venijn noemt de vertaler Geerten Meijsing het. Maar meestal herinnert hij zich wel de naam die op het kaartje staat, wat dan aanleiding heeft tot enkele pittige details over hem of haar en soms een bladzijdenlange beschrijving van hun gezamenlijke wederwaardigheden. Wel boeiend en soms fascinerend. De kringen waarin Douglas zich van tijd tot tijd bewoog waren niet de minste: Johannes Brahms, Clara Schumann, Cosima Wagner, Joseph Conrad, D.H. Lawrence, Lytton Strachey, Oscar Wilde (Norman heeft toevallig dezelfde familienaam als de amant van Wilde, en dat leidt soms tot vewarring bij zijn omgeving), Pablo Casals, Eugène Ysaye, Arthur Rubinstein, Maxim Gorki …

 

Zelf heb en had ik hier ook een stapel naamkaartjes. Had: die talrijke kaartjes uit mijn ‘actieve loopbaan’, maar ik heb die onlangs met het oud papier meegegeven. Drie kwart van de namen zeiden mij niets meer. Heb: er liggen hier nog een pak van die kaartjes in een doos, ik vermoed twee derde van de kaartjes van restaurants of brasseries en de rest van haarkappers, tuiniers, boekhandels enz.

Misschien moet ik eens een greep doen in dat doosje en kijken wie of wat ik mij nog herinner, maar dat is voor een andere keer.

 

Donderdag 4 juni 2020

Een hele pak kaartjes heb ik gebundeld en bij een eerste oogopslag inderdaad nogal wat namen waarbij ik een ? moet plaatsen, en dat is geen staaltje van Douglas-venijn of van mijn eigen venijn. In tegenstelling met wat ik dacht, niet zo geweldig veel eet- en drinkgelegenheden, daarentegen nogal wat kaartjes van kunstenaars, vooral beeldende kunstenaars.

Het zou mij te ver leiden om bij elk kaartje wat commentaar te geven, misschien wordt dat een afzonderlijk document. Restairants en bistro’s zou ik zeker laten voor wat ze zijn, de commerciële firma’s eveneens, enkel de kaartjes met namen van personen zouden een verklaring kunnen gebruiken. We zien wel. 

Hé, wat vind ik hier?  Nog een doosje met kaartjes, en nu bevat het quasi uitsluitend namen van restaurants en eetgelegenheden, netjes alfabetisch geklasseerd.

Nu, bij die restaurants zijn er wel enkele die ik wil vermelden, louter omwille van de speciale naam, op wat ik daar gegeten heb of wat er daar geserveerd wordt zal ik uiteraard niet in gaan, ik zou het bovendien – behalve in een uitzonderlijk geval – niet meer weten ook.

Maar neem nu deze: ‘Komtuveu’ (de maaltijden worden inderdaad allemaal in keramieken kommetjes geserveerd), ‘Sans cravatte’ (de prijs was wel mét), ‘L’infini de vos rêves’ (bestaat jammer genoeg niet meer, was zeer kunstzinnig ingericht, de uitbaatster noemde zichzelf sculpteur de l’imaginaire), ‘Bis Art’ (de uitbater was voor de digitale revolutie fotograaf), ‘Le Péché Mignon’ (met zo’n Raffaëlengeltje op het kaartje), ‘Phare de Vie’ (niet verwarren met ‘Bistro du Phare’, aan de andere kant van de stad), ‘’t Klein Risico’ (dat groter wordt naarmate de avond langer duurt, ‘Kwizien Divien’ (alles behalve goddelijk), ‘De Lanterfanter’ (met dank aan vrienden die dit huis aangeraden hadden, ‘Dag & Dauw’ (goed gevonden voor een zaak die zich op ontbijt richt), ‘O’teur’ (een hoog gelegen Marokkaans restaurant, waar het lekker ruikt), ‘Café d’O’ (inderdaad aan het water, maar heeft het ook een histoire?), ‘Miss en place’ (waar twee lesbische vrouwmensen je menu’s aanreiken met namen als Brigitte Bardot enz.), ‘’t Suut Bekske’ (voor zo’n naam moet je in Antwaarpen zijn), ‘’t Stil Genot’ (om te beleven), ‘Vapiano’ (het is eens geen Calabria, Capri, Roma, La bella Italia,…), ‘’t Vagevuur’ (klinkt niet zo aantrekkelijk), ‘Het verschrikkelijke zoet leven’ (wat kan chocolade verschrikkelijk zoet zijn), ‘Adellijke Belofte’ (veel beloven en weinig geven, intussen gestopt),’Books & Brunch’ (ontbijt tussen de boeken, die je nog kunt kopen ook), ‘De Kalvarieberg’ (hoe kunnen ze nu zo’n naam geven?), ‘Sail & Anchor’ (ik vermeld deze omdat het zowat de enige Engels keuken is waar het ook lekker is, nou ja, ook prijzig),’I love Coffee’ (inderdaad koffie in alle maten en gewichten), ‘De Twijfelaar’ (in een studentenstraat, veel twijfelende gezichten passeren voor de vitrine), ‘Laissez faire’ (laat je maar doen, en laat je maar betalen) en tot slot ‘Art Fabrik’. Dit is ook een hotel en wat voor een hotel! Ondergebracht in een oud fabriekspand (zeepfabriek?) in Wuppertal. Er zijn geloof ik 27 kamers en de eigenaar heeft aan even zoveel kunstenaars gevraagd, doe maar op, maak er iets origineels van en zo is elke kamer anders ingericht en versierd, hetzelfde geldt voor het restaurant met een wat Hundertwasserachtige aanblik. De hotelhouder in persona komt zich ’s morgen met zijn koffietje aan je ontbijttafel zitten vraagt van waar je komt, wat je van plan bent hier te doen enz. Beneden een heuse kunstgalerij. Ik heb er mijn sjaal laten liggen.

 

Vrijdag 5 juni 2020

‘Het feit dat men een boek een aantal keren heeft gelezen, betekent niet dat men precies weet waarop men anderen, die het nog niet gelezen hebben, moet attenderen’. T.S. Eliot in zijn (beroemd) voorwoord op de roman Nachtwoud (Nightwood) van de Amerikaanse schrijfster Djuna Barnes (geen familie van). De schrijver Johan van de Woude (auteur van een biografie van Maria Dermoût) stelde het nog krachtiger: ‘Men moet (Nachtwoud) vaker dan eenmaal herlezen. Wie het vluchtig leest zal het wegleggen: wie er zich in verdiept zal het alsl een meesterwerk herkennen. Een superieur boek.’

Over herlezen. Hoewel ik hier een pak boeken ‘te lezen’ heb staan, valt het mij op dat ik elk jaar wel meerdere boeken herlees. Soms heel lijvige, zoals De Toverberg en Doctor Faustus van Thomas Mann of Mémoires d’Hadrien (Hadrianus’ gedenkschriften) en L’œuvre au noir (Het hermetisch zwart) van Marguerite Yourcenar. Van deze laatste is Alexis ou le traité du vain combat (Alexis of de verhandeling van de vergeefse strijd) wellicht het meest herlezen prozawerkje, zowat elk jaar haal ik het wel eens uit de rekken. In enkele uren is het trouwens uitgelezen. Een juweeltje! Een ander juweeltje dat ik meerdere malen herlezen heb, is van de Franse filosoof Julles Vuillemin: Le miroir de Venise (Venetië, een spiegel). En voor de rest? Goethes Leiden des jungen Werthers, Het kasteel van de kruisende levenspaden en De onzichtbare steden van Italo Calvino, De glazen stolp van Sylvia Plath, De meester en Margarita van Michail Boelgakov, A rebours (Tegen de keer) van J.K. Huysmans, Het eigen lot van Kenzoburo Oë, Moderato cantabile van Marguerite Duras, De laatste wereld (Die letzte Welt) van Christoph Ransmayr, en ja, ik zou het bijna vergeten: de drie romans van Franz Kafka: Het proces, Het slot en Amerika, al is het nu wel al een tijdje geleden dat ik Kafka ter hand nam (reden waarom ik er niet meteen aan dacht). En zo zullen er nog wel een paar zijn die mij nu niet te binnen schieten. Animal Triste van Monica Maron bijvoorbeeld, maar dit komt ook omdat ik ooit een toneelstuk geschreven heb, gebaseerd op dit prachtige liefdesverhaal van Maron (na de val van de Muur ontmoet een Oost-Duitse paleontologe een West-Duitse bioloog). En uiteraard, zou ik zo zeggen, mijn eigen roman Marmerluchten, als is het nu ook al meer dan tien jaar geleden dat ik dit boek herlezen heb.

Zal ik Nachtwoud van Djuna Barnes ook herlezen? Het zit er dik in als ik voortga op het voorwoord van Eliot (… aangenomen dat (de lezers) het voorwoord eerst lezen, als ze het al lezen -, merkt hij niet zonder wat fijne ironie op). Maar voor het herlezen komt toch altijd het voor de eerste maal (aandachtig) lezen.

 

Zaterdag 6 juni 2020

Find a grave. Intussen is dat al al een zeer uitgebreide website geworden. Ik dacht er aan bij het lezen over het bezoek van Norman Douglas aan het graf van Lord Byron (volgens Find a Grave ligt hij op drie plaatsen begraven: op het St. Mary Magdalene Churchyard in Hucknall, Nothinghamshire, op het kerkhof van Ayios Georgios op het eiland Corfu en zelfs in Westminster Abbey. Een beetje zoals Caroline van Habsburg, wiens hart te Wenen werd bijgezet in de Augustinerkirche, haar ingewanden in de Stephansdom en wat er nog overbleef in de Kapuzinergruft. Maar Lord Byron, hij of een deel van hem vertoeft in Westminster Abbey wel in select gezelschap. William Shakespeare, Christophert Marlowe, Geoffrey Chaucer, Charles Dickens, John Milton, John Dryden maar ook componisten zoals Georg Friedrich Händel, Henry Purcell, John Blow, Muzio Clementi en de wetenschap is vertegenwoordigd door Charles Darwin, Isaac Newton, Michael Faraday en enige jaren geleden nog Stephen Hawking en uiteraard ook beroemde vrouwen, ik pik er George Eliot uit en ja vele dames van koninklijke bloede Queen Mary (met hoofd?) en andere Stuarts... het zijn slechts enkele van de vele beroemheden die in Westminster Abbey hun laatste rustplaats gevonden hebben. Maar Norman Douglas bedoelde wel Ayios Georgios op Corfu.

Als hij in Menton verblijft bezoekt hij het graf van Aubrey Beardsley, in feite een tijdgenoot die onder meer Salomé van Oscar Wilde illustreerde. Zelf ben ik zo geen lijkenpikker, maar voor enkele graven heb ik toch wel een omweg gemaakt, ja soms was het wel een soort bedevaart. Dat was zeker het geval voor Franz Kafka, begraven op het Joods kerkhof van Praag. Hij ligt er samen met zijn ouders, drie plaquettes verwijzen naar zijn zussen, vergast in Łódz en Auschwitz. Meer dan eens bezocht ik het graf van George Sand, begraven naast haar woonhuis in Nohant, ook het graf van Richard Wagner heb ik bezocht, hij ligt er samen met zijn Cosima in de tuin van zijn Villa Wahnfried in Bayreuth, naast zijn graf ligt ook zijn hond onder een gedenkplaat begraven. Het graf of beter de grafkapel van Franz Liszt in Bayreuth heb ik in die dagen ook met een bezoek vereerd. Op 1 november 1990 of 1991 was ik in Wenen, op deze dodendag begaf ik mij naar het Zentralfriedhof om er het graf van Beethoven te bezoeken, meteen zag ik ook dat van zijn buren: Franz Schubert, Johannes Brahms en Johann Strauss. Er staat ook een monumentale zerk voor Wolfgang Amadeus Mozart, maar hij ligt er zoals wij weten niet onder. In Parijs maakte ik ooit een bijna obligate wandeling op père Lachaise, maar eigenlijk was het vooral om het graf van Fréderic Chopin te bezoeken, ook op het kerkhof van Montparnasse heb ik gewandeld, op zoek naar het graf van Charles Baudelaire. Op het kerkhof van Weimar vond ik broederlijk naast elkaar Johan Wolfgang Goethe en Friedrich Schiller, toevallig passeerde ik ook het graf van Johann Nepomuk Hummel. Een speciale herinnering heb ik aan mijn zoektocht naar de plaats waar Federico Garcia Lorca gefusilleerd werd. Bij navraag bij enkele (oudere) bewoners in Viznar gedroegen zij zich alsof ze van niets wisten. Lorca na meer dan 50 jaar nog altijd taboe. Fernando Pessoa is bijgezet in het klooster van de Heilige Jeronimos in Belem, mooie locatie. Voor Emile Verhaerens graf zou je voor het uitzicht alleen al naar Sint-Amands-aan-de-Schelde gaan – ook zijn vrouw, de schilderes Marthe Massin, ligt er begraven. Bijzonder indrukwekkend was de tocht naar het kleine kerkje van Raron, op een rots hoog boven het Rhonedal. Daar, tegen de gevel bevindt zich de eenvoudige grafzerk van Rainer Maria Rilke, met zijn zelf gekozen cryptisch opschrift: ‘Rose, o reiner Widerspruch. Lust. Niemandes Schlaf zu sein unter so viel Lidern’ (Roos, o, zuivere tegenspraak. Lust. Niemands slaap te zijn onder zoveel oogleden.) Die Lust nietwaar! Dacht Rilke aan het Middernachtslied uit Also sprach Zarathustra van Friedrich Nietzsche (Doch alle Lust will Ewigkeit, tiefe, tiefe Ewigkeit)? Op het graf van Paul Modersohn-Becker ben ik eerder toevallig gestoten toen ik die zomer in Worpswede was. In Tübingen ging ik op zoek naar het graf van Friedrich Hölderlin op het stedelijk kerkhof, daarna wou ik ook even tot bij het graf van Ernst Bloch (Das Prinzip Hoffnung) gaan, maar dat bleek op een later aangelegd parkkerkhof op een heuvel aan de rand van Tübingen te liggen. Het prachtigste ‘Friedhof’, die naam waardig, dat ik ooit gezien heb. Wel een uur lang was ik op zoek naar het graf van Bloch, om uiteindelijk te constateren dat het vlak bij de ingang gelegen was. In Leipzig uiteraard de Thomaskirche binnengesprongen, er lag één verlepte roos op het graf van de grote Bach. Door op een dag even vooraan op het kerkhof van Machelen aan de Leie te drentelen, stond ik plots oog in oog met de laatste rustplaats van Gerard Reve. Op de grafplaat de eenvoudige tekst: U heb ik lief. En ja, elk jaar tijdens de Poëziezomer van Watou kom ik wel eens in de weide waar de as van Eddy Van Vliet uitgestrooid is. Heb ik er nog vergeten? Wellicht wel. En kijk er staat nog zeker één graf op mijn verlanglijstje, dat van de choreograaf Uwe Scholz (1958-2004) Daarvoor zal ik naar Steinau in Hessen of naar Friedrichshain in de buurt van Berlijn moeten gaan. Ja, waar ligt hij nu begraven? Twee bronnen die elkaar dus tegenspreken. Find a Grave vermeldt Berlijn, maar de documentaire over Uwe Scholz ‘Soulscapes’ vangt aan met de begrafenis van Scholz op het kerkhof van Steinau. Nu merk ik het pas: de Uwe Scholz van Find a Grave is ook geboren in 1958, maar hij stierf in 2013. Het zal dus Steinau worden.

 

Week 24 - 30 mei 2020

Zondag 24 mei 2020

Het is een gewone gewoonte van mij geworden – al verschillende jaren – om elke dag tussendoor vier gedichten te lezen, of beter vier bladzijden uit een bundel, of vijf of zes, als het gedicht meerdere bladzijden telt. Zo heb ik al gelezen: het verzameld werk van Hugo Claus (toch wel 1500 bladzijden schat ik), Jorge Luis Borges (viel niet mee, Claus trouwens ook niet, maar ik had daar te veel van verwacht), Ida Gerhardt (mooi), Slauerhoff, Emile Verhaeren, Hans Faverey, Marina Tsvetaeva en nog wel enkele anderen van wie de namen mij nu ontsnappen. Momenteel is Rutger Kopland (weer) aan de beurt. Ik heb hem eenmaal live meegemaakt, in Antwerpen, maar dan wel als psychiater. Combinatie dichter-psychiater lijkt mij een zeer genadige combinatie. Ik pik één gedicht er (min of meer willekeurig) uit.

 

Dankzij de dingen

 

De ochtend dat de dingen weer ontwaken,

laag licht tevoorschijn komt uit het

mahonie, tafelzilver, porcelein,

 

het brood gaat ruiken naar brood,

de gebloemde theepot naar thee

en de lucht naar oude mensen,

 

waarop het in de doodstille kamer gaat

prevelen, Here, zegen ook deze

dag tot in eeuwigheid, amen.

Toch een aandoenlijke huiselijke nature morte vind ik. Een vroege-morgentafereel, geen wielertoeristische uitspattingen, zelfs geen déjeuner sur l’herbe (al zou dat toch heerlijk kunnen zijn in de zomer, in de Provence, onder de olijfbomen met een vriendin in Manetkostuum…), nee gewoon gewoon, een dag als de dagen tijdens een lockdown (tot in eeuwigheid, amen, alleluja), de dingen die ontwaken, de dingen die zich losmaken uit het tanende duister, ze moeten niet eens gegroet worden.

Ja, ik mag hem wel deze Rutger, naast Gerrit Achterberg is hij wel mijn favoriete Nederlandse dichter, maar ik ken niet van iedereen voldoende het werk. Over Vasalis bijvoorbeeld – ik heb 2 of 3 bundeltjes van haar – weet ik te weinig. Ik vermoed zo dat ik haar poëzie zal mooi vinden, maar ik ben nog zover niet geraakt.

Iets wat ik zeker bij Kopland apprecieer zijn de eenvoudige, alledaagse die hij gebruikt en dat hiermee zo’n poëtische zinnen kunnen gebouwd worden, nochtans komen dei zinnen niet vanzelf. In de TV-reeks uit 2000 (en het boek) van Wim Kayzer, Van de schoonheid en de troost is er ook een aflevering gewijd aan Rutger Kopland, waarin hij getuigt over de wordingsgeschiedenis van een gedicht, ik meen het gedicht Onder de Appelboom. Hoe hij zoekt naar de juiste woordkeuze, de geschikte volgorde van de woorden, het beste ritme, enz.

 

Maandag 25 mei 2020

Ik moet mij dringend eens gaan bezig houden met mijn lezing in november. Ik heb nog geen idee hoe ik het wil aanpakken. Ook niet welke bron ik als leidraad zou gebruiken, ik kan kiezen tussen vier teksten, ik kan ze natuurlijk ook combineren en zal dat wel gedeeltelijk ook zo doen, maar toch: wie volg ik in de eesrte plaats? Ik ben nogal gewonnen voor Carl Schorske, toch een autoriteit op het gebied van Wenen, Fin de siècle. Dit is trouwens ook de titel van zijn lijvig boek met daarin, heb ik gemerkt, een volledig hoofdstuk gewijd aan de Beethovenfries van Gustave Klimt. Ik heb ook nog een mooi (esthetisch mooi bedoel ik) boek Klimt-Beethoven uit de Skyra-reeks. Toch altijd garant voor kwaliteit, alleen – wat enigszins te verwachten was – nogal zware tekst en alles bij elkaar niet zo erg veel over het wat en waarom van de fries. Op Internet heb ik dan wel een tekstje gevonden, dit is zowat het tegenovergestelde van het vorige boek: erg licht en nogal oppervlakkig, maar wel wordt elk paneel van de (het?) fries even geduid. En dan is er nog een boek dat enkel over de (voorbereidende) tekeningen van Klimt gaat, dat heb ik nog niet van nabij bekeken, wel gemerkt dat desondanks alle geschilderde panelen erin afghebeeld staan. Ik ga beginnen met Schorske, denk ik en anders die tekst van Internet als rode draad kiezen en aanvullen met wat ik elders vind. De presentatie mag ook niet te lang duren – maximum 3/4 uur – want nadien is er de voorstelling van mijn boek. Nu, dat kan ik wel in een klein halfuurtje afhandelen, al moet ik rekening houden dat er nadien nog (hopelijk) enkele kopers gaan zijn die een gesigneerd exemplaar gaan willen. Wat ook nog te gebeuren valt, is een tekstje zoeken of verzinnen om in de opdracht te schrijven. ‘Aan X, veel leesgenot’, nou, dat vind ik wat te sober. Ik denk nu aan een tekst van Dante uit zijn Divina Comedia, het vagevuur als ik mij nog goed herinner. Eens opsnorren vandaag of morgen.

Intussen Schorske geraadpleegd, het gaat maar over enkele paragrafen in een hoofdstuk over Gustave Klimt. Dit is wel bruikbaar, maar nogal beknopt, ik zal dus sowieso verder moeten kijken. Nu ik heb wel al een idee hoe ik het aan boord zal legge. Beginnen met een korte situering van de tentoonstelling in het Seccesionsgebouw rond het standbeeld van Beethoven door Max Klinger en dan de fries van Klimt aflopen in klokwijzerszin – in feite drie delen op drie panelen - en bespreken wat hij ervan gemaakt heeft en wat hij bedoeld heeft. Tussendoor fragmenten uit Beethovens 9de, het laatste deel, de Ode an die Freude, want deze tekst van Schiller illustreren was de opzet van Klimt. Misschien tussendoor ook wat vergelijkingsmatertiaal met vroeger en later werk van Klimt en zelfs met werk van collega’s. Enfin we geraken er wel

 

Dinsdag 26 mei 2020

Vakantie? “Maar dan komen de zorgen weer, altijd dezelfde zorgen, zorgen die sinds een halve eeuw betrekking hebben op de rechthoekige vormen van het maagdelijk schrijfblok, het woordenboek, het manuscript. Ik mag ze dan wegmoffelen achter een boeket vlammende zinnia’s, ineens snijdt een zonnestraal zo blauw als de bliksem het vertrek in tweeën en verraadt hun aanwezigheid…” Dit schrijft een zestigjarige Colette in haar persoonlijk verhaal als ze weer eens in de Provence op vakantie is. Moet ik toch even glimlachen, zelfs terwijl zij dit stukje schrijft is het een en al zomerspettervuur van prachtige zinnen, schitterende adjectieven, verrukkelijke beschrijvingen van het gewoonste van het gewone in een zonovergoten tuin van waaruit ze dit schrijft. De poëzie die in de kelk van een trompetbloem verscholen zit, ze haalt het er uit met een schijnbare achteloosheid, maar met wat een rijkdom van kleuren, geluiden en zeker geuren overspoelt zij ons! Wat ben ik blij dat ik Colette ontdekt heb, quelle phénomène! Vroeger dacht ik altijd dat zij eens soort Edith Piaf was van de literatuur, pas op, met alle respect voor Piaf hoor. Piaf kende ik vooral van mijn moeder van wie ik als kind de dag door ‘Non, je ne regrette rien’ vanuit de keuken hoorde schallen, naast liedjes van Maurice Chevalier, Emiel Hullebroeck en Armand Preud’homme. De heide was soms dagen naeen donkerpurper gekleurd, tot vervelens toe. Maar nee, geen Edith Piaf, maar zoals ik al eerder schreef: een vrouwelijke Proust en dan een die nooit de tijd verloren heeft.

 

Woensdag 27 mei 2020

De voorbije nacht, als een riedeltje, kwam plots dit tekstje bij mij op: “So blau wie Schnee, so Paul wie Klee“. Van waar had ik dat? Tonight, that was the question. In mijn ene hersenhelft bleef het maar riedelen, in de andere was er de speurtocht naar de herkomst: waar in ’s hemelsnaam heb ik dat ooit gezien, gelezen, gehoord? Gelezen zal het wel geweest zijn en in het Duits… ik kon om te beginnen al mijn Franse bronnen afvoeren. Mijn Duitse dan? Kafka? Niet kafkaesk genoeg.Goethe? Klee was toen nog niet geboren. Thomas Mann? Niet ernstig genoeg. Herman Hesse? Nja, een flikkerend lichtje begon te schijnen, maar het was de vroeg ochtend die mijn nachtelijke beslommeringen onderbrak. Sowieso ben ik dan op zoek gegaan, gegrasduind - (grasduinen, niet het woord verwondert mij, maar de betekenis: zich verlustigen, naar hartenlust toetasten, van : in grazige duinen gaan’, voor het eerst opgedoken in 1574 - Van Dales Etymologisch Woordenboek, een schat van informatie hoor - nou , dat weten wij nu ook weer).Deze voormiddag ben ik dus gaan grasduinen in mijn Hessetjes. In zijn romans (Demian, De Steppenwolf, Gertrud, Narcis en Goldmund, Siddharta en zeker Het Kralenspel, allemaal pareltjes in het al zo rijke snoer van de Duitse literatuur) zou dat wel niet gestaan hebben, dan zijn ander werk. Voordeel was dat ik zoiets wel zou aangestreept hebben – dat vermoedde ik althans, dus volstond om snel de Hessetjes te doorbladeren en bij elke onder- of aanstreping even stil te staan (en dat zijn er nogal wat). En jawel, Eureka! In De reis naar het Morgenland (weer zo’n verrukkelijke titel om bij weg te dromen), daar staat het, op bladzijde 70: “So blau wie Schnee, so Paul wie Klee“. En Paul Klee dat was mijn grote favoriet van in mijn late jeugd, alles van Klee verzamelde ik toen, vooral postkaarten met reproducties van zijn schiderijen. Hoe moet ik zijn stijl beschrijven? Naïef abstract surrealisme? Vaak licht humoristisch of ironisch. Ik mag hem nog altijd graag.

 

Donderdag 28 mei 2020

Eergisteren de toekomst van Het Beleefde Genot besproken of beter het einde. Alle activiteiten van het najaar geannuleerd en in theorie (gedeeltelijk) doorgeschoven naar volgend jaar. Maar zelfs zonder de Coronacrisis zouden althans de lezingen van Het Beleefde Genot dit jaar gestopt zijn op 15 november. Niet dat ik geen kandidaten of themalezingen meer in het achterhoofd had, maar de leeftijd gebiedt mij een tandje minder te schakelen. Zo had ik wel nog twee lezingen (of meer) willen organiseren rond de figuur van Zarathoestra, de echte en die van Nietzsche. Voor Nietzsche zou ik de keuze laten vallen hebben op Roland Duhamel uit Gistel of Oostende, gepensioneerd Nietzschespecialist en auteur van Nietzsches Zarathoestra – mysticus van het nihilisme. Titel van zijn lezing: ‘Zo sprak Zarathoestra’. Als tegenhanger, en dat als eerste lezing: ‘Zo dacht Zarathoestra’, over de leer en het denken van de authentieke Zarathoestra, die van 1500 voor onze tijdrekening (meer dan duizend jaar vòòr Plato cum suis !). Zijn ideeën staan beschreven in de Ghata’s, een van de oudste verzamelingen geschriften van ons wereldpatrimonium. Wie komt in aanmerking om die lezing te brengen? Wel, de auteur van ‘Ainsi pensait Zarathoustra – un philosophe avant la lettre’, Ann Van Sevenant, een gewaardeerd filosofe, afkomstig uit Torhout maar intussen voldoende bekend en erkend in academische en filosofische kringen. Blijkbaar goed meertalig, ze publiceerde al werk in het Frans, het Italiaans en het Nederlands. Van haar onder meer ‘Kleine filosofie van het vrijen’ maar ook ‘Wat zou de wereld zijn zonder filosofie?’ – dit laatste boek samen met Samuel Ijsseling - , geef toe toch twee verleidelijke titels. In maart verscheen de Engelse vertaling van ‘Ainsi pensait Zarathoustra’, ‘Thus replied Zarathustra’, de voorstelling zou plaats vinden aan de ULB, ik had ook een uitnodiging gekregen, en was van plan om er heen te gaan, maar… we weten het intussen al. Verleden week bericht ontvangen dat er geen voorstelling meer zou plaats vinden. En voor Het Beleefde Genot ook geen lezingreeks rond de figuur van Zarathoetsra. Haar boek van 400 bladzijden heb ik nog niet gelezen, wel haar eens gehoord over de historische Zarathoestra en de Ghata’s.

 

Vrijdag 29 mei 2020

In haar voorwoord op ‘Ainsi pensait Zarathoustra’ – haar avant-propos – schrijft Ann Van Sevenant het al: ‘La pensée occidentale perpétue un malentendu, une construction historique concernant la naissance de la philosophie. Le célèbre ouvrage de Friedrich Nietzsche “Ainsi parlait Zarathoustra”, qui a bouleversé la philosophie du -XXe siècle, y a contribué.’. En de Zarathoestra van Nietzsche is altijd een van mijn favoriete boeken geweest. Oorspronkelijk had ik enkel de Duits-Franse editie van Flammarion en in die tijd – studentenjaren – kon mijn Duits er nog een beetje door, intusssen is dat volledig geërodeerd, ik durf mij nauwelijks nog aan Duitse literatuur te wagen in de oorspronkelijkea taal. Later heb ik mij dan toch de Nederlandse vertaling van Endt en Marsman aangeschaft. Jaren geleden, begin de jaren negentig, heb ik eens een installatie gebouwd, met als uitgangspunt de opdracht die Herman, de landgraaf van Thüringen aan de bijeengekomen minnezangers stelde: ‘Könnt ihr der Liebe Wesen mir ergründen?’.

Als mogelijke antwoorden had ik in mijn tuin aan de straatkant zeven ongelijke ‘zuilen’ opgericht (houten staketsels met zwart plasticfolie omzwachteld) met vooraan op A4-formaat, telkens een citaat uit Nietzsches ‘Also sprach Zarthustra’. Welke teksten dat waren weet ik niet meer, ze moeten hier nog wel ergens liggen, maar het is duidelijk dat de Zarathoestra van Nietzsche vol staat met rake passages. Al vanaf het begin, Zarathoetsra’s voorrede, kan je lezen hoe hij de zon toesprak: ‘Du groszes Gestirn! Was wäre dein Glück, wenn du nicht die hättest, welchen du leuchtest!’, ‘Gij groot gesternte! Wat zou uw geluk zijn, wanneer ge niet hen hadt, die gij verlicht’. De Übermensch kondigt zich al aan.

 

Zaterdag 30 mei 2020

Zomer in de (late) lente. Rust en vrede alom, toch hier bij ons. Ik durf me nauwelijks voor te stellen hoe het er in de vluchtelingenkampen aan de Turks-Griekse grens er aan toegaat of in Syrie of in de Gazastrook. En jammer genoeg kan ik zo nog een eindje doorgaan. Commentaar omtrent de Coronatijd wil ik met opzet niet geven, daarover hebben wij al meer dan voldoende vernomen van onze experten-journalisten. Ik haat dat zootje die het altijd beter weet en sensatievol en breed uitstrijkt. ‘Van onze expert ter zake’ (ik klap dubbel van het lachen). Something is rotten in the state of Denmark, in dit geval medialand. De publieke media moeten heus niet onderdoen voor de sociale media (zeg maar asociale, meer zelfs antisociale media), integendeel soms. Daar doen we dus niet aan mee. Conservatief tot in de kist? Et alors? Behalve dat legertje poepjournalisten is er nog een andere groep aan wie ik mij erger, al is ergeren hier niet het juiste woord. Ik erger mij inderdaad aan het journalsitieke volkje, maar schaam mij, vind het zelfs verschrikkelijk dat er zo weinig steun komt uit de academische wereld – akoord de uitzonderingen bevestigen de regel, ik ga maar geen namen noemen. De meeste (lees: nogal wat) academici sluiten zich op in hun gespecialiseerde cocon en hebben enkel oog voor het aantal voetnoten waarin naar hun werk gerefereerd wordt en ja, ook de voetnoten die over het werk van hun tegenstanders gaan, want die lusten ze meestal rauw. Zij, de academici, zouden het geweten van de wereld moeten zijn, zouden luider en vooral krachtdadiger en gebundeld hun stem moeten verheffen.

 

Week 17 - 23 mei 2020

 

Zondag 17 mei 2020

Een zondagse zondag. Zonet fietstochtje tot in Vloethemveld en dan langs wiegelwaggelende wegjes terug. Doordat ik lang geslapen heb, nog niet veel gelezen in Eribon, hooguit één hoofdstukje. Over de benoeming van Foucault tot hoogleraar. De periode ervoor was hij in Uppsala, Warschau en Hamburg. Het langst (twee jaar) in Uppsala. Een werkbeest was hij. Hij werkt er aan zijn dissertatie die tot zijn benoeming moet leiden, het zal ook zijn eerste belangrijke boek worden: de Geschiedenis van de waanzin – Gallimard vertikte het om dit werk te publiceren, Plon deed het later wel, en het heeft de uitgeverij geen windieren gelegd. De waanzin is geen natuurlijk, maar cultureel gegeven, beweert Foucault. Dat kan logisch klinken, maar dat heeft nogal wat repercussie gehad in het omgaan met waanzin en waanzinnigen. Rede tegenover redeloosheid. In Zweden woont en werkt hij in een klein appartementje - in december is het al om twee uur in de namiddag donker, om nog maar te zwijgen over de koude, niet bepaald een gunstig klimaat voor kandidaat depressievelingen. ’s Avonds, als hij zit te schrijven, speelt er altijd muziek (33-toerenplaten). ‘Er gaat geen avond voorbij of hij luistert naar de Goldbergvariaties’ schrijft Eribon. Inderdaad een van de weinige werken waar je voortdurend naar kan luisteren zonder het beu te worden, altijd is er wel een nieuw facet te ontdekken. Dat kan van weinig muziekstukken gezegd worden, luister maar eens uren aan een stuk naar Eine kleine Nachtmusik, om er horendol van te worden. Dat is feitelijk de hoofdreden waarom ik mij in de Kerstperiode ver buiten de winkelstraten van een stad houd. Ik vraag mij af naar welke versie hij dan geluisterd heeft. Wellicht al de spraakmakende uitvoering van Glenn Gould uit 1955 (we zijn in 1956) of de clavecimbelversie van Wanda Landowska uit 1931 – de eerste grammofoonopname van de variaties.

 

Maandag 18 mei 2020

Tja, het kon niet anders. Bij het opruimen vind je wel eens het dubbel van een boek, maar dit keer vind ik hier drie exemplaren van David Copperfield, in vertaling wel te  verstaan. Een uitgave uit 1978 (eerste druk 1953) in de reeks PrismaKlassieken, 836 blz., vertaling André Noorbeek, een uitgave uit 2004 (eerste druk 1953) in de reeks Dickens Bibliotheek, 834 blz., vertaling André Noorbeek, dat is de identiek aan de vorig genoemde uitgave en een uitgave uit 1980 (eerste druk 1949) in de reeks Amstel Klassieken, 927 blz., vertaling J.B. Van Amerongen, maar met een voorwoord van 26 bladzijden. Dus alles bij mekaar twee vertalingen die al van een tijdje dateren: 71 jaar en 67 jaar oud. Laat ik even de eerste (toch wel beroemde) zin nemen, en kijken hoe die vertaald werd. Whether I shall turn out to be the hero of my own life, or whether that station will be held by anybody else, these pages must show.” Van Amerongen, 1949: “Of ikzelf de held van mijn leven zal blijken te zijn, of dat die functie zal worden vervuld door iemand anders, zullen de volgende bladzijden aantonen.” André Noorbeek dan (1953): “Of ikzelf de held van mijn levensgeschiedenis ben, of dat die plaats door iemand anders wordt ingenomen, zal uit deze bladzijden moeten blijken.”. Nou, ik kies – prima vista - voor de tweede versie. Leven staat wel dichter bij levensgeschiedenis, doet ook niet zo kunstmatig aan, maar functie klinkt dan weer wat kunstmatiger dan plaats voor ‘station’. Maar na herlezing, misschien toch de eerste versie, want dichter bij het origineel (de vertaling van ‘station’ wringt wel een beetje), ik hou namelijk nogal van letterlijke vertaling, vertaling dicht bij de oorspronkelijke tekst.

En wat met de slotzin? O Agnes, O my soul, so may thy face be by me when I close my life indeed; so may I, when realities are melting from me, like the shadows which I now dismiss, still find thee near me, pointing upward!”

Bij Van Amerongen: “Nu hij dood is en zij bij ons inwoont, moeten we maar ons best doen haar er overheen te helpen.” Pardon? En bij Noorbeek: “O Agnes, mijn ziel, mijn alles, moge ik je zo vinden als ik mijn leven inderdaad besluit, moge ik je naast mij zien, opwaarts wijzend als steeds, wanneer de werkelijkheid voor mijn ogen verdoezelt, gelijk de schaduwbeelden, die ik hiermee voorgoed vaarwel zeg!” Bestaan er dan verscheidene versies van David Copperfield? Nee, bij nader inzien, laat Van Amerongen de hele laatste paragraaf weg. Vertaler? Uitgever? Drukker? Voor de Engelse brontekst baseer ik mij op de versie die opgeslagen is in het Gutenberg-project, toch een onverdachte bron zo lijkt mij. Besluit: was ik eerst van plan de compacte PrismaKlassieken nr.6 te behouden, dan verkies ik nu de uitgave van de Amstel Klassieken. Besluit 2: ik zal David Copperfield toch nooit lezen, tenzij… (maar je weet maar nooit)

 

Dinsdag 19 mei 2020

Nulla dies sine linea. Boven het grote venster in het Lijsternest, met uitzicht op de velden, staat de tekst geschilderd (of gebeiteld). Maar er zijn dagen, zoals deze waar zelfs die ene regel niet lukt. Er was eens …, ja er was eens iemand, misschien wel een schrijver, die deze regel ter harte nam en elke dag één regel schreef. Ik kan natuurlijk gaan grasduinen in mijn lectuur van vandaag (nog altijd Ebiron over Foucault) maar ik verkies de rust. Nu tot nu toe valt Ebiron wel mee, hij schetst een goed en ik veronderstel ook een juist beeld van Foucault, niet teveel filosofische uitweidingen, valt wel mee.

Nu ja vannacht liggen denken aan wat of wie mijn favorieten zijn. Criterium: minstens 10 boeken over het onderwerp of over of van de persoon.

Nummer 1 is ongetwijfeld Kafka (wat is het lang geleden dat ik nog iets van of over hem las!), op de voet gevolgd, misschien zelfs al voorbijgestoken door Rainer Maria Rilke. Toevallig (?) twee Duitssprekende lettermensen uit Praag en uit dezelfde periode. Drie wellicht George Sand, ook van nabij gevolgd of voorbijgestoken door Richard Wagner. Verder Friedrich Nietzsche (17 boeken, toevallig verleden week nog geteld) , Etty Hillesum, Geerten Meijsing (allemaal begonnen met Erwin door Joyce & Co) het oriëntalisme, Fin de siècle Wenen, de Prerafaëlieten, de Camino de Santiago, Paula Modersohn-Becker, Thomas Mann, Jeanette Winterson, Marguerite Yourcenar, Marina Tsvetaeva, Artemisia Gentileschi, Martha Nussbaum, John Ruskin, Marcel Proust, Virginia Woolf, Ferando Pessoa, Herman Hesse, Ton Lemaire, al durf ik niet beweren dat ik bij Lemaire aan 10 boeken geraak, het zal er in elk geval niet ver van zijn. Hetzelfde kan gezegd van Levinas, Emile Verhaeren, Sylvia Plath, Susan Sontag, Marguerite Duras, Goethe…

 

Woensdag 20 mei 2020

De maandelijkse Nieuwsbrief van Het Beleefde Genot is de virtuele deur uit. Al onmiddellijk twee reacties. Eentje met een verwijzing naar een gesprek met Dirk De Wachter over Borderline op één of andere Nederlandse zender en het tweede met suggesties om lezingen op afstand te houden, niet vanop afstand, maar met een tussenruimte tussen de stoelen van 1,5 m. Ik vraag aan het bestuur om over de nabije toekomst van Het Beleefde Genot eens van gedachten te wisselen middels een videoconferentie.

Intussen bracht de postbode ook een CD die ik een paar dagen geleden besteld had. Nog maar eens een Requiem. Van Simone de Bonefont, « chainon manquant de la tradition franco-flamande ». Google Maps kent Bonefont niet, wel Bonnefond en Bonnefont, maar die liggen bij lange niet in Noord-Frankrijk of Frans-Vlaanderen. Over de figuur van Simone de Bonefont is weinig gekend, geboren rond 1500? Evenmin over zijn composities. Deze Missa pro mortuis mag er nochtans zijn en zeker als het Huelgas Ensemble voor de uitvoering zorgt. Wel een mooie uitzondering op de gangbare CD-releases: behalve het klassieke Frans en Engels, staat er ook een verklarende tekst in het Nederlands in het bijhorende boekje. Naast het Requiem van de Bonefont staan er ook nog vier versies van het middeleeuws antifoon “Media vita in morte summus”, “Midden in het leven staan wij in de dood”. “Media vita in morte sumus. quem quærimus adjutorem nisi te, Domine? Qui pro peccatis nostris juste irasceris Sancte Deus, sancte fortis, sancte misericors Salvator, amaræ morti ne tradas nos” “Midden in het leven staan wij in de dood, wie zoeken wij als onze Helper tenzij U, Heer, die terecht om onze zonden vertoornd zijt? Heilige God, heilige sterke, heilige, barmhartige Verlosser, lever ons niet over aan de bittere dood.”. Een weeklacht heel passend in deze tijd en ook tijdens de middeleeuwen in periodes van pest en hongersnood.

Het is bijzonder stil buiten als dit Requiem op de achtergrond klinkt. Hoe vluchtig de wolken ook zijn, ze ademen een sfeer van oneindigheid en eeuwigheid.

 

Donderdag 21 mei 2020

Vanmorgen de biografie van Michel Foucault uitgelezen. Altijd jammer als een (goed) boek uit is. Met boeken is het als met het leven: ze eindigen, met dit verschil dat je een boek kunt herbeginnen. Die uitspraak komt van mijzelf, niet van Foucault, die het doorgaans wat ingewikkelder verwoordde, ook de simpele zaken of wat volgens de meesten simpele zaken waren, nooit voor Foucault. Hij zag in elk fenomeen de complexiteit en zocht naar de oorsprong en de waarheid, zelf sprak hij graag over archeologie ervan. Veel citaten van Foucault zijn er niet verwerkt in de biografie van Didier Ebiron, ik wil er toch eentje tegen het licht houden, een fragment uit het voorwoord van L’usage des désirs, Het gebruik van de lust het tweede deel van zijn Geschiedenis van de seksualiteit: “Er zijn momenten in het leven waarop de vraag of je anders kunt denken dan je denkt en anders waarnemen dan je ziet, essentieel is om te blijven kijken en nadenken.” Ik zou dat in mijn eigen woorden formuleren: blijf vooral kritisch in al wat je denkt en ziet. In tegenstelling met wat we zouden denken ligt Foucault niet bergraven op Père Lachaise of Montparnasse en al helemaal niet in het Panthéon, maar in het kleine plaatsje Vendeuve in de Poitou, een eenvoudige gespikkelde marmeren zerk met een kitscherig porseleinen roosje erop. Zijn biograaf Didier Eribon, heb ik ook eens gegoogeld. Hij komt uit een arbeidersgezin uit de streek van Reims, daarover schreef hij een autobiografisch boek “Retour à Reims” (Terug naar Reims).” Als hij na dertig jaar terugkeert naar zijn milieu, dat vroeger heel loyaal stond tegenover het communisme, merkt hij dat ze zo goed als allemaal fan geworden zijn van het Front National. Is dat ook niet een beetje wat hier gebeurd is? Als de sp.a nu zo weinig leden en sympathisanten telt, is dat toch ook omdat de onderkant van de partij massaal naar het populistische Vlaams Belang is overgewaaid en de bovenkant naar Groen!

 

Vrijdag 22 mei 2020

Doktersbezoekje. Nja, veel wijzer ben ik niet geworden. Dezelfde medicatie verder blijven nemen en een paar keer in de week de bloeddruk controleren. Gezien het feit dat de bloeddruk een momentopname is, niet zo eenvoudig te interpreteren, tenzij het voortdurend té zou zijn. Enfin, wij doen voort. Intussen al even mijn eigen boek gelezen, dat op 15 november officieel verschijnt en voorgesteld wordt, maar eigenlijk al dateert van 2004. Hier en daar nog wat tikfoutjes, dus die moeten recht gezet. Op mijn laptop is de tekst in A4 opgeslagen, dat breng ik dus naar A5. Negen hoofdstukjes. Bij het begin van elk hoofdstuk zou ik een (abstract, minimalistisch) tekeningetje plaatsen –een paar fijne streepjes, niet meer – samen met een drietal versregels. Alles samen worden dat ongeveer 130 bladzijden vermoed ik. Bij één hoofdstukje moet ik ook een overgangsparagraafje toevoegen, want ik heb gemerkt dat de twee personen die de ik-figuur eerder ontmoet heeft en die hun weg gegaan waren, plots weer ex nihilo verschijnen. Allicht was dit hoofdstuk voor het vorige geschreven, maar goed met een korte verklarende paragraaf is dat weer snel aan elkaar gelijmd. De vrijheid van de schrijver, nietwaar. Ik was wel wat verwonderd over de inhoud, zo helemaal religieus-filosofisch. Nu ja mijn eerste titel of ondertitel die in mijn hoofd zat was in die tijd: “Een hedendaags omcirkelen van de theodicee”, nou erg intellectualistisch als je ’t mij vraagt, maar gelukkig heb ik dat wat poëtischer kunnen benoemen. Titel: “Een psalm tot het laatst”, (verklarend)e ondertitel: “Lijden en hoop in een tijdloze samenleving”. Met opzet gekozen voor ‘tijdloos’ want erg dubbelzinnig in de context, de lezer(es) moet het maar ontdekken. Negen hoofdstukken, negen liefdesbrieven aan een vrouw, Kassandra (uiteraard niet toevallig die naam, Kassandra in de Ilias de zieneres die alles voorzag, onder meer de val van Troje, maar er was niemand die haar geloofde). Die brieven vormen als het ware het kader voor de belevenissen van een ridder uit 16de eeuw – de eeuw van Montaigne en een knipoogje naar deze essayist zit er ook in verweven, en dat verhaal is tegelijkertijd ook een (om)kader(ing) voor 9 essays (Montaigne is daar al!) over vooral de vraag naar het waarom van het kwaad in de wereld. De dialogen moeten het puur beschrijvende en abstracte van de essays wat temperen.

 

Zaterdag 23 mei 2020

Colette, een vrouwelijke Proust? Ik weet niet wie dat gezegd heeft of misschien heeft niemand dat gezegd, maar ik kan mij best in die uitspraak vinden. Neem nu deze passage: “Het is puur de magie van het verleden die me daar naartoe brengt en me daar met dichte ogen laat staan – het verleden waarover ik me buig als over een dampende zwarte kop waaruit in blauwige kringels een mengeling opstijgt van herinneringen, slaap, illusies en spijt…”. Een kop koffie in plaats van een tas thee, en daar komen dan je kinderjaren terug! Magie ! A la recherche du temps perdu? Ja, maar wel twintig jaar voor de fameuze passage uit Du côté de chez Swann. Colette kreeg de eerste staatsbegrafenis voor een vrouw in Frankrijk. Dat was in 1954. Waren er dan geen vrouwen die in aanmerking kwamen? Of zijn die vrouwen misschien onsterfelijk? Colette is 81 geworden. Iconen als Simone de Beauvoir en Virginia Woolf waren unaniem over haar kwaliteiten als schrijfster. (“Niemand in Engeland kan zo schrijven” – V.W.) Alleen mis ik soms die heerlijke lange, rond zichzelf wentelende, nooit eindigende zinnen van Marcel, maar voor de rest: ja, wat een talent, die Colette!

 

Week 10 - 16 mei 2020

Donderdag 14 mei 2020

Doeschka Meijsing, een vrouw van mijn hart, al zou het niet gauw tot een toenadering gekomen zijn tussen ons. Het is niet omdat ik haar jongste broer bewonder, vereer dat het tussen ons zou moeten klikken. Maar ze schrijft prachtig. Bijvoorbeeld over de liefde in Over de liefde. Veel heb ik in haar roman niet onderstreept, in romans onderstreep ik trouwens zelden, tenzij prachtige zinnen, mooie woorden enz., maar geen diepzinnige ideeën, dat is voor essays of meer filosofische werken.

In leesvolgorde: “’What a piece of work is man’ prevelde ik Hamlet na.” (p.57) Hamlet, die naam alleen al, hoeveel keer heb ik dit stuk van Shakespeare gelezen? Vijfmaal? Zesmaal? Geen idee, maar nu is het toch een flinke tijd geleden. En dat Doeschka het niet zo op mannen begrepen had, weten wij al lang. Bladzijde 122 dan: “Wenen was een monolithische stad, met vele honderden mijlen land eromheen, geen zeekust die de geest liet waaien. Een opgesloten stad die zich de Turken van het lijf moest houden, een stad met kwijtgeraakte wingewesten vol grondstoffen, een stad van vergane glorie, slechts bewoond door ambtenaren en violisten.” Wat een rake beschrijving van Wenen. Een paar regels verder citeert ze ook een uitspraak van Clemenceau uit 1919: “L’Autriche, c’est ce qui reste.”. Ik denk dat ik nog één zin onderstreept heb (naar het schijnt is onderlijnd geen goed Nederlands, ik zou niet weten wat er aan mankeert, maar goed dan: onderstreept). O, toch eerst deze hier, toch een diepzinnige terloopse opmerking: “Waarom zou er geen waarom moeten zijn?” (p. 125). Zelf zou ik moeten vervangen door mogen, maar in de context is moeten hier wel op zijn plaats. En eentje voor de romantische ecologisten of de ecologische romantici. “… per vliegtuig, wat geen reizen is, maar verplaatsen.” (p. 151).

Ik merk nu dat mijn vorige aantekening al van tien dagen geleden dateert, ik had nochtans de bedoeling om elke dag wat neer te tikken in mijn dagboek, het is zelfs geen weekboek meer. Maar ik laat mij drijven door mijn eigen wispelturigheid. Mijn vorig boek dat ik uitgelezen heb, was van een heel andere orde. Ja ik let er wat op fictie af te wisselen met zogenaamde non-fictie, tot nu toe lukt dat aardig, als ik mijn lijstje van dit jaar tot op vandaag bekijk kom ik aan 22 non-ficties tegen 16 ficties. Bon, net vóór Doeschka Meijsing was er ook een Nederlandse schrijfster, een geleerde professor aan de Rijksuniversiteit van Groningen, Rebecca Hellemans. Het valt mij ook op dat er nogal wat vrouwelijke auteurs in mijn leesmandje zitten, bij non-fictie was dit zeker niet zo bedoeld, bij fictie doorgaans wel. Rebecca Hellemans dan: Cultuur. Zo heet haar boekje: Cultuur. Daarin legt ze niet echt uit wat cultuur is, dan wel wat anderen vonden wat cultuur is. In haar inleiding al citeert ze de onverbeterlijke Marcel Proust :”… dat kunst ons echte leven is, de realiteit zoals we die hebben gevoeld.” (p.7) en op de volgende bladzijde voegt zij eraan toe: “Het gaat Proust erom hoe we de werkelijkheid herinneren.” (p. 8) hoe we de werkelijkheid herinneren staat bij haar in italic, maar omdat ik geciteerde passages al in italic zet, heb ik dit even onderstreep (onderlijnd) hier. Op dezelfde bladzijde, iets wat min of meer een besluit kan zijn: “Zonder perceptievermogen of kritisch vermogen zijn we nergens, of zijn we terug waar we al waren: in de platte realiteit van alle dag.” Ik haat die platte dagen, maar gelukkig kan ik stellen dat ik nog nooit (zeg nooit nooit) een platte dag gekend heb. Zoals te verwachten heb ik heel wat zinnen onderstreept, bijvoorbeeld wanneer ze het over haar onderwerp Cultuur heeft en hoe dat af te bakenen, haar opmerking slaat trouwens niet enkel op cultuur, er is wel meer afbakeningsvervaging (en vaak hierdoor normvervaging) over een begrip. “… dat cultuur een containerbegrip is geworden waar allerlei vormen van kunst, muziek of literatuur in worden gegoten.” (p. 11). Ach, ik merk dat ik maar beter ophoud met overtikken, nu ik zie dat er op bijna elke bladzijde iets onder- of aangestreept is. Nochtans, als ik alles weer overlees (de streepjespassages bedoel ik) dan is er toch steeds weer die (h)erkenning en beaming. Omdat ze veel denkers over het fenomeen cultuur aanbrengt, heb ik ook hun namen onderstreept, telkens ze voor het eerst opdoken, de meesten waren mij wel bekend (beaming dus), over anderen hoorde ik voor het eerst, ook al noemde zij hun inbreng essentieel of cruciaal. Een van die crucialen is bijvoorbeeld Michel Foucault. Ik kom die nu al zoveel malen herhaaldelijk tegen in mijn boeken dat het hoog tijd wordt wat nader kennis te maken met de man, daarom ligt zijn biografie van Didier Eribon hier al klaar. Het grote gevaar loert al om de hoek: er zal om de haverklap verwezen worden naar werken van andere schrijvers, en die wil ik dan ook lezen. Alweer eens een bijzonder hoge besmettingsgraad in het vooruitzicht.

 

Vrijdag 15 mei 2020

Zojuist Tijd van Rüdiger Safranski herontdekt, ik wist niet eens meer dat ik het uitgeleend had. Straffe kost, dat wel en naar goede Safranskiaanse gewoonte bestaan de ondertitels van zijn hoofdstukken uit halve paragrafen. Het overtikken van alle onderstreepte passages zou me weer te ver brengen, ik pik er enkele uit. Om te beginnen al iets uit het voorwoord. Voorwoorden worden vaak overgeslagen, een truuk om dat te vermijden is: maak van je voorwoord een eerste hoofdstuk, dan wordt het beslist gelezen. Enfin, hier gaan we dan: “We staan onherroepelijk onder het bewind van de tijd. Des te beter dat we er op zijn minst mee kunnen spelen. In verhalen kunnen we ons vrij in de tijd bewegen – vooruit en weer terug. Misschien is dit wel het eigenlijke geheim van de aantrekkingskracht van literatuur.” (p. 15)En nog eentje uit dat voorwoord, een echte blikopener voor mij, niet dat ik worstelde met het doorgaronden van het idee Eeuwigheid, maar hier krijg ik toch een afdoende antwoord. Safranski: “Eeuwigheid is geen eindeloze tijd, maar iets anders dan tijd.” (p. 16) Wat mij doet denken aan de omschrijving van God door de Zwitserse theoloog Kart Barth: “Gott is der ganz Andere.”, waarmee volgens mij alles gezegd is: pieker niet verder, breek je hoofd er niet over: God is toch altijd anders dan zoals je Hem/Haar tracht voor te stellen. Een mooie quote over de romantici: “(De romantici) hebben de verveling, zoals al het afgrondelijke, met literaire betovering begiftigd.” (p. 26). Zoals al het afgrondelijke? Graag wat meer respect voor de verveling meneer Safranski. Maar die literaire betovering? Hm, dat wel natuurlijk: Baudelaire & Co (ik ben zo’n beetje een post-co). Verder heeft S. het ook over “die granieten mistroostige levenssleur”, kom, kom, niet overdrijven zeker? “De tijd is schaars. Hoe kan tijd eigenlijk schaars worden? Tijd zelf kan niet schaars worden, hij wordt alleen schaars in relatie tot bepaalde voornemens.” (p. 90). Op het eerste gezicht een open deur intrappen, maar een fundamentele waarheid die men niet kan weglachen. Al wat je doet vraagt tijd, een dagboek bijhouden bijvoorbeeld (en nog niet zo weinig tijd ook!), alles wat je daarnaast doet of wilt doen (brieven schrijven, tuinieren, boeken lezen, …) vraagt eveneens tijd, maar samen concurreren ze: schaarste is dan de term uit de econome. Kiezen dus. Lijkt simpel, maar wat te zeggen over de schaarse levensduur die de mens toegemeten krijgt? Hier heb je niet te kiezen, in het beste geval aanvaarden, want ook als je het niet aanvaardt ga je dood.

 

Zaterdag 16 mei 2020

Het begin van een coronadag bestaat uit een aantal regelmatige rituelen, je zou haast van een ceremonie kunnen spreken. Na opstaan en klaarmaken, hond buiten laten, gordijn in de keuken optrekken, Senseo aanzetten, boeter uit de frigo halen (niet voor mij), hond binnen laten, andere gordijnen optrekken, pillen uithalen, momenteel ook bloeddruk meten, krant uithalen met handschoenen, krant, handschoenen en sleutels, ontsmetten, CD opzetten (achtergrond), ontbijtje, stukje lezen in boek, dan krant doorbladeren, al naargelang de tijd, de raadsels oplossen. Tegen dan is het 10 uur, tijd om mij af te zonderen, laptop aanzetten, nieuws, mails en (losse) dagplanning opmaken.

Bij het kiezen van CD’s laat ik mij leiden door het toeval, ik neem telkens een willekeurige CD uit telkens een ander rek – er zijn14 rekken/laden. Vandaag had ik dan Schubert’s Winterreise vast, een heel oude opname uit 1954 met de bariton Hans Hotter en aan de piano Gerald Moore, een monument dus. Met Didier Eribons Foucault op de voorgrond lukt het allerminst om Schubert op de achtergrond te houden, dus regelmatig opgehouden met lezen om te luisteren naar het verhaal van die ongelukkige, afgewezen jongeling die in de koude winternacht ronddoolt. Ondanks de oude opname, heel mooi vertolkt. Sehnsucht neemt dan bezit van mij of noem het nostalgie: herinneringen aan prachtige uitvoeringen, aan prachtige opnames (Dietrich Fischer-Dieskau spant m.i. nog altijd onbetwistbaar de kroon), maar ook dat in gedachten dwalen in dat onbestaande dromenlandschap van de romantiek: de bron voor de stadpoort met de lindenboom, de postkoets met al zijn brieven, maar niet meer voor hem… En toch nog een hoofstukje opgeschoven in de biografie van Fouks, zoals sommige van zijn vrienden Foucault noemden, Fouks of Fuchs, de Duitse vos. Een hyper-intellectuele driftkikker die met weinigen overeen kwam (ik zit nog maar in zijn jonge jaren, hij is nog een twintiger), een volmaakt sarcast heb ik de indruk die met zijn ongenuanceerde opmerkingen anderen de bomen in kon jagen. Leuk is wel om al die andere namen die je zo links en rechts wel eens tegen komt, daar nu verzameld te zien: Sartre, Merleau-Ponty Blanchot, Lacan, Derrida, Barthes, Lyotard, Garaudy, Le Roy Ladurie (die van Montaillou, een verwoed communist, dat wist ik niet), Althusser (Foucault noemde zijn leermeester Thusse), René Char, de piepjonge Pierre Boulez, intussen ook al vier jaar gestorven en ik vergeet er nog wel een paar, want ik heb het boek hier niet bij me. Geen vrouwen in dit rijtje, al waren die er wel, maar voor mij wel onbekend, nu ja Foucault zelf was een notoire homoseksueel die niet zozeer sukkelde met zijn gevoelens (dat deed hij juist niet), dan wel met het niet mogen of kunnen uiten of beter met het onbegrip dat toen nog bij velen - intellectuelen en communisten – heerste. Dominique Fernandez – een nog notoirdere homofiel verweet Foucault trouwens zijn zwijgen daarrond. Althusser wond er geen doekjes om: Foucault is – na drie jaar actief lidmaatschap - uit de Communistische partij gestapt omwille van zijn geaardheid. Homoseksualiteit in het communisme was nu eenmaal not done en verwerpelijk. Straks vertrekt ik met hem naar Zweden, maar dat is voor morgen.

 

Week 3 - 9 mei 2020

Maandag 4 mei 2020

Het was zomer. Dat klinkt al behoorlijk voorbij. Het was. Die zomer behoort dus al tot het verleden, maar als wij over die zomer schrijven, zitten wij er nog midden in. Eigenlijk had ik liever geschreven: het bleef zomer, want iets dat bleef is er nog, want het blijft ook. Het bleef zomer is met andere woorden net hetzelfde als zeggen: het blijft zomer. Weinig werkwoorden hebben in de verleden tijd dezelfde betekenis als in de tegenwoordige tijd. Hoe dan ook: het was zomer en dat is ook de eerste zin, of beter het begin van de eerste zin uit het verhaal De Landweg van Regina Ullmann.

 

 

© Copyright 2020  ALLE RECHTEN VOORBEHOUDEN   hetbeleefdegenot.be

Contact: info@hetbeleefdegenot.be - tel. 0498/73.58.73

Laatst bewerkt: 07 juli 2020

a