HET

BELEEFDE

GENOT

 vzw

hetbeleefdegenot.be
Home
    Even voorstellen
Wie is wie?
    Lid worden
Te beleven
Beleefd
Toverberg
Publicaties
Fotogalerij
Kunstenaars
 
Links/Sponsors
Contact


HET BELEEFDE GENOT vzw

Coronadagboek Bart

 

Week 3 - 9 mei 2020 Week 12 juli - 18 juli 2020 Week 20 sep. - 26 sep. 2020
Week 10 - 16 mei 2020 Week 19 juli - 25 juli 2020 Week 27 sep. - 3 okt. 2020
Week 17 - 23 mei 2020 Week 26 juli - 1 aug. 2020 Week 4 okt. - 10 okt. 2020

Week 24 - 30 mei 2020

Week 2 aug. - 8 aug. 2020 Week 11 okt. - 17 okt. 2020
Week 31 mei - 6 juni 2020 Week 9 aug. - 15 aug. 2020 Week 18 okt. - 21 okt. 2020

Week 7 - 13 juni 2020

Week 16 aug. - 22 aug. 2020  
Week 14 - 20 juni 2020 Week 23 aug. - 29 aug. 2020  
Week 21 - 27 juni 2020 Week 30 aug. - 5 sep. 2020  

Week 28 juni - 4 juli 2020

Week 6 sep. - 12 sep. 2020  
Week 5 juli - 11 juli 2020 Week 13 sep. - 19 sep. 2020  

 

Week 18 oktober - 21 oktober 2020

 

Woensdag 21 oktober 2020

Alles is tijdelijk, hoe dan ook…

 

Dinsdag 20 oktober 2020

Ik had al liggen denken (in een bed lig je normaal hé, vandaar: liggen denken), nu de inspiratie mij stilaan in de steek laat, kan ik misschien een verhaal of een roman beginnen, of iets tussenin: een novelle. Kan iemand mij zeggen wanneer een verhaal eindigt en een novelle begint, idem dito voor het koppel novelle-roman. Soit. Gewoon beginnen te vertellen, in dagelijkse stukjes, in zekere zin iets feuilletonachtig. Gewoon eraan beginnen en niet weten waar we gaan uitkomen, in de loop van het verhaal zullen we dat misschien wel weten en dan naar het einde toeschrijven. Dat lijkt me niet erg professioneel (uitgewerkt plan, schema, beschrijving van de personages enz.), maar ik beschouw dat dan ook als een experiment. Personages uitvinden onderweg, het lijkt mij wel aantrekkelijk, maar of dat een juiste methode is, ik betwijfel het. We zien wel. En kijk, om te beginnen moet je al een keuze maken van plaats en tijd. Je zou natuurlijk kunnen mikken op een tijdloos verhaal, een verhaal waaraan je niet kunt merken en het ook niet relevant is in welke periode het zich afspeelt. Dat betekent onder meer dat er geen auto’s in mogen voorkomen, te voet gaan doet de mens al sinds de Neanderthaler. Nu ik denk dat deze ‘los van plaats- en tijdoptie’ te hoog gegrepen is, ik ben nu ook geen Georges Perec of een van zijn Oulipo-trawanten, die zoiets wel zouden aangedurfd hebben denk ik. Wishful thinking? Een beetje toch, ik moet er eens dieper over nadenken – liggend of zittend. Er was eens…

 

Maandag 19 oktober 2020

Het moest er maar eens van komen. Dus heb ik mij een halve namiddag opgesloten in mijn bureautje (mijn kapel, voor de intimi of zij die denken dat te zijn) en met een leeg blad voor mij (geen leeg scherm) begonnen aan wat de bijschriftgedichten zouden moeten worden. Wat geleerder: de ekphrasistische gedichten. Een licht achtergrondmuziekje (minimal music van Yann Tiersen en Michael Nyman)… wat deze besloten sfeer betreft mag ik niet klagen. Nu nog de inspiratie. Eventjes de wedstrijd waarover het gaat in herinneringen brengen. Een of meerdere gedichten schrijven (ekphrasistische gedichten = gedichten die handelen over de eigen kijk van de dichter op een kunstwerk, waarbij de lezer zich een beeld moeten kunnen vormen over die werken) over een van drie gepresenteerde Brugse kunstwerken. Dit Brugse is misschien wel het belangrijkste aspect voor de jury. Maximum tien regels lang (kwestie van de jury wat te sparen, veronderstel ik). Goed, de opgelegde kunstwerken zijn: het Brugse belfort, het schilderij van Jan Van Eyck ‘Madonna met kanunnik Van der Paele’ en het fraaie beeld ‘De goden bezoeken Brugge’ van Jef Claerhout op de Walplaats.

Dit heb ik er in eerste (!) instantie van gebrouwd:

 

Belfort

 

Het slingert uit de toren.

Het zijn de klokken en de klanken,

het roze van de dageraad

bedriegt.

Donker zijn de dagen,

donder zijn de slagen

In plassen zie je galmgaten,

tien- en honderdvoudig,

nachtstilte valt

geen regen meer, geen wind.

 

De uren van de liefde

 

Klokslag negen zet zij haar klok gelijk,

net als in Praag of Wenen en net als bij haar thuis.

Oppervlakkig is de tijd geworden.

Waar zijn ze dan, de eeuwen?

Die klanken van barmhartigheid?

Zij blikt naar boven, schouwt de toren

en in haar ziel verdwijnt het galmen van het lied.

Een zucht:

waar is de klank, die kleur die liefde heet?

Waar vindt zij die?

 

Bleu, blanc, rouge

 

Bleu, blanc, rouge.

Als blauw zo gauw – de morgen

wit – je hoed af voor de onschuld

en rood, centraal geplooid, gedraaid.

Blanc, rouge, bleu.

Met goud beschenen,

chapeau en hoedje af.

Het zilte wit

het kuise rood

blauw, blauw

 

Windstilte

 

Zijn stilte is de stilte van de Maagd

Wie roept die zwijgt maar beter,

wie zwijgt die strijkt de plooien glad.

Magnificat anima mea Dominam,

een lied van Arvo Pärt,

de rode meesteres ter ere.

Versteende eenvoud wordt tot pracht.

De ene staat, de andere zit,

wie knielt die ziet en is gezien.

Sicut locutus est ad patres nostros.

De goden bezoeken Brugge

 

Hoe zij daar kantelen over de kasseien,

los van de Olympos.

Ze duiken, scheren langs de reien,

scharlaken klinken nu hun echo’s,

hun paarden zwenken,

de goden brullen, schateren.

Weer zijn ze dronken.

Hoort! Ze huilen, gillen,

klinken op de stad

in ‘t diepst van hun gedachten.

 

Goden in Brugge

 

Hun wimpers trillen

wielen wentelen, vibreren, oscilleren,

de goden zoeken hun aanbidders.

De tijden moesten komen

maar zijn al lang voorbij.

De keuze tussen kant en wal:

‘Kant !’ gilt de ene god, ‘Wal !’ sneert de andere.

Dat is het raadsel van de goden,

wat zoeken zij hier toch?

De wimpers van de goden trillen.

 

Zondag 18 oktober 2020

De feestelijke leegte van Händel tegenover de religieuze volheid van Bach. Nou, ja, het is wat simpel gesteld, maar dat is wat ik van de muziek van beide in 1685 geboren meesters vind. Met één grote uitzondering: The Messiah is toch wel een buitenaards, een machtig opus. Het is ook zo tot stand gekomen, althans als we de kronieken uit die tijd mogen geloven: tijdens een zelf gekozen lockdown van drie weken slaagt Händel erin zijn magnum opus bijeen te schrijven. Alleen al die eerste woorden van het oratorium gaan door merg en been, als je ze tenminste laat doordringen in je ziel: ‘Comfort ye, comfort ye, my people, saith your God’. Het komt uit Jesaja, mijn lievelingsprofeet (als je de rest van de tekst uit The Messiah hoort, weet je wel waarom). Comfort ye, comfort ye, my people, saith your God, speak ye comfortably to Jerusalem, and cry unto her that her warfare is accomplished, that her iniquity is pardoned. Als je dat geen moed en letterlijk levenswil schenkt. ‘Troost u, mijn volk!’ Dit eerste woord alleen al, die zelfs de hele Messias zou kunnen samenvatten: troost u! Maar daar-blijft het niet bij: alles, maar dan ook alles is je vergeven, wat je ook misdaan hebt, het is je vergeven, laten wij opnieuw met een propere lei beginnen. God, een God van troost? Hier geen feestelijke leegte dus, maar begrijp mij niet verkeerd, ook al klinkt dat woord leegte wat denigrerend (zeker in confrontatie met die volheid), ik hou van Händels muziek, zijn instrumentale werken (Concerti grossi, orgelconcerti, Water music, Music fort he Royal Fireworks,…) en zijn vocale werken. Ik denk hier bijvoorbeeld aan zijn opera Giulio Cesare in Egitto, wat zowat één lange quasi ononderbroken sliert van de prachtigste aria’s bevat. Persoonlijk hou ik nog het meest van de Engelse versie Julius Caesar in Egypt, met Dame Janet Baker in de rol van Julius Caesar (‘Jove shall rule the skies, Caesar the earth’).

En Bach dan. Onuitputtelijk en onuitsprekelijk ook. Elk van zijn cantates en natuurlijk zijn beide Passionen - een derde Lucaspassion heeft men trachten te reconstrueren, maar ik ben daar nogal sceptisch tegenover – het zijn juweeltjes of juwelen en in tegenstelling met veel andere en vaak grootse klassieke werken, kan je blijven luisteren naar stukken van Bach, altijd opnieuw en altijd weer, en telkens ga je nieuwe facetten, andere schitteringen ontdekken. Dat is ook zo met zijn instrumentale werken, het is wel iets dat mij fascineert, dit steeds weer iets anders iets mooiers iets subtielers ontdekken bij het herbeluisteren van Bach.

 

Week 11 oktober - 17 oktober 2020

 

Zaterdag 17 oktober 2020

17 oktober. Traditioneel de Dag van verzet tegen extreme armoede. Natuurlijk erg symbolisch allemaal, bijwijlen theatraal zelfs en veel gevoel van samenhorigheid tussen gelijkgezinden. Waar hebben wij dat nog meegemaakt? En toch is het belangrijk dat dit wel schandalig gegeven van armoede aangekaart wordt en voor de afbouw ervan geijverd wordt. Weer kijkt men hierbij naar de politici. Eigenlijk ook terecht vind ik, van wie moeten de armen anders steun verwachten? Zelf hebben ze geen stem genoeg of worden ze met een simpel gebaar afgewimpeld. Daar ligt onze maatschappij niet van wakker, liever de andere kant opkijken dan er iets aan willen doen. Een beetje verplichte solidariteit opleggen kan m.i. geen kwaad, en dat is de taak van (moedige) beleidsmensen en dan geen doekjes tegen het bloeden natuurlijk. Jammer genoeg zijn er nogal wat politici die Armoedebeleid eerder als een etiket zien om bij de rest van hun ‘bevoegdheden’ op hun kraag te spelden en intussen zowat de kampioen in mandaatzitjes bij allerlei intercommunales enz. zijn. Van hun zitpenningen alleen al zouden zeker meerdere families in armoede het wat comfortabeler kunnen hebben.

Wel opvallend was het ooit voor mij dat de melodie van het zogenaamde Vierde Wereldlied (wat de mensen uit de Vierde altijd heel fier en met opgeheven hoofd zingen) feitelijk bekend was als het lied  Die Moorsoldaten uit 1933 (‘Wohin auch das Auge blickt / Moor und Heide nur ringsherum’), voor het eerst gezongen in het Kamp Börgermoor, in het Noordwesten van Duitsland, vlakbij de Nederlandse grens. Straks ga ik (misschien) weer naar het jaarlijks ‘evenement’ in Brugge, dit keer in de Magdalenakerk aan het stadspark met als thema ‘Krijg jij de eindjes aan elkaar geknoopt’. Een meditatie en getuigenissen over armoede in tijden van Corona. Verschillende sociale verenigingen hebben er hun schouder onder gezet, en dan zijn er nog mensen van de Vierde Wereld zelf, de zogenaamde ervaringsdeskundigen (een lelijk woord vind ik). In de regie van (vooral) Jo en Bea zal het weer pico bello in orde zijn. Ach wat, een beetje tonen dat we solidair blijven.

 

Vrijdag 16 oktober 2020

De Spaanse filosoof Ortega y Gasset schrijft in een van zijn essays: ‘Goed schrijven impliceert een zekere krasse stoutmoedigheid’. Misschien is het dat wat ik miste in Stilte? Hah, ik houd van stoutmoedige schrijvers en nog meer van stoutmoedige schrijfsters. Zoals de bijna betreurde Amélie Nothomb bijvoorbeeld.

Waarmee ik nu ook gezegd heb dat ik (eindelijk) het major opus van Ortega y Gasset aan het lezen ben La rebelión de las masas als feuilleton in de Spaanse krant El Sol gepubliceerd tussen 1929 en 1931, nu (opnieuw) vertaald als De opstand van de massamens door Diederik Boomsma, fractievoorzitter van het CDA. Een eerdere vertaling, omwille van de titel alleen al berucht in ons taalgebied, luidde ‘De opstand van de horden’. Nou, zeg nu zelf: massas = horden? Dat is toch wat van de pot gerukt.

Net als vele andere eminente persoonlijkheden en uw minder eminente dienaar beweerde Thomas Mann ooit dat ‘de massamens de grootste bedreiging van de cultuur van onze tijd’ was. Maar wat bedoelt Ortega dan met die massamens? Daarvoor zou je natuurlijk zijn opstand moeten lezen, maar de kortste omschrijving geeft hij zelf: ‘Wie of wat is dan die massamens? Kortgezegd is hij een mens zonder bescheidenheid.’ Juist of juist? Maar dat impliceert natuurlijk wel heel wat. En eigenlijk schrijft hij dat ook ergens (hij heeft het wel over Spanje van 1930, maar mutatis mutandis geldt dat nog (meer) voor heel Europa anno vandaag: ‘Wat Spanje nodig had, was discipline – intellectuele, morele en esthetische discipline’. U leest het goed, ook esthetische discipline (een van mijn stokpaardjes), misschien wel de hoofdreden waarom ik vijftien jaar geleden Het Beleefde Genot heb opgericht. Diepgang. En om diep te gaan heb je veel adem, veel discipline nodig. Ortega was beslist een visionair denker: een verenigd Europa, globalisering hij heeft het allemaal aangekondigd. Niettemin heel wat zaken die, alhoewel gekend, wij (of de massa) niet willen weten, zoals de waarheid dat leven altijd leven met is. Neem nu zijn uitspraak: ‘Daarom is het cruciale en onvermijdelijke feit niet mijn existentie, maar mijn co-existentie met de wereld’. Het gedoemd zijn tot vrijheid van Sartre kondigt zich al aan als Ortega beweert dat ‘de mens fataal gedwongen (is) tot vrijheid. Hij moet keuzes maken, het is zelfs een keuze om geen keuzes te maken.’ En of, zou ik zo zeggen. Wat mij ook opvalt is het feit dat Ortega y Gasset het nergens over elites heeft, maar zich steeds bedient van de term (culturele) minderheid tegenover de meerderheid (van de massa). Ik zit nog maar 100 (van de 250) bladzijden ver, maar tot nu toe ben ik het nog altijd roerend eens met hem.

 

Donderdag 15 oktober 2020

Nogmaals Stilte. Intussen is het boek uit en heb ik de film bekeken. Nja, verre van laaiend enthousiast. Moet ik die roman met de ogen van iemand uit 1950 bekijken? Misschien dat ik dan wat in vervoering zou geraken? Ik denk het niet. Als Enzo de bedoeling had een soort christelijk epos te schrijven dan heeft hij dat goed geprobeerd maar is daar mijn inziens niet echt in geslaagd. Te vlak, te gezocht soms, waarmee ik bedoel dat hij per sé een opening zoekt waarin hij bijvoorbeeld een Bijbelpassage kan citeren, die dan ook vindt, maar het is er dan zo aan geplakt dat het wat artificieel aandoet.

Katholieke hardliners en would-be martelaars gaan hier misschien een religieus orgasme beleven, maar daar ben ik te oud en wellicht niet katholiek genoeg voor. Toch geef ik toe dat er een verhaal in zit dat weliswaar door nogal wat toevalligheden zijn animo moet krijgen, en dat doet weinig geloofwaardig aan (iets wat een roman wel niet hoeft te zijn, maar als je daar een soort documentaire onderbouw wil aan geven, dan frons je wel eens de wenkbrauwen).

Goed, laat ik er even Aidan Chambers’ lijstje bijnemen.

1.    Wat vond je leuk? Wat is je opgevallen? Waar had je meer over willen lezen? Voor dat soort verhaal is ‘leuk’ wel wat ongelukkig gekozen, er is helemaal niets leuks aan en dat is ook de bedoeling (het eerste dat mij opvalt). Verder valt mij de structuur op: beginnen met enkel briefhoofdstukken van padre Rodrigo aan zijn overste wellicht), plots overschakelen op enkele hoofdstukken pure vertelling vanuit een derde persoon en dan besluiten met een drietal hoofdstukken uit het dag- of logboek van een Hollandse zeevaarder. Een opzet die mij (lichtjes) stoort. Akkoord, in zo’n documentair aandoend verhaal kon Rodrigo moeilijk over zijn eigen dood schrijven, nou laat dat dan weg of voeg er een slotparagraaf aan toe (zoals bij de aftiteling op het einde van een film: dit en dat is er met de hoofdpersoon gebeurd, los van de rest.

2.    Wat vond je niet leuk? Stukken die je vervelend vond? Stukken overgeslagen? Tweemaal neen, vervelend zou ik sommige passages niet noemen, ook niet langdradig, eerder overbodig.

3.    Wat was er moeilijk of onduidelijk? Niets eigenlijk. Wat vond je vreemd? Tja, ik vroeg mij af: wat komen die padres in Japan eigenlijk doen, behalve handen opleggen, zegenen en words, words, words… klinkt wat oneerbiedig, maar ik kan daar gewoon niet inkomen. Verassingen?. Ach, dat er achter een titel als Stilte zo’n wreedaardige kroniek zat, maar de titel is zeker terecht gekozen en het is al vlug duidelijk dat het over de stilte van God gaat.

4.    Patronen of verbanden? Verbanden ja, met die andere m.i. veel mooiere en spannender roman van David Mitchell, De niet verhoorde gebeden van Jacob de Zoet. Patronen? Al vermeld: brieven (ik) – verhaal (verteller) – logboek (chroniqueur)

En de film dan? Ondanks de duur (2 ½ uur) gekruid met veel (ook innerlijke) actie. Film volgt heel strak het boek. Goede vertolking, sommige decorstukken (tentzeil op het strand bvb., perfect afgewerkte gevangeniscel van Rodrigo – recht van de schrijnwerker afkomstig) komen wat kunstmatig over. Of een stad (Edo) en zijn huizen en tempels in Japan er in die tijd zo clean uitzagen betwijfel ik. De film houdt je wel de hele tijd vast, misschien ook omdat je met het boek in je hoofd naar de (volgende) scènes uitziet.

Conclusie: ik zou Stilte niet direct literatuur noemen, al is lectuur ook wat te denigrerend geformuleerd. Ideale feuilletonliteratuur?

Ik begrijp alleszins niet waarom daar kreten als ‘meesterwerk’ en ‘onovertroffen’ en zo meer tegenaan gegooid worden.

 

Woensdag 14 oktober 2020

Met volle overgave aan Stilte van Shusaku Endo begonnen en al snel de indruk, jaja, laat het nu maar eens echt beginnen. Niet dat er niets verteld wordt, integendeel, misschien wordt er teveel verteld, maar dan zaken die mij niet bijster aanmoedigden om verder te lezen (al heb ik altijd een begonnen boek verder gelezen tot het uit was, ook nu dus). Een missionarisverhaal, hoe de volgelingen van Franciscus Xaverius met alle moeite en gevaar van hun aardse (!) leven het katholicisme in het Japan van de 17de eeuw trachten te beschermen, in leven te houden. Met de nuchtere blik van een XXIste eeuwer komt het nogal gepasseerd over. Opvallend hoe twee kenmerken van elke godsdienst hier ook sterk naar voor komen: een verregaande naïviteit van de onwetende en een niet nadenkende massa en een fanatieke houding van de doorwinterde leden en het ergste zijn natuurlijk de volgelingen die beide kenmerken in zich hebben (in de politiek is dat zeker zo: de simpele zielen die meehuilen met de wolven en de verdorven leiding). Hoe noemt men dat soort mensen tegenwoordig? Fundamentalisten zeker? Pater Sebastian Rodrigo uit de eerste honderd bladzijden is er zo een, maar dan vooral naïef heb ik de indruk. De stilte van God is er het thema par excellence. Waarom verroert God zich niet bij al dat onrecht ten overstaan van zijn uitverkoren mensen? De fameuze theodicee komt hier natuurlijk om het hoekje kijken, al wordt die niet expliciet vermeld, enkel één (bekend) facet wordt aangeroerd. Als God almachtig is en als God oneindig goed is, waarom is er dan kwaad en lijden in de wereld? Het antwoord voor een goddeloze kan dan vrij simpel lijken; ofwel is God niet almachtig, want Hij kan het kwaad niet uitroeien, ofwel is hij niet algoed, want hij wil het lijden niet wegnemen. En wat zegt de religieuze mens dan daarover? Om te beginnen, hij heeft er boeken en boeken over geschreven, heeft erover gedebatteerd tot in absurdo maar komt vaak tot de simpele vaststelling – zo ook bij Padre Rodrigo: Gods wegen zijn ondoorgrondelijk, Hij zal wel ergens een bedoeling hebben, het past in zijn grotere heilsplan enzovoort, enzovoort. Wat natuurlijk zonder meer een laisser-faire in de hand werkt, laat komen wat komt, het zal wel ergens toe dienen. En dan is er die taal in de roman, zowat het omgekeerde van vernieuwend (al ben ik de laatste om te beweren dat het idioom van een roman per sé vernieuwend moet zijn), alles mooi op een rijtje (en inderdaad wel mooi). Er is wel een wat gebrekkige poging om dat te doorbreken door het eerste deel te vullen met zogenaamd brieven van Padre Rodrigo, wij weten niet eens aan wie, aan zijn oversten wellicht. Een stijlmiddel dat ook al vaker gebruikt is. Een kampvuurvertelling met plastische beelden verrijkt, je zou er zo een film bij kunnen denken, die film is trouwens ook gemaakt, door Martin Scorese nota bene, Silence uit 2016. Na het boek ga ik zeker de film bekijken, wat misschien aanleiding zal geven tot de zeer klassieke vraag: het boek of de film? Wat is het beste? Het antwoord ken ik nu al: het boek, omdat een film nooit in staat is alles van een roman weer te geven en zeker niet de monologues intérieures of de gedachten van de personages.

 

Dinsdag 13 oktober 2020

De stilte van de wereld voor Bach. Het waren de eerste woorden die mij te binnen schoten toen ik het boek voor de volgende bijeenkomst van de leesgroep in mijn handen nam. Stilte van de katholieke Japanse schrijver Shusaku Endo (1923-1996), deze hoedanigheid, katholiek, is wel belangrijk. De stilte van de wereld voor Bach heeft natuurlijk niets te maken met het boek van Endo, het is de titel van een bundel en (het titel)gedicht uit deze bundel van Lars Gustafsson, een Zweeds schrijver van romans en dichter, geboren in 1936 en vier jaar geleden gestorven.

Er moet een wereld bestaan hebben voor

de Triosonate in D, een wereld voor de partita in A mineur,

maar hoe zag die wereld eruit?

De beginregels van dit gedicht. Eenzaamheid overal zegt de dichter, enkel geluid van bijlen van houthakkers, blaffende honden, en ‘schaatsen klauwend in glansijs’. Schaatstilte dus, want nergens Bach, nergens Bach. Wat leven wij toch in een bevoorrechte tijd, met Bach en zijn epigonen! Maar goed het boek van Endo dus. Wat ik na mijn gedachten aan het gedicht van Gustafsson dacht had ook nog niets met de roman te maken, maar met mijn aangeboren (kan niet hé) idee over Japan: het land van de stilte. Nee, niet aangeboren maar wellicht veroorzaakt door twee vroege confrontaties met Japan (en de bevestiging daarna). Vaag herinner ik mij de film Het naakte eiland, een (cult)film uit 1960 van de Japanse regisseur Kaneto Shindô. Voor zover ik het nog weet wordt er in deze film geen woord gesproken. Waarover het gaat ben ik vergeten, maar die (zwartwit?) beelden van dat eiland, de kust, de zee, de bergen dat zweeft nog wat rond in mijn geheugen. Japan, het land van de stilte, later – ik vermoed eerste kan – kwam ik in contact met het Zenboeddhisme, een – laat ik even een religie noemen, al is het meer en minder dan dat – religie dus die mij wel aantrok omwille van dat erg meditatieve karakter. Ik zat toen wel een beetje in die spirituele kringen die dweepten met vooral het Oosten (yoga nooit beoefend evenwel – ahimsa of geweldloosheid van Gandhi en Lanzo del Vasto, meditatie, zenboeddhisme, …). Weer stilte dus en dit wordt bevestigd door de pelgrimstochten van Bashō, de grote haikudichter uit de 17de eeuw die ik in die tijd ontdekte en ook wel de Japanse tuinen die die stilte uitademen (of was ik toen al bevooroordeeld?). En dan is er nog dat boekje van Kenkō dat ik onlangs las: De kunst van het nietsdoen. Nietsdoen niet direct een synoniem van stilte, maar wel een pleidooi om buiten het gewoel van de massa te verblijven. Japan dat is zwijgen (Het naakte eiland), sensualiteit (Hiroshima, mon amour; het hoofdkussenboek), onthechting en loutering (zenboeddhisme), bespiegeling (Japanse tuinen), in zekere zin allemaal uitingen van stilte en zachtheid.

 

Maandag 12 oktober 2020

Twee windgedichten behoren sinds jaar en dag (dat wil zeggen al zeker zo’n vijftig jaar) tot mijn lievelingsgedichten: Auschwitz van Gerrit Achterberg en Ruiterliedje van Federico Garcia Lorca. Auschwitz gaat door merg en been, nergens heb ik een treffender beeld gevonden (behalve dan bij Paul Celan in Todesfuge, wat misschien het sterkste gedicht uit de tweede helft van de XXe eeuw is, je weet wel: Schwarze Milch der Frühe, wir trinken sie abends). Maar Auschwitz – behalve die sidderende inhoud, bevat ook een prachtig woord (neologisme? Nee, eerder een lang vergeten werkwoord, Bredero heeft het nog als een der laatsten gebruikt): vermonden (ook mijn spellingchecker aanvaardt het niet), poëtisch (lijkt het nu) voor ‘met de mond meedelen’. Lees dit gedicht maar (traag en tweemaal graag):

 

Auschwitz

 

De wind vertelt het zonder het te weten.

Er is geen zegsman of gehoor gebleven

die u vermonden. Gij zijt opgeheven.

Ik weet opnieuw, dat ik u ben vergeten.

 

Linten van lucht, in trilling weggedreven,

kwamen de woorden niet weerom, de feiten

konden geen taal behouden en versleten.

 

Ieder bewustzijn bracht zich om het leven.

Met geblindeerde treinen meegegeven,

grauwe wagon op dood spoor afgehaakt

ergens in vreemde oorden staat gij daar.

 

Krijtletters door mijn eigen hand geschreven

bestemmen u van buiten koud en klaar

voor deze plek, waar gij werd afgemaakt.

 

De geblindeerde treinen en de  krijtletters doen mij denken aan dat korte, maar beroemd/beruchte stukje uit de zgn. Westerborkfilm waarin dat meisje nog even kan naar buiten kijken vooraleer de treinwagon op weg naar Auschwitz gesloten wordt. Na onderzoek achteraf is gebleken dat het om de tienjarige Settela Steibach gaat en dat zij bovendien niet Joods was maar tot de Roma behoorde.

 

 

Ook het Ruiterliedje (Canción del Jinete) van Lorca heeft mij al sinds mijn middelbaar ingepalmd. Zo licht en vrolijk, dansant bijna (lees het maar eens in het Spaans, zelfs al begrijp je de taal niet, een caleidoscoop van klanken!), maar met een zeer dramatische ondertoon. Doet mij altijd denken aan De tuinman en de dood van Pieter Nicolaas Van Eyck (Vanmorgen ijlt mijn tuinman wit van schrik).

 

Canción Del Jinete

 

Córdoba.

Lejana y Solá.

 

Jaca negra, luna grande,

y aceitunas en my alforja.

Aunque sepa los caminos,

yo nunca llegare a Cordoba.

 

Por el llano, por el viento,

jaca negra, luna roja.

La muerte me está mirando,

desde las torres de Córdoba.

 

¡Ay qué camino tan largo!

¡Ay my jaca valerosa!

¡Ay que la muerte me espara,

antes de llegar a Cordoba!

 

Córdoba.

Lejana y solá.

 

Ruiterliedje

 

Cordoba.

Ver en eenzaam.

 

Zwart paardje, grote maan

en olijven in mijn tas.

En ook al ken ik de wegen,

Nooit zal ik komen in Cordoba.

 

Door de vlakte, door de wind

Zwart paardje, rode maan.

Ay, de dood staart mij aan

vanaf de torens van Cordoba.

 

Ay, zo lang de weg!

Ay, mijn dapper paardje!

Ay, dat de dood op mij wacht

aleer ik aankom in Cordoba!

 

Cordoba.

Ver en eenzaam.

 

(eigen vertaling)

Vooral die Aunque en nunca, als je de woorden wat oprekt dan klinken ze voor mij als een gierende wind of een huilende wolf en natuurlijk dat beeld, zo typisch Spaans als je er de Andalusische vlakten bij denkt: ver een eenzaam, van het begin tot einde.

 

Zondag 11 oktober 2020

De wind vertelt het zonder het te weten. In een ommezien had ik zo’n een twintigtal windgedichten, dus maar tijdig gestopt, want ik heb er maar tien die ik mag/kan weerhouden. Zou ik een aantal criteria gebruiken om mijn keuze te verantwoorden? Gendergelijkheid? Dat lijkt mij moeilijk gezien het aantal dichters versus dichteressen (ik heb het vooral over vroeger tijden, nu lijkt die ongelijkheid stilaan gekeerd), periodes? Uit een grote tijdswaaier of enkel levende dichters (copyright!), Nederlandstalige of proberen wij een kosmopolitisch gezelschap te assembleren? Bekende of onbekende dichters of een mix? Een criterium die ik sowieso gehanteerd heb, is de omvang, de lengte van het gedicht: maximum één bladzijde. Ik som mijn preselectie even op. Het zijn er vijftien geworden, maar de favoriete tien zijn reeds afgescheiden. In chronologische volgorde (volgens het geboortejaar van de dichter of dichteres). En gendergelijkheid! Ik kies voor vijf dichteressen en vijf dichters. Hier gaan ze:

1

Sappho van Lesbos

-630  - -580

Hellas

Eros ontwortelt mijn hart

V

2

Li Qingzhao

1084-1155

China

Lente in Wuling

M

3

Pierre Ronsard

1524-1585

Frankrijk

Wie graag wil zien hoe Amor me’overmande

M

4

Marina Tsvetajeva

1892-1941

Rusland

Het is in heel mijn grote stad (uit 'Insomnia')

V

5

Federico Garcia Lorca

1898-1936

Spanje

Ruiterliedje

M

6

Maurice Gilliams

1900-1982

Vlaanderen

Requiem

M

7

Gerrit Achterberg

1905-1962

Nederland

Auschwitz

M

8

Virginia Hamilton Adair

1913-2004

VSA

Wederkomst

V

9

Wisława Szymborska

1923-2012

Polen

Het niets heeft zich ontniet, ook voor mij

V

10

Fatena Al-Ghorra

1977

Palestina

Mijn voeten vastgenageld

V

 

Emile Verhaeren

1855-1916

België

De oude daken van stro (uit 'De wind')

M

 

William Shakespeare

1564-1616

Engeland

U vergelijken met een zomerdag?

M

 

Kart Vennberg

1910-1995

Zweden

Ik lig uitgestrekt in een boot bij de landtong

M

 

Andreas Burnier

1931-2002

Nederland

Wie zal de nacht in strikken binden?

V

 

André Brink

1935-2015

Zuid-Afrika

uit ('n Ogenblik in de wind)

M

 

 

Week 4 oktober - 10 oktober 2020

 

Zaterdag 10 oktober 2020

Tussendoor, nou ja tussendoor, ik probeer altijd tussen twee romans een stevige portie non-fictie tot mij te nemen en omgekeerd, tussen twee denkboeken een roman of novelle. Dus heb ik vandaag, na De vulkaanminnaar (en voor Stilte van Shusaku Endo) de biografie (of een biografie) van Virginia Woolf ter hand genomen. Een stevige portie zou ik deze biografie wel niet durven noemen, het is een deeltje uit Kwadraat Monografieën, dus ook niet zo uitgebreid 150 bladzijden) en veel beeldmateriaal (zij het niet zoveel als in de Rororo-monographien). De schrijver deed even mijn wenkbrauwen fronsen: John Lehman. Familie van die Lehman die aangesloten was bij Hogarth Press van Leonard en Virginia Woolf? Even opzoeken toch, en neen hij was geen familie, hij was het namelijk zelf in persoon. Wordt dat dan een objectieve biografie (voor zover een biografie objectief kan zijn)? Te dicht bij de persoon staan heeft zo zijn nadelen (gevaar voor een hagiografie) maar beslist ook zijn voordelen (men is meer betrokken bij het reilen en zeilen van zijn onderwerp). Ook opvallend is dat zijn boek pas in 1975 verschenen is onder de titel Virginia Woolf and her world, met andere woorden 34 jaar na de dood van Virginia. Zelfde opmerking: nadeel? Ja, want veel kan al verdampt zijn of in minder betrouwbare herinneringen zijn overgegaan, voordeel: een en ander kan al wat bezinken, kan aanleiding geven tot bepaalde relaties die men pas na verloop van tijd gaat onderscheiden. Ik vermoed dat veel van de pas verschenen biografieën van wie dan ook al voor 90% geschreven zijn en dat er pas bij de dood van de beschreven man of vrouw in kwestie vlug een paar bladzijden over de laatste levensdagen bijgeflapt worden. Mij ooit verwonderd dat nauwelijks twee jaar na de dood van Marguerite Yourcenar, Josyane Savigneau een uitgebreide biografie uitbracht.

En wat weet ik nu meer over Virginia Woolf? Veel (niet altijd zo interessante) details, de hoofdlijnen wist ik al of werden mij weer in herinnering gebracht, van nogal wat details was ik ook op de hoogte, toch blijft die levensgeschiedenis mij boeien en zoals altijd krijg ik dan weer zin om haar boeken te lezen of te herlezen. Bij deze laatste alleszins The waves (De golven) en bij die eerste categorie zeker The Years (De jaren). Krijg ik nog een paar jaren voor die Jaren?

 

Vrijdag 9 oktober 2020

Wat schreef Rilke weer in zijn Florentijns Dagboek: ‘Een Italiëgids zou slechts één woord mogen bevatten: kijk!’ Ik kan het hiermee volledig eens zijn. Niet dat ik zo ontzettend veel in Italië geweest ben (in elk geval veel te weinig), maar gekeken heb ik en genoten van al die vaak vergane schoonheid. Voelde ik mij het meest thuis in Ferrara, andere steden kregen mij toch ook in de ban: Verona, Venetië, Milaan, Bologna, Siena, Mantua, Ravenna, Florence en ja ook Rome natuurlijk. Drie grotere steden heb ik evenwel nooit bezocht: Genua, Turijn en Napels, de stad van de vulkaanminnaar. En inderdaad als ik er nog één zou mogen uitkiezen dan zou het zeker Napels zijn. Vedi Napoli e poi muori! op zijn Napolitaans. Napels zien en sterven. Voor de stad maar misschien nog meer voor de legendarische baai en voor de nabijheid van de vier vulkanen: Vesuvius, Etna, Stromboli en Vulcano. Een beklimming van een of meer ervan lijkt me niet meer tot de mogelijkheden te behoren, al staan ze bovenaan mijn verlanglijstje (voor de jongere generatie: mijn bucket list). Op Google Earth krijg je wel een machtig schouwspel als je die vuurbergen in 3D bekijkt en er even ronddraait. Een interessante bezoeker aan Napels, die ook zijn opwachting maakt in De vulkaanminnaar is onze Geheimrat uit Weimar, Johann Wolfgang Goethe. Susan schildert hem nogal af als een bangerik wanneer hij samen met de schilder Tischbein de helling van de Vesuvius beklimt, zelf horen wij van hem een lichtjes ander verhaal in zijn meesterlijk reisdagboek, zijn Italienische Reise, zelden heb ik zo geslurpt van een reisdagboek als van de Italiaanse reis, met dank aan de leden van de Derde Wereldraad van Zedelgem, die mij naar aanleiding van mijn afscheid als voorzitter een boekenbon gegeven hadden, en daar mee kon ik twee prachtige boeken kopen: Goethes Italiaanse reis en de biografie van Federico Garcia Lorca door Christian De Paepe en Bart Vonck, ik denk dat we toen in het Lorcajaar waren, 1989 dus, de honderdste verjaardag van de Spaanse dichter.

Ik heb voor de gelegenheid nog eens Goethes Italiaanse reis opengeslagen bij zijn aankomst te Napels op 25 februari 1787. Hij was bij zonsopgang vertrokken uit Sant’Agata nabij Sorrento, toch wel een kleine 50 km stappen, blijkbaar rond de Vesuvius, want hij beweert dat hij ‘de geweldig rokende Vesuvius steeds aan zijn linkerzijde hield’. Hij verblijft een goeie maand in Napels, ontmoet er ook Lord Hamilton die hij vooral prijst voor zijn kunstverzameling en zijn (toekomstige) vrouw (‘het meesterstuk van de grote Maker)’: ‘Sir Hamilton heeft hier het toppunt van alle kunst- en natuurgenot gevonden in een mooi meisje’ dat voldoet aan de hoedanigheden door Susan Sontag in De Vulkaanminnaar beschreven: ‘haar bonte reeks lichaamshoudingen gebaren, gelaatsuitdrukkingen, …’. Na Napels reist Goethe door naar Sicilië, maar op 17 mei is hij terug in Napels waar hij opnieuw Hamilton opzoekt. ‘Hamilton en zijn schone bleven onverminderd hartelijk jegens mij. Ik heb bij hen gegeten en toen het donker werd etaleerde miss Hart ook haar muzikale en lyrische talenten.’ Begin juni 1787 verlaat Goethe Napels.

 

Donderdag 8 oktober 2020

Dunne boekjes of dikke turven? Geef mij maar zwaar maar goed in de hand liggende exemplaren. Vanaf 400 bladzijden begint dat te tellen. Niet dat er geen fijne – letterlijk en figuurlijk – belletrie bestaat, heel zeker zijn daar juweeltjes in te vinden, er schieten er mij een paar te binnen: Moderato cantabile van Marguerite Duras, Yeux bleus, cheveux noirs, ook van Duras, Alexis ou le traité du vain combat van die andere Marguerite (niet bepaald de vriendin van de eerste), Yourcenar dus, Le miroir de Venise van Jules Vuillemin, Die Leiden des jungen Werther van Goethe (wat is dat lang geleden!), Elias of het gevecht met de nachtegalen van Maurice Gilliams, Deirde en de zonen van Usnach van Adriaan Roland Holst, Het dwaallicht van Willem Elsschot, The old man and the sea van Ernest Hemingway (die herinner ik mij nog uit de humaniora, verplichte lectuur en daardoor in het begin minder geapprecieerd), dus ja nog een hele reeks als ik wat verder zou zoeken in mijn chaotisch hoofd. Maar toch kies voor wat substantiëlere brokken – uiteraard op voorwaarde dat ze uitmuntend zijn -, daar mag je alvast bijna het hele œuvre van Thomas Mann toe rekenen: De Toverberg, Doctor Faustus en een jaar of twee geleden Jozef en zijn broeders (een machtig epos!). Het heerlijke in dat soort romans is dat je daar zolang mee samenleeft, dagen, soms weken na elkaar. De Russen kennen er ook iets van Misdaad en Straf van Dostojevski, De meester en Margarita van Boelgakov, Oblomov van Gontsjarov. Don Quichot van Cervantes (ben ik beginnen lezen tijdens een ziekenhuisopname van jaren geleden), Ulysses van ons aller James Joyce en helemaal bovenaan zet ik A la recherche du temps perdu van Marcel Proust, oké zeven delen, maar die hangen toch allemaal aan elkaar. 2500 bladzijden? 3000 bladzijden? Ik weet het niet meer, ik heb er geloof ik een half jaar over gedaan. En nu dus De vulkaanminnaar van Susan Sontag, toch ook meer dan 400 bladzijden in redelijk kleine druk, ik zit nu al een flinke week opgescheept (soms vrij letterlijk) met in het eerste deel de Cavaliere, in het tweede deel vooral de held, admiraal Nelson en dan is er die subliem uitgewerkte driehoeksverhouding: de oude Cavaliere, zijn veel jongere (tweede) vrouw en de onverbiddelijke minnaar Lord Nelson. Sontag een opmerkelijke essayiste weet ook boeiend en snedig te vertellen.

 

Woensdag 7 oktober 2020

Eigenlijk zou ik kunnen stellen dat alles begonnen is met Beethovens vioolconcerto, zijn enige, zijn opus 61. Mijn grote liefde voor de klassieke muziek bedoel ik, al waren er wel twee voorlopers: BWV 147 en Händels Water Music. Met Bach was dat zo gegaan – misschien heb ik dat hier al ergens verteld – in mijn lagere schooljaren zong ik bij de zangertjes van Steenbrugge, officieel het Sint-Arnoldusknapenkoor. Elke veertien dagen zongen wij de mis voor radio Kortrijk, zoals Radio 2 toen heette, de mis in de abdijkerk van Steenbrugge, het gewone van de mis (Kyrie, Gloria, Credo, Sanctus, Agnus dei) en ook het introïtus, waarvan ik er tot nu toe verschillende (min of meer) uit het hoofd ken. ‘Dixit Dominus’ voor de Kerstnacht, ‘Puer natus est’ met Kerstdag, ‘Spiritus Domini replevit orbem terrarum’ met Pinksteren, ‘Viri Galilei’, wat staan jullie daar te gapen naar de wolken? bij O.H. Hemelvaart, enzovoort dus. Soms mochten wij ook een huwelijksmis opluisteren en zo gebeurde het, de orgelist – dat was toen mijnheer De Meester, de vader (of grootvader?) van de boekhandelaar aan de Dyver – speelde een interludium en ik vond dat zo mooi, dus even proberen te spieken op de partituur en het enige wat ik toen zag was dat nummer 147, maar dus voldoende om het later terug te vinden. Cantate BWV 147 ‘Herz und Mund und Tat und Leben’. De prelude met Händel was minder spectaculair. Ik was samen met Ghislain de eerste misdienaar van de pas gestichte Godelieveparochie op Sint-Michiels. De eerste pastoor was nogal fan van klassiek en van hem kreeg ik mijn eerste LP met Händels Watermusic en de Music for he Royal Fireworks, op de hoes een foto van de dirigent: Lorin Maazel, piepjong en de coming man. Wel, het heeft een tijdje geduurd eer ik die muziek kon appreciëren. Maar Beethoven ontdekte ik tijdens een van die Nieuwjaarspromoties (uit vroeger dagen) van Philips met beroemde vioolconcerti, zeven LP’s in totaal, in een box met als solist onze landgenoot Arthur Grumiaux. Bij Beethovens opus 61 was ik onmiddellijk verkocht en tot nu toe vind ik dit concerto het mooiste vioolconcerto en misschien wel het mooiste concerto voor een solo-instrument tout court ooit gecomponeerd. Beethoven zelf heeft er een transcriptie voor piano en orkest van gemaakt, maar ik verkies bovenal de viool.

 

Dinsdag 6 oktober 2020

Wind. Er werd mij gevraagd om gedichten te zoeken met de wind als thema. De wind zoals ik al eerder schreef is het thema voor de volgende editie van pARTcours, met Pinksteren volgend jaar, tenminste als die zal doorgaan, want daar ben ik nog niet zo zeker van. Het centrale punt is ditmaal de priorij van de zusters van Bethanië en wie ooit de neoromaanse kerk (gebaseerd op het voorbeeld van Sint-Laurentius buiten de muren te Rome) heeft bezocht weet allicht dat de toegang tot de kerk bestaat uit een dreef met aan weerzijden al tamelijk oude bomen. Dus dachten ze bij de cultuurdienst: als wij nu eens tussen die bomen gedichten zouden aanbrengen zodat de bezoekers al een voorsmaakje zouden krijgen van dat hele kunstgebeuren. Gedichten ja, maar dan over de wind of waar de wind een rol speelt. Als het over poëzie gaat kijken de leden van werkgroep pARTcours steeds naar mij en kijken betekent dan meestal ga jij dat doen? Het idee vind ik persoonlijk niet slecht, op voorwaarde dat het geen gekarameliseerde wind wordt. Kende ik windgedichten? Niet direct, al dacht ik toen spontaan aan Auschwitz van Gerrit Achterberg, met die sterke beginregel: ‘De wind vertelt het zonder het te weten…’ en ook aan André Brink dacht ik meteen, weliswaar geen poëzie, maar toch heel poëtische evocatie van de wind op het einde van zijn roman ’n Ogenblik in de wind. Nu, ik maak mij geen zorgen, windgedichten zullen er zeker nog te vinden zijn. Thuisgekomen, bladerde ik in de Verzamelde gedichten van Maurice Gilliams waar ik in die dagen mee bezig ben en jawel, in zijn Requiem (in memoriam matris) blaast de wind al in de eerste twee regels: ‘Om u te begroeten komen er de wind, / de regen en het gras dat wil groeien;’

Ik vermoed zo dat ik nog meer poëtische wind zal ontdekken bij dichters als Lars Gustafsson (De stilte van de wereld voor Bach), Karl Vennberg (Van ö tot ö), Artur Lundkvist (Tussen bliksems loop ik)… Hé, hé, toevallig drie Zweedse dichters, ik heb nochtans geen affiniteit met Zweden of Zweedse literatuur, waarom denk ik dan aan hen? Omwille van hun diepzinnige natuurgedichten? Ik denk het haast. De natuur zoals Ingmar Bergman die vaak als decor voor zijn drama’s gebruikt (bij voorkeur in zwartwit). Winderige poëzie dus, dat kan nog een leuk projectje worden.

 

Maandag 5 oktober 2020

De Cavaliere uit het eerste deel van De vulkaanminnaar is nauwelijks te herkennen in het tweede deel, al heeft hij zijn aristocratische status en maniertjes behouden. Een meisje, vele tientallen jaren jonger, opgeraapt van de straat door zijn Londens neefje, komt terecht in Napels, dan in zijn palazzo en tenslotte in zijn bed. En ze trouwen. Maar al snel komt er een rasechte kaper op de kust in de figuur van admiraal Nelson, ook getrouwd maar dat is slechts een detail in de levensgeschiedenis van deze eenarmige held. En zo gaat het dan: de naïeve Cavaliere, de onstuimige admiraal en de hitsige vrouw van de Cavaliere worden een vast triootje dat op allee feestelijkheden en banketten samen opduikt. Het hitsige meisje heeft intussen ook het vertrouwen van de koningin weten te winnen, wat perfect meegenomen is in dat wereldje van schijn en glitter. Uiteraard blijft het niet bij wederzijdse bewondering tussen Lord Nelson (ik heb nog een gedicht over hem geschreven, ik zoek het eens op en plaats het hierna) en mevrouw Hamilton. En van het een komt het ander, ook de intriges, de roddels en de afrekening in en ver buiten het milieu.

Hieronder dan mijn impressie over L.N., de man die hoog boven het Londense verkeer op zijn zuil troont op Trafalgar Square.

L. N.

 

Niet de held heb ik van Lord Nelson,

niet zijn geslepen blik,

zijn wonderstrategie,

zijn doorzicht.

 

Maar van de admiraal

heb ik door meditatie

zijn passie geërfd,

zijn geniepigheid,

het walgen van een slijkgordijn.

 

Hij was een moordenaar

en ik een tuimelaar,

maar voor de rest ...

 

Zondag 4 oktober 2020

Verzamelen. Ben ik een verzamelaar? Ik zou mijzelf alvast niet zo noemen, ja ik heb nogal wat boeken staan (maar wellicht een fractie van die vele geleerde pieten en mieten), en ja ik heb nogal wat CD’s, maar noem dat niet verzamelen. Als er iets is waarvan ik zou kunnen zeggen dat ik dat verzamel dan zijn dat mijn Requiems en mijn Goldberg Variaties. Ik bedoel dat ik in die gevallen dan niet kieskeurig ben over de kwaliteit. Ergens een nieuw Requiem ontdekt? Laat maar komen. De zoveelste interpretatie van een Goldbergvariatie? Kopen, alhoewel ik de laatste tijd toch wat kieskeuriger geworden ben, veel nieuwe versies verschillen nauwelijks van een bestaande en wat heb je er dan aan? Een echte verzamelaar zou dan de genoegdoening hebben van weer eens een object aan zijn verzameling te kunnen toevoegen, dat heb ik dus niet. Nee toch? Dus ik voel mij geen echte verzamelaar. Er zijn trouwens nog een viertal werken die weliswaar in de schaduw staan van de Goldbergs, maar waarvan ik er toch meerdere heb, ook omwille van de interpretatie hoor. Ik denk aan de Cellosuites van Bach, of Die sieben letzten Worte unseres Erlösers am Kreuze van Joseph Haydn (nogal wat  verscheidene instrumentaties), of Ein Deutsches Requiem van Brahms (met de meest troostende woorden die er bestaan) en tenslotte de Winterreise van Franz Schubert, wat niet zo voor de hand ligt, omdat ik, vroeger althans, niet zo wild was van liederen voor solostem. Maar hier hoor je goed de verschillen tussen de interpretaties, en (volgens mij) stak er daar één met kop en schouder boven uit en dat was de uitvoering van Dietrich Fischer-Dieskau - W-a-t   e-e-n   s-t-e-m zeg had die man! – met Gerald Moore aan de piano Die versie dateert al van 1962!

Maar verzamelen is dat toch allemaal niet. In de lagere school ben ik ooit begonnen met het verzamelen van munten, ik had er eentje van het Prinsbisdom Luik uit de vroege 18de eeuw (nog gekregen van mijn peter uit Brussel). Paul, mijn vriend van toen, had een nonkel die zogenaamd veel van munten kende en deze ook verzamelde. Paul zou die Prinsbisdommer eens meedoen om te vragen of hij veel waard was. Ik heb dit muntstuk nooit meer teruggezien.

 

Week 27 september - 3 oktober 2020

 

Zaterdag 3 oktober 2020

Dat ik eergisteren zomaar ineens over die vulkanen begonnen ben komt natuurlijk omdat ik na het lezen van Sempre Susan van Sigrid Nunez meteen begonnen ben aan De vulkaanminnaar van Susan Sontag. Ik meen dat boek nog niet gelezen te hebben, al merk ik dat er hier en daar wel zinnen gemarkeerd of onderstreept zijn, zelfs achteraan in het boek: ‘Werkelijk ergens van houden betekent eraan willen sterven. Of alleen daarin te leven, wat op hetzelfde neerkomt. Opstijgen en nooit meer beneden hoeven te komen.‘ (p. 352) of ook bijvoorbeeld ’Elke passie een nieuwe krater in een oude vulkaan’ (p. 378), nou die zit.. Maar nee het kan niet dat ik die roman (een romance noemt S.S. haar roman) al zou gelezen hebben; ten eerste zou ik er mij toch wel iets van kunnen herinneren en ten tweede, nu ik al een honderdtwintigtal bladzijden gevorderd ben, het volledige eerste deel, zou ik zeker meer aanstrepingen moeten ontmoet hebben. Dat deel handelt vooral, uitsluitend eigenlijk, over de wederwaardigheden van de Cavaliere, getekend naar de historische figuur van Sir William Hamilton (1730-1803), een echte verzamelaar – het verschil tussen verzamelaar en compromisloze dief is niet altijd duidelijk – van oudheidkundige voorwerpen en fossielen: vazen, beeldjes, parafernalia. (‘Een verzameling is altijd meer dan nodig is’). Zijn standplaats was Napels en Pompeji en Herculaneum waren nog niet zo lang geleden ontdekt. Dus werd een niet onaardig aantal vondsten uit deze verwoeste steden naar Londen verscheept. Zijn andere passie was de Vesuvius en vulkanen in het algemeen. Het enig wat ik gemeenschappelijk had met hem. Hij was ook, meer uit noodzaak omdat hij de koning van Napels moest dienen, bijwijlen een verwoed jager op everzwijnen, hij was getrouwd met zijn Catherine, maar in tegenstelling tot zijn entourage was hij weinig geïnteresseerd in vrouwen, hij bezat dus (tot nu toe) geen minnaressen. Pas in het tweede deel (zijn vrouw is op het einde van deel een gestorven) verschijnt er een jong meisje die rond hem draait, benieuwd hoe dat zal aflopen.

 

Vrijdag 2 oktober 2020

Door mijn jeugdige vulkaanverslaving op te rakelen, kwam ook de herinnering naar boven van die dagen in Goma. Daar heb ik trouwens een van mijn meest hachelijke momenten beleefd. Je moet weten dat het vliegveld van Goma niet te vergelijken is met pakweg Zaventem of zelfs Oostende. Nee, één lange start- en landingsbaan waarbij de vele hutten er bijna naast gelegen zijn. Daar waar de startbaan ophoudt beginnen al de dicht opeengepakte hutten van de bewoners. Nu was er twee dagen voor ons vertrek een vrachtvliegtuig geland, een DC6, het kan bijna niet anders, maar hij was zijn landing iets te laat ingezet zodat het toestel met toegeknepen remmen en waarschijnlijk gierende banden pas op het einde van de landingsbaan tot stilstand was gekomen. Resultaat, het laatste deel van deze asfaltbaan was zowat omgeploegd, wat met de heersende temperaturen niet te verwonderen was. Dus: enkel vliegtuigen met een kortere aanloop konden opstijgen. Wij hadden die dag een vlucht naar Kananga met zo’n tweemotorige Fokker. De twee piloten waren Italianen. En omwille van die omgeploegde baan mocht het vliegtuig met passagiers, bemanning en bagage slechts een bepaald gewicht hebben. Wie en hoe dat bepaald werd was mij een raadsel, ik heb het mij toen niet afgevraagd. Dus werd er in de hal een personenweegschaal geïnstalleerd en moesten alle passagiers, een dertigtal, één voor één daarop gaan staan en werd hun gewicht genoteerd en ik veronderstel ook opgeteld. Prima! Wij waren bij de gelukkigen en konden mee. En op deze Goede Vrijdag in de namiddag werden de twee schroefmotoren aangezet, taxiede de Fokker naar het begin van de startbaan, om dan met het nodige gebrul en gedreun zijn aanloop te nemen en zich rakelings boven de daken van de eerste hutten in de lucht te verheffen. Quasi onmiddellijk bevind je je dan boven het Kivumeer. Dat toestel ronkte en schudde, maar haalde maar geen hoogte, het wateroppervlak van het meer spiegelde angstvallig dichtbij. Uiteindelijk raakten we dan toch los en klommen in de blikkerende blauwe lucht. Het avontuur was nog niet gedaan, want na een uurtje kondigde de piloot aan dat niet Kananga (waar wij moesten zijn) maar Mbuji-Mayi de eindbestemming was en dat er eerst nog een tussenlanding zou zijn in Kabinda geloof ik, omdat een of andere passagier met een dikkere nek dan de rest daar toevallig bij zijn familie moest zijn. Daar in Kabinda hadden ze toen geen echt vliegveld, enkel een aarden landingsbaan met een blokhut ernaast en we bevonden ons toen in het regenseizoen, dus op het moment dat onze Fokker de grond raakte spatte de aarde zo hoog op dat alle ramen met een dikke roodbruine smurrie overdekt werden. Je kon er geen centimeter door zien, de piloten ook niet heb ik achteraf gedacht. Oké, de dikke nek avec toute sa famille, ses frêres, ses soeurs, ses enfants et ses femmes en zijn hele hebben en houden verliet het vliegtuig, waarna een nieuwe roodbruine slijk- en wasbeurt nodig was om weer op te stijgen. En ja, dan staan we plots op de begane grond in de diamantstad Mbuji-Mayi. We kenden daar niemand en wat doe je dan? Je vraagt een taxi om naar de procure van Scheut te rijden. Daar werden wij met de gangbare scepsis tegenover blanke leken (toeristen!) onthaald en mochten wij aanschuiven aan hun tafel en konden daar ook overnachten. ’s Anderdaags was er een vlucht naar Kananga waarop er gelukkig nog plaats was. Het vliegtuig nemen in Congo was altijd een beetje (te veel) reizen.

 

Donderdag 1 oktober 2020

Iets wat weinigen van mij weten, niemand eigenlijk, maar ik ben of misschien beter ik was een vulkaanminnaar. Ik lieg niet, echt waar. Hiervoor moeten we ver teruggaan in de tijd. Lagere school of beginjaren van het middelbaar? Ik zou het niet durven zeggen, hoe dan ook het is allemaal begonnen met een mapje, net geen A4-formaat, waarin zwartwit foto’s zaten, een tiental vulkanen. Waw! Dit obsedeerde mij, die rookpluimen, die borrelende lava of langs een bergwand vloeiende lavastroom. Ik interesseerde mij ook voor geologie, maar ik weet niet meer of dit voor of na die foto’s was of misschien zelfs door die foto’s. Eventjes dacht ik ook geologie te gaan studeren, maar tenslotte is het bodemkunde geworden: pedologie (geen podologie of pedofilie). Die vulkanen dan. Al vlug (zonder google, wiki enz.) stootte ik op de naam van Haroun Tazieff, die werd zowat mijn held. Tazieff was een Belgische vulkanoloog, nou ja Pools-Belgisch-Franse vulkanoloog, hij studeerde landbouwwetenschappen in Gembloux. Behalve boeken over vulkanen maakte hij ook vrij spectaculaire films over vulkaanuitbarstingen, nee schrik was hem onbekend. Ik heb toen van mijn zakgeld een Livre de Poche gekocht Haroun Tazieff, Histoire des volcans, een boekje dat ik koesterde en meer dan eens las. Maar ondanks mijn  interesse voor vulkanen ben ikzelf slechts één maal in contact gekomen met een actieve vulkaan. Ik laat mijn interesse en bezoeken aan het vulkanisch gebied van de Eifel even buiten beschouwing, al heeft die streek mij altijd en zelfs tot op heden aangetrokken, met name was en ben ik een beetje verzot op Maria-Laach, maar niet zozeer omwille van dit uitgestrekt kratermeer dan wel voor die prachtige Romaanse abdijkerk. Het is trouwens in Maria Laach dat ik voor het eerst glimwormpjes zien glimmen heb, dat was toen wij daar met de zangertjes van Steenbrugge waren op een van onze jaarlijkse uitstappen. Dat is echter een ander verhaal. Maar die ene maal dat ik van dichtbij kennis nam van een vulkaan, die kon dan wel tellen, ik heb namelijk samen met een drietal Amerikanen en een Congolese gids de Nyiragongo beklommen, dat was in 1976. Ik was met mijn vrouw tijdens de paasvakantie in Goma, zij was toen in verwachting van onze oudste zoon en bleef daar twee dagen alleen in een plaatselijk hotel, terwijl ik mijn tocht naar de vulkaan verwezenlijkt heb. Eerst met een rammelend volkswagenbusje tot aan de voet van de berg en dan in ons kleine groepje te voet naar boven, uren lopen op een smal paadje tussen tropische bomen, maar uiteindelijk was het klimmen op een boomloze helling, wel nog met struikgewas. In de late namiddag bereikten we twee cabanes waar we de nacht zouden doorbrengen. In de vooravond klommen we nog naar de rand van de krater, dat was verdomd lastig, ik schat een hellingspercentage van toch 30° à 45°. Ik had mijn fototoestel bij me dat erg vervelend heel de tijd voor mijn borst slingerde. Eens boven wist de gids, een knaapje nog van misschien 15 of 16 jaar een plaats waar je even over de rand kon stappen op een richel waar er een houten bank stond. Het schouwspel was indrukwekkend. In de donkere krater, heel diep beneden ons waren wij getuige van een meer van sissend vuur met voortdurend opspattende reusachtige vuurtongen. Het gerommel was niet alleen hoorbaar, maar ook voelbaar: wij zaten met vier op de bank en die trilde heel de tijd. Wat een ervaring! Tot ik plots merkte dat het mijn Amerikaanse buur was die op de bank zat te beven door de avondlijke koude. Nou ja, dat moest gefotografeerd worden natuurlijk, eerst een foto van de hele krater, dan nog een vanuit een iets ander perspectief, dan nog een… klik zei mijn camera, de film was op en ik had geen nieuw filmrolletjes bij mij daarboven. De afdaling naar de slaaphutten was ook niet zo simpel, een paar keer ben ik uitgegleden, maar uiteindelijk toch in de hut en mijn veldbed geraakt. De Amerikanen moesten zo nodig nog wat schunnige liedjes zingen. ‘s Anderdaags heel vroeg hebben wij dan de terugtocht aangevat. De dag voordien had ik al wat met onze gids lopen praten, op de terugweg werden wij zelfs goede vrienden, ik wou hem iets geven, maar wat? Dus schonk ik hem het boekje Histoire de volcans van Tazieff en mijn regenjekker. Zijn naam heb ik lang onthouden, maar intussen wel vergeten.

 

     

 

Woensdag 30 september 2020

Gisteren de Goldbergvariaties met Rosas. Of tenminste, dat was de bedoeling, maar door een stomme samenloop van omstandigheden ben ik er niet geraakt. Dood, doodjammer. Het zou de eerste maal sinds het begin van de Coronacrisis geweest zijn dat ik het concertgebouw zou betreden hebben. Dat zou beslist wat vreemd aandoen, zeker in die vreemde setting. Mooie plaatsen, heel zeker, rang 1 en rang 2 werden samen gegooid, alles aan dezelfde prijs (iets meer voor de 2de rang, iets minder voor de 1ste rang). De droom van Richard Wagner: één enkele prijs, democratie in de concertzaal. Gezien de huidige geplogenheden in Bayreuth zijn wij daar zeer ver vanaf. Ooit was ik met de wagen naar het Festspielhaus in Bayreuth gereden, draaide daar met mijn ordinaire Ford Mondeo de parking op, maar kreeg al dadelijk te horen dat dit enkel voor de invités was. Dan maar een paar honderd meter verderop gereden tot ik een plaatsje vond, vlak naast een slee, dubbel, nee driedubbel zo lang als mijn Fordje (die toch ook niet de kortste was). Vooraan de slee stonden er twee vlaggetjes gemonteerd met een wapenschild op geborduurd, ik ben vergeten welke pief hier de eigenaar van was, aan de tenue te zien zat zijn chauffeur vermoedelijk op het terras van de aanpalende bistro. Op de binnenplaats van het Festspielhaus geraakte ik natuurlijk niet, piepen door de haag kon hier en daar wel: mannen in rokkostuum naast hypermondaine dames in lange jurken, elk met een glas champagne (of zou het sekt geweest zijn?) in de hand die over deze binnenplaats schreden. Schreden wel te verstaan. Ik weet niet meer welke opera er toen uitgevoerd werd , maar ik was zo vermetel te veronderstellen dat driekwart van die bezoekers niet eens wist wie Wagner was, edoch – van elite gesproken – ze hoorden erbij met hun gevlagde monsterauto’s en hun beschilderde eega’s die voor de ogen van le tout Bayreuth nog eens mochten mee draven en knikken en glimlachen en voortdurend buiginkjes maken en in ontvangst nemen. Wat een schouwspel en dat onder het oog van Wagner himself, wiens standbeeld vlak voor het Festspielhaus opgericht was. Maar goed, we zouden het hebben over die gedanste Goldbergvariaties, heel zeker bijzonder geschikt om op te dansen (trouwens zo goed als alle muziek van Bach is pure dansmuziek). De laatste uitvoering van Bachs 988 die ik meegemaakt heb, was in de Vooruit, begin maart dit jaar, dus net voor de lockdown. Eveneens een dansvoorstelling, in zekere zin geïnspireerd op de fameuze danssolo van Steve Paxton uit 1993, ik heb die solo toen gezien als onderdeel van Antwerpen culturele hoofdstad (er zaten toen geloof ik acht of negen mensen in de zaal). De muziek in de Vooruit werd life gebracht door accordeonist Philippe Thuriot, een geslaagde transpositie mag ik wel zeggen. Er waren drie dansers, of beter twee dansers en een danseres. Het feit dat een van de dansers iemand met het syndroom van down was, was bijzonder pakkend en ja ook oogstrelend. Die jonge man smeet zich heel bevlogen en ritmisch in de dans, het leek bij wijle wel geïmproviseerd, maar dat was het zeker niet. Laat ik mij optrekken aan de herinnering aan deze bijzonder mooie Gentse avond, als compensatie aan de gerateerde uitvoering van gisteravond.

 

Dinsdag 29 september 2020

Overstelpt met haatberichten. Daar heb ik geen last van en ik vrees ook niet daar ooit last van te krijgen, niet omdat vrouwen en zelfs mannen mij een lieve knul vinden, integendeel, ik weet zeker dat velen snipjaloers zijn (of zouden zijn mochten ze weten wat ik weet en doe), maar gewoonweg omdat ik niet op Facebook en hoe die andere trammelant mag heten zit. Via e-mail dan? Daar bestaat toch een prullenmand voor? Beschuldigingen en verwijten, het glijdt gewoon van mij af, ik haal er zelfs mijn schouders niet (meer) voor op. Trouwens wie houdt zich bezig met dat soort onhebbelijkheden? Haatberichten my God? Omdat mensen – sommige mensen - niet kunnen verdragen dat ik mij te elitair opstel? En laat mij duidelijk zijn: ik ben elitair en voel mij zo. Schop ik dan tegen iemands schenen? Ik hoop alleen maar dat hij of zij het dan niet voelt. Is elitarisme een misdaad? Bijlange niet, ja in combinatie met arrogantie, maar verwar alsjeblief deze twee begrippen niet. Ik moet toch eens opzoeken wat die heel erudiete (en elitaire) George Steiner daarover schrijft, alleen weet ik niet in welk van zijn boeken, die ik hier heb staan, dat te vinden is. Speurwerk dus. Nou gevonden: Errata, blz. 56: ‘Aanvallen op het zogeheten elitisme maskeren vulgaire geringschatting jegens allen die al bij voorbaat worden geacht niet tot iets beters in staat te zijn’ en op blz. 137 ‘Een elite (…) is eenvoudigweg de groep die weet of zegt dat sommige dingen beter zijn dan andere, maar de moeite van het leren kennen en leren liefhebben waard’. Goed dan, ik ben een schoonheidsaanbidder, daarin sta ik beslist niet alleen, integendeel, vele anderen (die tot de elite behoren) geven zich over aan dat zelfde ideaal. Ideaal, waarin je het woord idee hoort! Je moet natuurlijk oppassen dat je onder het mom van elitisme niet afglijdt naar hybris of arrogantie, zoals ik hierboven al opmerkte (dit is geen puur denkbeeldig proces, niet weinigen kunnen aan deze verlokking niet weerstaan), of om het nog eens met Steiner te zeggen: ‘Ik heb geen gezond been om op te staan wanneer ik het bestaan van iets kostbaars als opera verdedig in een context van krotten en behoeftige klinieken.’ En wees gewaarschuwd, ik verdedig met verve deze beslist elitaire, maar o zo mooie kunstvorm dat de opera nu eenmaal is, ach niet alle opera’s natuurlijk, maar welke schoonheid en geestelijke rijkdom vind je niet in Don Giovanni, Der Ring des Nibelungen, Parsifal, Monteverdi…

Steiner eindigt het hoofdstuk waaruit de laatste zin geciteerd werd met: ‘Ik beschouw mezelf als een platonisch anarchist. En dat, besef ik, trekt geen stemmen.’ En ja, als er iets is waar ik niet in het minst behoefte aan heb dan zijn het wel stemmen.

 

Maandag 28 september 2020

De schoonheid van de regen. Het eerste dat in mij opkomt vandaag. Kan ik daar een verhaal, een essay over schrijven? Als openingszin of slotzin, kan dat wel wat hebben: de schoonheid van de regen. Point final. Daaraan vooraf gaat dan een liefdesverhaal, een gelukkig liefdesverhaal best. Schoonheid sleur je niet door de modder. Die ‘de schoonheid van de regen’ moet dan ‘en zij leefden nog lang en gelukkig’ vervangen. Zou toch mooi zijn? En als beginzin? Te afgezaagd vind ik dan, al kan ik mij nu geen voorbeelden voor de geest halen van analoge beginzinnen. Of als beginzin én als eindzin? Een al eerder beproefde techniek, maar voor mij ook te afgezaagd, zeker als je letterlijk dezelfde zin zou overnemen. Beginzin: De schoonheid van de regen. Eindzin: hoe mooi toch als het in de herfst zou regenen Vind ik al beter, vooral die zou, dat impliceert dat er nog een flinke brok volgt (een heel leven, waarom niet? En zij leefden nog lang en gelukkig nietwaar?) maar die niet meer in zinnen vertaald wordt. Open einde heet dat dan, de lezer vult verder in door dit einde te koppelen aan zijn/haar eigen situatie. Als het dan echt zou regenen en je zit voor het bedruppelde raam: voorbijjagende donkergrijze wolken, zwiepende boomkruinen, het licht van een staande lamp en dan klap je je boek en liefst ook je ogen dicht. Zou dat niet zalig kunnen zijn? En wegdromen naar de verre afwezige geliefde, naar de warmte onder opbollende dekens, weg van regen en wind. Nu ja, voor mij blijft er wel een reusachtig groot probleem: hoe moet ik de leegte invullen tussen: De schoonheid van de regen en Hoe mooi toch als het in de herfst zou regenen? Het overdenken waard, maar zij die beweren dat schrijven 10% inspiratie en 90% transpiratie is kunnen misschien gelijk hebben, het is echter een feit dat zonder die inspiratie er geen transpiratie mogelijk is. First things first. De schoonheid van de regen.

 

Zondag 27 september 2020

Een uitspraak van die andere femme fatale: ‘Mijn herinneringen zal ik altijd trouw blijven maar de mensen nooit.’ Zij zegt er zelf over dat het een onverbloemd eerlijke uitspraak uit een oud, uit de band liggend dagboek is. Zij schrijft het in een brief aan Rilke, en als je Rilke een beetje kent weet je natuurlijk nog niet welke van zijn 20 of 30 vrouwen zich aan zo’n boude uitspraak waagt. Alhoewel de meest krasse en meest vrijgevochten onder die vrouwen was wellicht Lou Andreas-Salomé, en zij is het ook. Ik klapte toevallig een boekje uit de Privé-domeinreeks open en kwam toevallig op deze bladzijde terecht waar deze zin (niet toevallig allicht) onderstreept was. Toeval? Hoe toevallig kan toeval zijn? Jacques Monod, ik weet nu niet of hij ooit de Nobelprijs voor scheikunde ontvangen heeft, ik denk het haast, maar hij heeft ooit een heel interessant boekje geschreven (dat ik niet toevallig een of twee keer herlezen heb – ik zit nu wel in mijn studententijd) met als titel Le hazard et la nécessité, vertaald als Toeval en onvermijdelijkheid. Het is te lang geleden om hier in te gaan op zijn theorieën, maar ik herinner mij wel de zeer plastische en tegelijkertijd ad rem-taal die Monod gebruikt om vrij ingewikkelde thema’s en vraagstellingen uit te diepen en voor de leek (zoals die dan heet) toegankelijk te maken. Terug naar Lou, nog een zin die bekijft (Lou en Rilke hebben in 1900  samen een Ruslandreis gemaakt): ‘Zo waren we dan als broer en zuster, maar net als in de oertijd was incest geen heiligschennis’. Broer en zuster, Lou is steeds Rilkes beste vriendin gebleven bij wie hij later vaak (schriftelijke) raad en troost zocht. Het jaar na de Ruslandreis ontmoette Rilke de beeldhouwster Clara Westhoff met wie hij uiteindelijk zou trouwen. Clara verbleef toen in Worpswede met haar beste vriendin, de schilderes Paula Becker. Rilke verkoos aanvankelijk Paula boven Clara, maar Paula had zich juist verloofd met de schilder en weduwnaar Otto Modersohn, met wie zij kort erna zou trouwen. Het feestje tussen Rainer en Paula ging dus niet door en dus bleef er toen alleen Clara over. Zo gaat dat (soms).

 

Week 20 september - 26 september 2020

 

Zaterdag 26 september 2020

Het is altijd goed om meteen aan het begin al een regel te overtreden.’ Een met wat een zeker cynisme vergulde raad van wie anders dan Susan Sontag. En als mensen zich dan enerveerden omdat ze zolang op haar moesten wachten? Weer Susan op haar best: ‘Weet je, als mensen niet slim genoeg zijn om iets te lezen bij zich te hebben.’ Maar Susan zelf laten wachten, ho maar! Ja wachten kan bepaald vervelend, zelfs afmattend zijn, tenzij… tenzij je een (bij voorkeur goed) boek bij hebt. Dokters- en ziekenhuisbezoeken (de laatste weken en maanden kan ik er van meepraten!), meer dan driekwart van de tijd breng je in wachtzalen door. Afspraak om 13.15 u.? Wees blij als je je naam rond 14.30 u. hoort afroepen. Maar als ervaringsdeskundige heb ik dus altijd een boek bij me, al lukt het niet altijd om je aandacht erbij te houden, zeker als er daar een of andere televisieprogramma afgedraaid wordt met om de zoveel minuten reclame voor shampoo, waspoeders of ingevroren pizza’s. Maar je hierop trainen is best mogelijk en hoe beter (niet noodzakelijk spannender) je boek, hoe gemakkelijker je je van de buitenwereld kunt afsluiten, al moet je daar ook mee oppassen, want sommige verpleegsters hebben niet de gewoonte om tweemaal je naam door de ruimte te laten schallen. Nog vervelender is het wanneer je met zo’n genummerd ticketje in je hand om de andere ‘djing’ of ‘poing’ naar een scherm moet kijken om vast te stellen dat het de beurt is aan nummer 68 en jij met je 83 nog even geduld gaat moet oefenen. Toch kan het vlug aan, daarom liefst per halve bladzijde lezen. Een ander vervelend aspect van dat wachtzaallezen is dat je dan toch ineens je naam hoort en je dan geschrokken je boek dichtklapt, terwijl je je bladwijzer nog in de hand hebt. Waar was ik nu gebleven? Een mogelijk voordeel is dan soms dat je door te lezen je niet geneigd bent om toch eens door het raam op de 12de verdieping naar buiten te kijken en voor mensen met hoogtevrees zoals ik, kan dat naar buiten kijken bijzonder onprettig, ja zelfs heel beroerd zijn. En dan heb ik nog niet over liften met glazen wanden, die heb je meestal niet in ziekenhuizen (in het UZ in Gent heeft de parking zo’n kooi, akkoord slechts 2 verdiepingen hoog, maar toch al een te veel voor mij). Meestal neem ik dan de trap – als die er is en als die te vinden is, maar soms moet je toch tussen al dat glas naar beneden of naar boven – in het Centre Pompidou in Metz is dat zo bijvoorbeeld. Het radicale middel bestaat er dan in heel hard (!) je ogen te sluiten en wachten tot het ding, meestal met een akelige dreun, stilstaat en om dan met half toegeknepen ogen langs de wand naar buiten te sluipen en 27 seconden wachten tot het draaierig gevoel voorbij is. Ik weet niet of Susan vrees voor hoogtes had, in elk geval niet voor hoge pieten.

Vrijdag 25 september 2020

Tussen twee hartstochtelijke ontboezemingen aan Jenne door, mediteert Gorter een wijle over Engelands vier grootste dichters (‘één voor elke periode der bourgeoisie’): ‘Eén, Chaucer, voor de opkomst der bourgeoisie tegen den grooten adel. Eén, Shakespeare, voor de gelijkheid met den grooten adel. Eén, Milton, voor de revolutie der kleine bourgeoisie tegen den adel. Eén, Shelley, voor de opkomst der groote bourgeoisie der groot-industrie en die van het proletariaat. In die rijkheid, zóó verschillend voor zoovele periodes overtreffen zij én Italië én zelfs Griekenland.’ Met dit laatste kan ik niet akkoord gaan, zeker voor wat de Oude Grieken betreft, maar toegegeven zijn vier namen schallen als luide klokken door het Europese culturele woud. Ik dreig lyrisch te worden. Het was vooral de naam van Milton (Paradise lost weet je wel) die mij eraan deed denken dat ik zijn magnum opus wel enige keren in mijn hand gehad heb, maar er nog niet toegekomen ben erin te lezen, laat staan dit van begin tot einde te lezen. En zo zijn er nog een paar van die ‘klassiekers’, die ‘must read’ boeken uit het verleden. Voor de vuist weg, wat ligt er hier nog te wachten (net als Paradise lost hebben ze al de eer gehad om er door mij in gebladerd te zijn)? Torquato Tasso en zijn Gerusalemme liberata, een flinke kluif; Ludovico Ariosto, de man uit Ferrara, en zijn Orlando furioso, twee volumineuze delen als ik het goed voorheb; de wat cynische Baltasar Gracián en zijn Handorakel der voorzichtigheid ofte Oráculo manual y arte de prudencia, ik bedoel hier wel het origineel, want er is ooit een verkorte en gepocketiseerde versie in de handel verschenen. En ja als het over dikke turven gaat dan ook Finnegans Wake van Joyce, het boek is ook vertaald, al kan dat gewoon niet omdat het in een niet bestaande taal geschreven is, het Finnegan Wakees, maar ik ben toch nog altijd benieuwd hoe Erik Bindervoet en Robbert-Jan Henkes daar denken in geslaagd te zijn, maar of het überhaupt leesbaar is? Ik betwijfel het. En o ja, vanzelfsprekend nog vele andere (Dichtung und Wahrheit bijvoorbeeld), maar zoals ik hierboven zei: voor de vuist weg.

 

Donderdag 24 september 2020

Alyssa Cole Tackles Gentrification in New Thriller’ krijg ik als titel te lezen op mijn Goodreads nieuwsbrief (ik beken dat ik die nieuwsbrief al maanden niet meer geopend heb). In thrillers ben ik helemaal niet in geïnteresseerd, nog nooit geweest, maar gentrification  intrigeert mij dan wel. Wat is gentrification eigenlijk? Gentrificatie is de opwaardering van een buurt of stadsdeel op sociaal, cultureel en economisch gebied. Wat weer aanleiding geeft tot de bevestiging van de sociologische wet die beweert dat de rijken rijker en de armen armer worden. In Brussel bestaat er een goed voorbeeld van gentrificatie onder de naam verzaveling. Maar het fenomeen is ook bekend in andere steden en dorpen: Zurenborg in Antwerpen, het Patershol in Gent, … ik hoef daar geen tekeningetje bij te maken, al zou een tekeningetje voor en na wel veel kunnen verhelderen. De huizenprijzen voor en na eveneens. Voor Brugge weet ik zo niet direct een voorbeeld of misschien is Brugge, Bruges la morte, in zijn heel wel een voorbeeld. De kleine werkmanhuisjes die er te koop staan komen vaak in Duitse handen, te merken aan de auto’s met Duitse nummerplaat die je er vaak opmerkt. Over Brugge had Herman Gorter in één van zijn brieven aan Ada een opmerking: ‘Mijn liefste kindje! (voor die ene keer niet die belachelijke Liefste, liefste Baby) Je brief uit Rouen is nu ook gekomen. Ja wat je daar van zegt is wel waar. Op enkele uitzonderingen na, zooals Florence en Brugge, zijn alle steden in het Noorden vernieuwd, met hier en daar een oud gebouw’. Er blijkt niet direct uit zijn vaststelling of Gorter nu voor of tegen die vernieuwing is, eerder voor denk ik, want iets verder schrijft hij. ‘Dat komt omdat de sociale en ekonomische ontwikkeling hier steeds verder is gegaan. In Italië stond zij eeuwen lang stil. Daardoor zijn veel steden daar eigenlijk musea geworden’. Daarbij blijft het want dan gaat hij voor 547ste keer over tot het uiten van zijn grote, allergrootste liefde voor Ada ‘mijn eigen Kind, mijn eigen Hart.’ Over Brugge verder in zijn briefwisseling, geen woord meer. Is hij er wel ooit geweest?

 

Woensdag 23 september 2020

Afspraak met de oogarts. Zijn mijn ogen plots mijn dierbaarste zintuigen geworden, nu de sleet duidelijk te merken en te voelen is? Vroeger beweerde ik nochtans: liever blind dan doof. En eigenlijk is dat nog altijd zo. Tegen blindheid zou ik nog altijd een voorlezer kunnen engageren, al is dat niet hetzelfde als zelf de teksten (her)lezen en markeren. Tegen doofheid zou alleen mijn herinnering een melodie, een orkestwerk zijn, met andere woorden, een Ersatzalternatief. Nee, nooit meer de strijkkwartetten van Beethoven, Shostakovich, Bartok kunnen horen, ik mag er niet aan denken, om nog te zwijgen over al dat moois bij Bach of Schubert. Natuurlijk gaat dat gehoor ook zienderogen achteruit (en mijn gezicht dan hoorderoren achteruit), maar de volumeknop kan ik altijd wat luider zetten, wat geen probleem is zolang er geen Beethovenhaters in de buurt zijn. Maar een boek met een loep aanvallen is niet zo gebruiksvriendelijk, zeker als dat vergrootglas almaar sterker zou moeten worden. Ach, waarover klaag ik? Aan mijn glazen kan wellicht nog het zoveelste versterkinkje toegevoegd worden en dan kunnen wij weer de weg op voor nog een jaar. Zien en horen, er is ook nog zoiets als praten. Daar heb ik helemaal geen behoefte aan, ik kan altijd spreken met mijn pen, nou ja toetsenbord tegenwoordig. En er is ook nog de lichaamstaal en zelfs het lichaam waarmee veel kan gezegd worden.

 

Dinsdag 22 september 2020

Nu ik toch Gorter aan het lezen was, heb ik eens nagekeken of ik soms ander werk van hem had, ik dacht van niet en dat is ook zo gebleken, maar er staan andere G’s die mij er toe brachten een en ander uit de rekken te halen. Goethe, neen die niet dit keer, aan Johann Wolfgang had ik nu even geen behoefte. Maurice Gilliams dan, jazeker zijn Verzamelde gedichten, nauwelijks 100 bladzijden maar meer dan de moeite om dit kleinood nog eens open te slaan. Gilliams is voor mij vooral de schepper van Elias of het gevecht met de nachtegalen. Om een onverklaarbare reden verwarde ik dat boek vroeger steeds met Deirdre en de zonen van Usnach van Adriaan Roland Holst. Bij mijn weten bestaat er geen enkel verband tussen die nachtegalen en die zonen (behalve dan dat het alle twee prachtige stukjes bellettrie zijn). Over Maurice Gilliams heeft Roland R. in Het Beleefde Genot ooit een lezing gegeven, het is de enige lezing geweest die ik niet volledig heb kunnen volgen, door ziekte , maar hoe dat nu juist in elkaar zat ben ik vergeten. In de bundel van Gilliams vind ik een merkwaardige overeenkomst: in 1927 schrijft hij het gedicht Tristitia ante, 75 jaar later, in 2002 verschijnt in Ons Erfdeel Tristitia van Leonard Nolens. Zo te zien hebben ze weinig met elkaar te maken, maar het loont misschien de moeite beide gedichten eens te citeren, eerst Gilliams:

Tristitia Ante

 

Op de besneeuwde hei:

de hoeve en de houtmijt zwart

en de donkre spar, sterk en geëtst

onder een ster, bewaaid en strak.

 

In het stalen maangeplas

ken ik de planten zonderling,

de stompe bijl en de gebroken pot

door het doorzichtig-helle ijs.

 

Eéns knaagt de kou tot op het been

en mijn eenzaamheid zoekt het schot

dat plots de horizon tot eeuwigheid rekt

op mijn rampzalige zwerftocht.

 

Tot wanneer ik het bos intreed

en de haas gemarteld vind,

onbewust en stijf

in zijn bloed op de sneeuw.

 

Er is niets dan hevig wit

in mij, en ik raak dat licht niet kwijt;

en er is niets zo smal en nauw

als het eigen lijf.

Volgens Gerrit Komrij beschrijft Tristitia Ante de sensatie van de doodsnadering. Paul Claes (die man verdient een standbeeld, vind ik) gaat er in een nummer van DW B dieper op in: “(de verklaring van Komrij) vindt steun in de derde strofe, waar ’Eéns knaagt de kou tot op het been’ een poëtische omschrijving is van de dood (als eens de levenswarmte wijkt, dringt de kou door merg en been).” En verder zegt hij nog: “De ‘rampzalige zwerftocht’ in dezelfde strofe is de trieste levensreis. In de centrale zin ‘mijn eenzaamheid zoekt het schot dat plots de horizon tot eeuwigheid rekt’ verlangt de eenzame dichter naar een schielijke dood, die hem uit de eindige tijd en ruimte kan bevrijden.” Bevrijden, je leest het goed!

En nu Nolens:

Tristitia

 

Er was een tijd dat ik geloofde in mijn tijd.

Er zou een man, er zou een dag, er zou een vrouw

De kamer binnen komen en mijn bed begrijpen,

Mijn slapeloosheid strelen met een reusachtige tong,

Mijn dwerghart in de hoogte tillen van een zin.

Maar twee die mij daar maakten sliepen hevig in

En uit. Zij sliepen en slapen een gat in mijn dag.

 

Hun speelziek bloed is mijn tristitia.

 

Er kwam een tijd dat ik verkilde bij de bries

Die 's ochtends de blauwe gordijnen bespeelde

Van de jongenskamer. Ik lag in die lege muziek

Te wachten op mijn leven, op mijn eigen leven.

Ik wachtte daar en deelde dat wachten met niemand.

En niemand was dat reizende landschap van de zee,

Die ongeboren mens van wie ik de foto bekeek.

Nolens de (wereld?)vreemde, die de woorden die Slauerhoff ooit schreef, tot de zijne zou kunnen maken: ‘alleen in mijn gedichten kan ik wonen’. Nolens die in dit gedicht teruggaat, zoals in veel van zijn gedichten, naar zijn jeugd, zijn jongenstijd, zijn tristitia.

 

Maandag 21 september 2020

Herfst. Bij het begin van de lente zijn we in de lockdown gestapt, de hele zomer zat in deze Coronatijd, nu nog een hopelijk vrieskoude winter (om al die virussen dood te nijpen, al is dat wel wishful thinking of naïef volksgeloof). Maar goed ik maak mij geen illusies, na deze Coronaherfst komt beslist een Coronawinter en zo krijgen we dan een volledig Coronajaar. Ik moet bekennen, de herfst, en zeker de laatherfst, is altijd een beetje mijn lievelingsseizoen geweest, niet omwille van de gedoodverfde kleurenpracht van het vallende lover, eerder omwille van de melancholische sfeer die er dan over het landschap en de natuur kan hangen, doet mij dan denken aan Que c’est triste Venise, quand les amours sont morts van Charles Aznavour. En ja, ook dat innig mooie liefdesgedicht van Rilke: Herbstag. Herr, es ist Zeit. Der Sommer war sehr groß’ en zeker die benauwende regels op het einde: ‘Wer jetzt kein Haus hat, baut sich keines mehr. / Wer jetzt allein ist, wird es lange bleiben, / wird wachen, lesen, lange Brief schreiben‘. Ik zit dan samen met Dürers engel, we staren naar het onopgeloste verleden en naar de onoplosbare toekomst, schouderophalend. Heeft het allemaal nog wel zin?

 

Zondag 20 september 2020

Natuurlijk weet ik niet of in dit boek alle brieven van Herman aan Ada en Jenne gebundeld zijn. Soms liggen er maanden tussen twee brieven, wat ik wel wat eigenaardig vind. Gorter had drie, eigenlijk vier grote liefdes. Behalve Ada en Jenne was er nog het Socialisme (van begin XXste eeuw wel te verstaan) en ja ook de poëzie was een van zijn grote liefdes. Socialisme en poëzie heeft hij vaak (tevergeefs vind ik) willen verbinden, hij zag het wel groots en idealistisch. En ook zijn twee minnaressen heeft hij bij zijn visie en engagement betrokken. Achteraf bekeken toch moeilijk te begrijpen dat hij twee liefdes had en die twee vlot van elkaar gescheiden kon houden. Nu ja, in die tijd was het wel een pak eenvoudiger dan vandaag met mobiele telefoons, smsen, whatsapp, e-mail en wat weet ik al niet. Om het even waar en wanneer kan je nu opgebeld of gecontacteerd worden, in real time! Toen was het simpel: je zei aan A. dat je voor een week naar een congres moest, terwijl je met J. de bloemetjes buiten kon zetten. En een brief deed er toch ook seffens twee, drie dagen of meer over.

Wat zijn poëzie of beter rijmelarijen betreft, vooral aan Jenne, stopt hij vaak van die ouderwetse rijmpjes bij, vaak caramel pure, als je ’t mij vraagt. War hiervan te denken bijvoorbeeld (in een brief aan Jenne van december 1913):

O Licht van liefde groot

o Geliefde in mijnen schoot

o Licht om mijn hoofd bloot

o Zaligheid. Van alles dan U Dood.

En in deze brief schrijft hij over zijn exploten: ‘Geliefde, ik tracht het onnoemelijke te bereiken. Wacht nog even. Pan.’ Ze zal lang moeten wachten hebben vrees ik. En bij Jenne ondertekent hij vaak met Pan, een naam die hij van Jenne zou gekregen hebben, verwijst naar Pan de god van de wildernis, de patroon van de herders (met zij panfluit en bokkenpoten), anderzijds was de socialist Gorter ook erg aangetrokken door het pantheïsme. Na Mei was Pan wellicht zijn grootste poëtisch huzarenstuk en het tekent de man dat hij na het plaatsen van zijn laatste punt na het laatste deel, deel V, het niet kan nalaten dit subito presto te melden aan zijn twee uitverkorenen. Op 3 mei 1914 aan Jenne: ‘Ik ben nu vlak bij het einde van V. De spanning maakt dat ik je pas morgen schrijven kan (dat zou in werkelijkheid pas een week later gebeuren ’s anderdaags was Ada aan de beurt) Wat ervan komt is òns werk. Samen, samen hebben wij het gemaakt. Ik hoop dat je het goed vindt (dit was niet echt het geval). Ik twijfel soms zelf. Maar het is al wat ik kon.’ (niet ondertekend!). Bergen, 4 mei 1904: ‘Liefste baby, liefste vrouw! Het groote werk is af. Waarschijnlijk mijn levenswerk. Aan jou heb ik dit te danken. Inde aller moeielijkste tijd van mijn leven heb jij, heeft jouw liefde mij gered. Dank mijn vrouw en baby. Dank dank, eeuwige innige dank. Je eigen Herman.

Jenne spreekt hij zelden aan in zijn brieven, soms met ‘Geliefde’, al dan niet met !. Hij beëindigt zijn brieven meestal zonder slot- op stopwoordje maar later vaak met ‘Je (eigen) Pan’. De brieven aan Ada begint hij vaak met ‘Lieve Ada’ of ‘Lieve baby’ en hij ondertekent ze steevast met ‘(je) Herman’.

 

Week 13 september - 19 september 2020

Zaterdag 19 september 2020

Het kan gebeuren, dat zei Bredero niet, maar bij mij gebeurde het toch. Welk nieuw boek beginnen? Altijd een moeilijke oefening, meer wikken dan wegen en dan vaak blindelings dat uitkiezen wat soms al maanden klaar ligt. Nu was het enigszins anders, op een plaats waar ik zelden snuffel stoot ik daar op een boekje wat ik zeker nog niet gelezen had, nog maagdelijk omhuld met een paarsblauwe kaft: Geheime geliefden, nee, hoor geen stationsromannetje of puberverhaaltje, maar van Herman Gorter, jawel die van de bloeimaand (verder is ie nooit geraakt heb ik de indruk). En nee, geen roman of novelle, ook geen poëziebundel, maar 366 brieven en dit keer niet aan een of andere Untsterbliche Geliebte, maar aan twee nog wel! Ada Prins en Jenne Clinge Doornbos. Het zit zo: Gorter was getrouwd (al blijkt dat uit geen enkele brief, maar dankzij Wiki weet ik dat) maar ontmoette op 37-jarige leeftijd de 22-jarige Ada Prins, het klikte al vanaf de vijfde brief. Negen jaar later, Herman is er dan 46, maakt hij kennis met de toen 24-jarige Jenne Clinge Doorenbos, en met haar was het al vanaf de eerste brief voor 90% koek en ei - en meer dan 90% zou het niet worden heb ik de indruk na enkele tientallen brieven later. Ik zit nog maar aan een brief van november 1912 en de correspondentie gaat door tot 1927, het jaar van Gorters dood. Het leuke, nou ja leuke, is dat de ene niets afwist van de relatie met de andere, maar de andere wel van de relatie met de ene, althans volgens het voorwoord van het boek. Volgens een andere, in mijn ogen minder betrouwbare bron, Wikipedia namelijk, hebben ze het maar geweten op de begrafenis van hun Herman. Het is uiteraard interessant de stijl van de brieven aan beide dames eens te vergelijken. Op basis van de helft van de gelezen brieven zou ik stellen: de brieven aan Ada zijn speelser, luchtiger, terwijl die aan Jenne ernstiger, ja pathetischer zijn: grote woorden en gedachten. Terloops even vermelden dat Ada in 1908 tot eerste vrouwelijke doctor in de scheikunde in Nederland gepromoveerd is en in die branche heeft ze later ook carrière gemaakt. Zo heeft zij Gorter met vijftig jaar overleefd, Jenne stierf 46 jaar na Gorters dood.

Ik zoek een voorbeeldje uit de brieven aan elk van de minnaressen.

Aan Ada, uit een brief van 19 oktober 1903: ‘Heb je dat ook wel eens lieveling dat het net is of de liefste, dat ben jij voor mij, overal inzit, in de lucht, in de wolken, in alles?

En aan Jenne schrijft Gorter in september 1911: ‘Uit jou oneindige schoonheid, vereering voor de schoonheid en liefde voor de schoonheid te putten, alles te zien in het licht van dat gevoel, natuur, maatschappij, alles, mijzelf dat altijd meer waardig te maken, om zoo vlakbij en in die van jou voor mij uitstralende schoonheid te mogen leven, dat alles rein en eenvoudig te voelen, in het licht daarvan alles te zien. Neen, niet van nu af aan, al een heel heel langen tijd, zooals je weet.’

En ja, na 1910 gebeurt het vaak dat hij beiden zelfs schrijft in dezelfde week. Nu ik weet niet of er nog verrassingen komen, maar het blijft boeiend. Tussen de regels aan Ada voel je soms wel dat er nog iemand anders in het spel is, of droom ik dat? Op 10 mei 1912 aan Ada: ‘… Het is alleen mijn lichaam dat niet meer dat geweldige vuur, die elasticiteit heeft waarin de ouderdom langzaam eenigen voortgang maakt…’

   

  Ada en Herman (1917)               Jenne (ca.1908)

 

Vrijdag 18 september 2020 

Ik ben onverbeterlijk. Freud zou een kluif aan mij hebben, maar ik besef ook dat ik niet alleen ben. Jaren geleden bekende Stephen Fry in een van zij programma’s dat hij in zijn manische perioden van zijn bipolaire stoornis een onstuitbare koopwoede had: hij kocht hemden ondanks het feit dat zijn garderobe er vol mee zat, hij kocht cameraatjes, de een na de ander om nooit te gebruiken. Nu hoef ik helemaal niet in een manische periode te zitten om mijn onstuitbare (= door niemand of niets te stuiten) driften te beteugelen, het is eerder omgekeerd, als ik het voorwerp van mijn obsessie ergens opmerk, dan borrelt die drift meteen op en zoals gezegd: onstuitbaar. Bij Naxos verscheen een dezer dagen een Requiem van de mij compleet onbekende Russische componist Alexander Kastalsky (1856-1926), nog een leerling van Tchaikovsky. De oorspronkelijke titel van het werk heet вечная память героям, (vrij?) vertaald: Requiem voor de gevallen broers (CD-boekje) of Eeuwige herinnering aan de gevallen helden (wiki). Het gaat in elk geval om de gesneuvelden tijdens de Groote Oorlog; volgens Katalsky of het Cd-boekje de gesneuvelden van 1914 tot 1917. In 1917 had deze Moskoviet wellicht andere Bolsjewistische katten te geselen. Dus Requiem zien = Requiem aanschaffen bij mij. Soms valt het wat tegen (het Animal Requiem van Rachel Fuller bijvoorbeeld van een paar maand geleden, goed bedoeld dat wel), maar soms is het een regelrechte ontdekking, daarom niet met veel oh’s en wow’s, en dat was hier het geval. Het is een vrij lang stuk van 64 minuten, waarbij netjes de Latijnse requiemmis gevolgd wordt (zonder Dies irae), maar doorspekt met vocale intermezzo’s van anonieme dichters, een paar (voor mij) onbekende dichters en teksten uit de Orthodoxe liturgie. Geen zwaar tromgeroffel of trompetgeschal of bazuinstoten, maar ootmoedig gedragen koren, begeleid door een orkest met vaak nogal wat celloklanken op de voorgrond en subtiele fluiten op de achtergrond. Behalve de dirigent, Leonard Slatkin, zijn de (Amerikaanse – alleen Anna Dennis is een Engelse sopraan -) uitvoerders mij onbekend.

 

Donderdag 17 september 2020

Onlangs ontving ik weer (mijn jaarlijkse) mail van Jan Van Brugghe van Brugge (ook een vervelende naam: hoe heet je? Jan Van Brugghe. Ja, dat weet ik, maar ik bedoel je naam…). Jan is voorzitter van het Davidsfonds van … Brugge. Jaarlijks richten ze daar met hun afdeling een beperkte literaire wedstrijd in: het schrijven van een limerick, een haiku, een elfje enz. maar altijd moet het over Brugge of iets Brugs gaan. Elk jaar proberen ze iets anders te vinden en soms zoeken ze het nogal (vrij) ver, zoals ook dit jaar. Een wedstrijd ekphrasis maar gelukkig verklaart Jan dat: bijschriftenpoëzie. Ik citeer hem even: ‘Een ekphrasistisch gedicht handelt over een kunstwerk. De lezer moet zich via dit gedicht een beeld kunnen vormen van het kunstobject. Natuurlijk geeft een dichter via zijn gedicht er zijn eigen kijk op. (…) Onze wedstrijd handelt natuurlijk over kunstwerken die zich in Brugge bevinden. U kunt kiezen uit drie kunstwerken: het Brugse Belfort, in dit Van Eyckjaar, het schilderij ‘Madonna met kanunnik Van der Paele’ van Jan Van Eyck en het beeld ‘De goden bezoeken Brugge’ van Jef Claerhout, op het Walplein. De vorm van het gedicht is volledig vrij, alleen mag het niet meer dan tien regels lang zijn’. En dan nog wat praktische regelingen. Eigenlijk ben ik nu niet direct in de geschikte stemming om hier een bijdrage voor te leveren, anderzijds intrigeert mij dit toch een beetje en als ik ergens een vrij moment heb (en ik denk aan de wedstrijd), dan zou ik wel eens een poging durven wagen. Het daagt mij toch weer eens uit en dan vraag ik mij serieus af: heb ik nu uitdagingen nodig om iets creatiefs op papier te zetten? Kan ik niet gewoon mij ergens nestelen en de inspiratie laten komen? Zo ging dat vroeger toch?

   

 

Woensdag 16 september 2020

Eindelijk begonnen aan het boek van de leesgroep. ‘Een bijna volmaakte vriendschap’ van de Oostenrijkse Milena Michiko Flašar (met een Japanse moeder). Inderdaad, een intrigerende titel, maar ook een intrigerend godenkind op de achterflap. Wat een mooie foto is dat, zo jong, zo mooi en zo voort. Ik heb haar eens gegoogeld, oei haar huidige présence (ze is pas 40 hoor) valt wat tegen, ze is een beetje aangekomen om het wat beleefd uit te drukken. Goed, de roman zelf dus, over een vriendschap, jawel en geen gewone vriendschap, geen jeugdvriendschap of jongens-meisjesvriendschap, nee een vriendschap tussen een twintigjarige hikikomori en een man van rond de zestig, pas ontslagen bij zijn firma. Een hiki-wat? Met hikikomori ’worden in Japan (vooral jonge) mensen aangeduid die weigeren het ouderlijk huis te verlaten, zich in hun kamer opsluiten en het contact met hun familie tot een minimum beperken’. Overgenomen uit de verklarende woordenlijst achteraan het boek, en die is zeker nodig want er staan nogal wat Japanse termen in het boek (Bento = lunchpakket; kanjou = gevoel; tadaima = ik ben weer thuis, sake = rijstwijn, maar dat wist ik al, zelfs zonder de kruiswoordraadsels, enz.). Tot nu toe valt de roman wel mee, hij doet me denken aan het werk van Marguerite Duras: heel korte zinnen, geen moeilijke woorden (Moderato Cantabile, Les yeux bleus, cheveux noirs, La maladie de la mort, …). Tussendoor ook beklijvende oneliners aangetroffen, ik citeer er enkele: ‘Iemand ontmoeten betekent deel gaan uitmaken van zijn weefsel en dat moest vermeden worden’ (p. 11); ‘Het mooiste aan uit werken gaan is thuiskomen’ (p. 33) en of !; ‘Sinds ik ben ontslagen is de tijd iets ongeveers’ (p. 55); ‘Maar de leugen vreet zich daar dwars doorheen (de dekens van het echtelijke bed n.v.d.r.). Hij is een kloof. Onoverbrugbaar. Hij maakt dat een huis in twee stukken uiteenvalt. En wie weet is het met de waarheid net zo?’ (p. 60); ‘Ik vraag mij vaak af waarom wij dat niet meer kunnen, zinloos gelukkig zijn.’ (p. 62); ‘Als je iets zou moeten leren, dan alleen maar dat je je niet hoeft te schamen.’ (p. 102). De oorspronkelijke titel wijkt wel nogal af van de vertaling: Ich nannte ihn Krawatte’ ik noemde hem stropdas, nu toegegeven, Een bijna volmaakte vriendschap is toch aantrekkelijker. Milena Flašar heeft er wel wat prijzen mee gewonnen en niet de minste zo de Oostenrijkse Alpha Literaturpreis (10.000 euro) en de Euregio Literatuurprijs voor scholieren (5.000 euro).

Dinsdag 15 september 2020

Nog eens Aidan Chambers. Chambers is een Engels (jeugd)schrijver leert Wikipedia mij, 86 jaar oud momenteel en ,--zoals het betaamt, heeft hij een persoonlijke website (www.aidanchambers.co.uk). Een kort hoofdstukje (het zijn allemaal korte hoofdstukjes van zo’n 4 à 6 bladzijden lang) is getiteld Leesdagboek, met een fameuze openingszin ‘Veel van wat we lezen vergeten we’ Dus zegt Aidan, hou een leesdagboek bij en hij geeft zelfs praktische tips: gebruik bij voorkeur een gebonden schrift met harde kaft en andere tips die vooral voor leraars/leerlingen bedoeld zijn. Geen slecht idee vind ik. Doe ik dat, een leesdagboek bijhouden? Nee, eigenlijk niet, hier en daar lees je in mijn coronadagboeken wel iets over een boek dat ik aan het lezen ben, maar dat een leesdagboek noemen is wat overdreven. Wat ik wel sinds jaar en dag doe – concreet sinds 2006 – is elk gelezen boek in een lijstje noteren, op het einde van het jaar markeer ik dan de drie beste werken, zowel bij fictie als non-fictie.

Zo zie ik dat in 2006 bij fictie, Alleman van Philip Roth de top-3 aanvoert, gevolgd door Nanjing, 1937 van de Chinese schrijver Zhayoan Ze (vraag me niet wat zijn voornaam en wat zijn familienaam is, voor zover dat bij Chinese namen zin heeft) en op drie staat Orhan Pamuk met Ik heet Karmozijn. Bij non-fictie heb ik er maar twee aangeduid: Oriëntalisten van Edward Saïd op 1 en Geestelijke oefeningen van Hadot op 2. Fictie en non-fictie was in 2006 nog netjes 50/50 verdeeld, maar in latere jaren valt het wel op dat non-fictie sterker vertegenwoordigd is dan fictie. Verleden jaar was dat bijvoorbeeld 29 non-fictie tegenover 25 fictie. Ook opvallend (vind ik toch), van de 54 boeken zaten er 7 bij die ik al eerder gelezen had, herlezingen dus, ondanks de vele ongelezen boeken die hier nog liggen te wachten. En de top drie van verleden jaar waren dan, fictie: 1. Olga Tokarzuck, De Jacobsboeken; 2. Italo Calvino, Het kasteel van de kruisende levenspaden (herlezen); 3. James Joyce, Ulysses. Voor non-fictie: 1: Camille Paglia, Het seksuele masker; 2. Paul Van Nevel, Het landschap van de polyfonisten en 3. Fernando Pessoa, Het boek der rusteloosheid (herlezen). Voor 2020 is het nog wat te vroeg, maar kanshebbers voor fictie zijn in elk geval (tot nu toe): André Brink, ’n Ogenblik in de wind, John Lancester, De muur en Doeschka Meijsing, Over liefde. Wat non-fictie betreft denk ik aan Margot Dijkgraaf, Zij namen het woord, Daniël Klein, De wijsheid van de tandeloze glimlach en Alberto Manguel, Een geschiedenis van het lezen. Maar er zijn nog drie maanden te gaan en te lezen!

 

Maandag 14 september 2020

Wat is een boek? Een boek is ‘een compositie die niet zozeer feiten communiceert maar een verhaal vertelt (helemaal of gedeeltelijk verzonnen) of plezier ontleent aan het verbeeldingsrijke gebruik van woorden’ (David Daiches, een gewezen Schotse criticus). Of: ‘Een boek is een reeks van bladzijden met tekens die een betekenis doorgeven aan elkaar verbonden in een door de auteur vastgestelde volgorde’. Aidan Chambers in Leespraat, het boek dat ik momenteel aan het lezen ben en waarvan ik hoop dat ik er vlug vanaf ben, maar zo zijn wij (en vele anderen): eens een boek begonnen, dan ga je door tot het einde, bitter of zoet. Waarom daar zo’n spel rond maken? Is een intuïtief aanvoelen niet evengoed? Iedereen die ‘boek’ hoort denkt aan een boek, of niet? Is een elektronisch boek nog een boek? Neen, een elektronisch boek is een e-boek (mijn interpretatie). Enfin, in geen boek heb ik zoveel open deuren weten instampen dan in Leespraat.

‘Lezen kost tijd.’ Ja?

‘Lezen lukt het best als er niet te veel gedoe is’ Zo, zo.

‘Opvallend uitgestalde boeken trekken de aandacht.’ Echt?

‘Veel van wat we lezen vergeten we’. Herkenbaar.

‘Sommige mensen zijn van nature grappig, andere niet.' Haha, wat zijn wij grappig, ik behoor tot de tweede categorie.

‘Net als dieren hechten mensen aan territorium en rituelen’ Laten wij dus het beest uithangen.

En ga zo maar door. Bla, bla, weliswaar fatsoenlijke blabla, maar wat weten wij nu meer?

 

Zondag 13 september 2020

Vertellen over het niets of beter over het niet gebeuren van iets of het gebeuren van niets. Stilte alom, maar niet voor de storm dan. Uit mijn raam zie ik de kruinen van de lindebomen van mijn buurman Roger, geen blaadje verroert zich. En verder tegen de egaal grijze lucht de nok van drie huizen en een vierde huis heeft een plat dak en is helemaal in het wit geschilderd. Dit huis is er het laatste bijgekomen, nu ook al een tiental jaren gelden vermoed ik. Ik weet zelfs niet wie er woont, al heb ik al een paar keer een bijzonder kokette dame tussen de 30 en de 40 schat ik, op hoge hakken zien binnengaan, eenmaal zelfs stond ze haar haar te kammen in het volle licht van haar badkamer. Nee, ik kreeg er geen bijgedachten van, mijn type niet (die hakken alleen al). Voor de rest is het hier een rustige buurt, een straat parallel aan een doorgangstraat die iedereen dus neemt. Veertig huizen (de nummers gaan tot 40), aan weerskanten een stuk of twintig, de meeste bewoners ken ik niet, ook niet van zien. Mijn geheugen is eerder auditief. Ooit hoorde ik iemand die ik helemaal niet kende iets zeggen in mijn nabijheid, en ik vroeg hem of hij de zus was van Eveline? Ja, ken je haar vroeg hij. En of zei ik, verleden jaar zijn wij samen met haar en haar man op vakantie geweest in Pitztal. Echt diezelfde stem. Maar hier in mijn  straat? Alleen mijn directe buren en ergens tussenin nog enkele bewoners, meer ken ik niet. Omgekeerd ben ik precies beter gekend. Gisteren nog passeerde er een man met een golden retriever die mij spontaan aansprak dat ik weer een hond had, een zwarte. Klopte ja. En vroeger een golden retriever? Ja inderdaad, die was verleden jaar gestorven, 14 jaar oud. Dat is oud voor een golden retriever, zei hij. Ik beaamde het. Toen ik van mijn fietstocht terugkwam, stapte hij juist met zijn hond binnen in het voorlaatste huis (nr. 38 veronderstel ik). Ik kan me niet herinneren dat ik die man ooit eerder gezien heb. De meeste bewoners van mijn straat zijn gepensioneerde zestigers, zeventigers en zelfs tachtigers. Af en toe verhuist een koppel naar een appartement of een serviceflat en komt hun huis vrij en met mondjesmaat geraken die huizen bevolkt met jong geweld, samen met hun ADHD-kroost. Zo komt er toch wat nieuw leven in de oude brouwerij. Ook mijn overburen behoren tot die generatie: twee hardwerkende ouders met twee chique auto’s en twee kindjes die 's morgens voor dag en dauw afgehaald worden door de ouders of schoonouders van het paar. Soms, als ik uit mijn bed gevallen ben en de krant uit de brievenbus haal, zie ik bijwijlen die kinderruil. Zeg eens dag Bart, hoor ik de mama zeggen. Dag Bart zegt de kleine Rémy dan, zijn zusje is nog te klein, want pas enkele coronamaanden oud. En zo herhalen de generaties zich, heimwee naar die tijd heb ik niet bepaald, wel een zekere nostalgie. Hoe luidt dat Italiaans spreekwoord weer? De tijden zijn hard, maar modern?

 

Week 6 september - 12 september 2020

 

Zaterdag 12 september 2020

Schuberts strijkkwintet in C. Het blijft oeverloos mooi. Maarten ’t Hart durft zelfs beweren dat dit het mooiste stukje muziek is ooit geschreven. Daar valt iets voor te zeggen. Zijn het die twee cello’s (celli) die er die extra glans aan geven? Ontroerend. Een leeggezogen term weliswaar, maar die kan daar best bij horen. Ik herinner mij dat dit strijkkwintet ook een belangrijke rol speelt in Carrington, de film met Emma Thompson als Dora Carrington. De filmmuziek zelf is trouwens van Michael Nyman, ook een van mijn favoriete hedendaagse componisten. Carrington vertelt, al of niet op de werkelijkheid gebaseerd, de bizarre relatie tussen de schilderes Dora Carrington en de notoire homofiel Lytton Strachey, allemaal figuren uit of rond de Bloomsburygroep. Over Lytton Strachey is een paar jaar geleden nog een lijvige biografie van de hand van Michael Holroyd verschenen, bij mijn weten nog niet vertaald. Toen Bea V. Carrington in de Lumière gezien had – ik was er dan vermoedelijk ook bij - beweerde ze dat ik sterk geleek op Lytton. Met het fysiek voorkomen en zijn voortdurend in boeken verzeild zitten, daar kon ik wel mee leven, en wellicht bedoelde zij dit, maar als zijn seksuele voorkeuren zouden bedoeld zijn, dan loopt de vergelijking natuurlijk spaak. Ik heb het ook een heel mooie film gevonden, ook al omwille van die muziek die subtiel tussenbeide komt, maar wel op momenten vol onderhuidse spanningen, of beeld ik mij dat nu weer in? Ja dat eeuwig onbereikbaar, al lag het bereikbare in de film slechts een handlengte ver. Twee koningskinderen voor wie het water te diep was. Hoeveel gelieven ondervinden dit nog dagelijks? Zoiets moet meer dan frustrerend zijn: willen en kunnen maar niet mogen, om allerlei zinnige en onzinnige regeltjes, verboden en taboes. Maar gelukkig zijn er nog dromen en welke droombegeleider kan je je beter indenken dan Franz Schubert in zijn strijkkwintet of ook als je Die schöne Müllerin hoort of zijn Winterreise (ach, hierbij geraak je pas helemaal van de kaart en word je door en door melancholisch).

         

In de film                   Op een schilderij van Carrington           In het echt

 

Vrijdag 11 september 2020

Waar was ik op 9/11? Ik zat op mijn bureau op mijn werk in de Regentschapsstraat te Brussel, toen de secretaresse bij mij kwam en zei dat er iets erg gebeurd was in New-York. Via internet kreeg ik dan wel snel beelden te zien van de brandende Twin Towers. Armageddon leek mij toen aangebroken, al kon ik dan niet op dit woord komen. Onwezenlijk leken mij die later duizendmaal herhaalde beelden, van een vliegtuig dat zich in een toren boorde en de explosie en de vlammenzee die erop volgde. Maar kijk, wij (maar niet zij die in de torens waren) hebben het overleefd, het leven gaat verder. Wat noch ik, noch de secretaresse, een corpulente dame, eind de 50 schatte ik, toen wist was dat ze niet zo lang later zou sterven. Lang ziek is ze toen niet geweest. Ik had een spontane sympathie voor haar, wellicht omdat ze voor haar (en mijn) chef of bazin niets goed kon doen. Altijd kreeg ze kritiek van die al even corpulente, iets jongere maar zeer bazige bazin. Een nieuwe secretaresse is er niet gekomen, die rol werd dan toegekend aan de secretaresse van een andere baas van, een ander departement. Twee meesters dienen, het zal ook niet altijd prettig geweest zijn. Een bazige kenau langs de ene kant en een eerder zachtzinnige, maar pientere chef aan de andere kant. Gelukkig had ik weinig contact met mijn cheffin, al heeft ze mij ooit een loer gedraaid. Nog voor ik effectief in dienst kwam wou ze dat ik aanwezig was bij een vergadering, in verband met het project waaraan ik zou gekoppeld worden, vergadering in het Frans omdat er Nederlands onkundige Walen bij betrokken waren. Op het einde vroeg ze mij op de man af, het was eerder een bevel: maak jij nu maar het verslag van deze meeting (verslag in het Frans natuurlijk). Ik bloos niet zo gemakkelijk, maar toen ik dat hoorde moet ik bloedrood geworden zijn tot heel ver achter mijn oren. De teef!

 

Donderdag 10 september 2020

Dylan Thomas. Een van de hiaten in mijn culturele bagage. Ik kende hem enkel van de lessen Nederlands in de retorica (?) en van het toneelstuk Onder het Melkwoud (vertaald door Hugo Claus), dat ik jaren geleden gezien heb in de Brugse stadsschouwburg, ik denk zelfs met Jan Decleir in de hoofdrol, en ja ook van zijn literaire roem kende ik hem, maar eerlijk, ik wist niet echt waarom (behalve dat melkwoud dan). Ik kwam zijn naam tegen in Een geschiedenis van het lezen van Alberto Manguel. Eigenlijk werd hij maar terloops vermeld in het hoofdstuk De auteur als lezer, voldoende evenwel om mij af te vragen: ’O ja, Dylan Thomas, wie was dat weer?’ Manguel: ‘De Franse schrijfster Nathalie Sarraute (un bijou!) daarentegen leest eentonig voor, en dat doet geen recht aan haar lyrische teksten. Dylan Thomas zong zijn gedichten, sloeg de klemtonen aan alsof het gongs waren, en hield enorm lange pauzes. T.S. Eliot mompelde als een knorrige dominee die zijn kudde vervloekte.’. Er is zelfs een anekdote over die beruchte pauzes van Thomas. Een van de toehoorders van zijn voorlezing zei achteraf aan Dylan Thomas: ‘Meneer Thomas, een van uw pauzes duurde vijftig seconden, waarop Dylan gepikeerd reageerde: ‘Ik heb zo snel gelezen als ik kon’. Maar dichten kon die man ook en dat wist ik nu niet meer. Een van zijn beroemdste gedichten was Do not go gentle into that good night (Ga niet gewillig de goede nacht in), eigenlijk de beginregel van dit gedicht met die obstinaat herhalende regel: ‘Rage, rage against the dying of the light (Vecht, vecht, omdat het licht niet sterven mag, in een vertaling van Arie van der Krogt). Zoals de meeste (alle?) gedichten moet je dit gedicht minstens tweemaal (geconcentreerd, uiteraard) lezen en ja dit is werkelijk een fantastisch gedicht, ik plaats het zonder schroom naast Todesfuge van Paul Celan of een gedicht van Rainer Maria Rilke – alle (late) gedichten van Rilke behoren tot de mooiste poëzie uit de eerste helft van de XXe eeuw, denk aan de sublieme Duineser Elegien.

Ik citeer even het volledige gedicht van Dylan Thomas en eronder de vertaling:

 

Do not go gentle into that good night,

Old age should burn and rave at close of day;

Rage, rage against the dying of the light.

 

Though wise men at their end know dark is right,

Because their words had forked no lightning they

Do not go gentle into that good night.

Good men, the last wave by, crying how bright

Their frail deeds might have danced in a green bay,

Rage, rage against the dying of the light.

 

Wild men who caught and sang the sun in flight,

And learn, too late, they grieved it on its way,

Do not go gentle into that good night.

Grave men, near death, who see with blinding sight

Blind eyes could blaze like meteors and be gay,

Rage, rage against the dying of the light.

 

And you, my father, there on the sad height,

Curse, bless, me now with your fierce tears, I pray.

Do not go gentle into that good night.

Rage, rage against the dying of the light.

 

En Arie van der Krogt maakt ervan:

 

Verdwijn niet zomaar in de zoete nacht,

Licht op en vlam wanneer je ouder wordt;

Vecht, vecht, omdat het licht niet sterven mag.

 

De wijze, voor wie straks het duister wacht,

Omdat geen licht meer bliksemt uit zijn woord,

Verdwijnt niet zomaar in de zoete nacht.

De goede man, die aanspoelt en die dacht:

Hier in de baai dansen mijn deugden voort,

Vecht, vecht, omdat het licht niet sterven mag.

 

De wilde, die met zang de zon aanbad,

En te laat zag, dat dat zijn baan verstoort,

Verdwijnt niet zomaar in de zoete nacht.

De dappere, haast dood, die blind nog zag

Met ogen stralend als een meteoor,

Vecht, vecht, omdat het licht niet sterven mag.

 

En u, mijn vader, door mij zo geacht,

Vloek, zegen mij met tranen, maar vecht door.

Verdwijn niet zomaar in de zoete nacht.

Vecht, vecht, omdat het licht niet sterven mag

 

Wat maakt dit gedicht zo bijzonder? De (wat ongemakkelijke) geheimzinnige sfeer vind ik. De nacht die hier een metafoor is voor de dood. En dan die verstikkende en bezwerende woede in rage, rage… Je krijgt er koude rillingen van. Toch even in het oog houden, die Dylan Thomas. Een weetje: Nobelprijswinnaar Robert Zimmerman eerde Dylan Thomas door voor zijn artiestennaam Bob Dylan te kiezen.

 

Woensdag 9 september 2020

Als je elke dag dezelfde weg neemt dan valt je vaak niets bijzonders op omdat dat bijzondere dan doodgewoon lijkt. Elke dag, of toch een tweetal maal per week, rijd ik voorbij een mooi uitgedoste vogelverschrikker, in feite is het een vogelverschrikkerin of vogelverschrikkeres aan haar kapsel te zien. Zij valt mij steeds weer op, maar nog nooit heb ik de moeite gedaan om er (letterlijk) bij stil te staan. Vandaag wel, meer nog: ik heb haar gefotografeerd. Zij staat daar jaar in jaar uit tussen de spruitkolen (welke vogel is er nu geïnteresseerd in een mals koolblaadje of fris spruitje? – nu ja ik ben geen vogelkenner en zeker niet als het hun voedingsgewoonten betreft). En kijk, ik kan mij best voorstellen dat er nog andere niet zo verwachte artefacten in het landschap geplant zijn die ik quasi dagelijks passeer zonder er eigenlijk op te letten, ik kan er mij nu geen voor de geest halen. Tja, die bunker uit WO II, ergens langs de Zeedijkweg diep in het veld. Of een of ander kabouterfiguurtje met een kruiwagen in de tuin van een ouderwets jong gezin. Een soort in profiel uitgesneden cowboyfiguur die naast een vlaggenmast staat op een graspleintje, vlak voor een ruime alleenstaande woning. Of de kunstig afgewerkte schoorsteen van Eli (dat mooi vinden is iets anders). Nu ja Eli, heeft altijd les gegeven aan toekomstige metsers die zich specialiseren in oude technieken en wellicht is zijn in gedraaide baksteen opgetrokken schoorsteen een ferm staaltje van metselkunst (op het gotische stadhuis van Brugge staan er ook van die gedraaide dingen), bij mij moeten ze er niet mee afkomen. Niet alleen onroerend goed, maar ook dagelijks roerende goederen ontsnappen soms aan mijn aandacht: zo die Porsche met die speciale nummerplaat, die mij steevast voorbij vlamt of mij inhaalt met achter het stuur een mondaine vrouw van rond de 50 schat ik, die dan, een keer vlak voor mijn wiel, indraait (het hekken opent zich vanzelf) op het pad dat naar een verborgen villa leidt in een verwilderd stuk bos naast Merkemveld. En ook in mijn eigenste tuin kan ik dagelijks zitten te kijken op een rare vogel, zonder hem nog te zien. Het zit namelijk zo: op mijn huis staat er een lange cilindervormige schoorsteen (zonder kapje, want zoiets vind ik lelijk, zeker als er nog zo’n rondtollend kroontje op zit). Tijdens een mooie lenteweek kwam er daar een kraai zijn nest bouwen, bovenaan de schoorsteen. Nu, als ik binnen zit kan ik dat niet zien, maar in die week heb ik wel vijf buren aan de bel gehad om mij te wijzen op die naarstige nestbouwer. Eerste reactie: de kachel die verbonden is met deze schoorsteen eens goed opstoken. Maar die kraai kwam weer en stoorde zich niet aan de rook die door haar nest dwarrelde. Gelukkig was het straks zomer en hadden wij geen bijverwarming meer nodig. Na de zomer dan maar een kunststoffen raaf op de schoorsteen gemonteerd, en die zit er nog altijd. Kraaien en gaaien of andere vogels heb ik niet meer op die plaats gezien.

    

 

Dinsdag 8 september 2020

Ombra mai fu. Over die perenboom, die eigenlijk een plataan was (del mio platano amato). Waarom ik sinds mijn eerste kennismaking en tot nu altijd aan een perendoom moet denken is mij een raadsel. Zelfs mijn moeder kende die boom, of beter die aria. Het Largo uit Xerxes van Händel, placht zij er steeds bij te zeggen, vooral om te tonen dat zij dat wist, zoals zij ook altijd placht te zeggen als ze het viooltje uit Méditation de Thaïs in de radio hoorde. Méditation de Thaïs van Massenet, zei ze dan fier. En dan dat toeval: daarnet in de radio Ombra mai fu en nog maar een goed uur geleden las ik het gelijknamige stukje in Naar Merelbeke van Stefaan Hertmans. Het is een mooi stukje literatuur over een mooi stukje muziek, allebei erg kort, maar o zo mooi. Ondanks mijn toch vrij uitgebreide CD-collectie heb ik Ombra mai fu of de hele opera niet (denk ik toch), wel een DVD met de opera Xerxes (en niet Serse, zoals de oorspronkelijk Italiaanse titel luidt), Xerxes omdat op mijn DVD het libretto in het Engels is. Dus zingt Xerxes, de koning van Perzië, bij mij een mezzosopraan, Anne Murray als hij (zij) onder zijn (haar) boom staat niet Ombra mai fu maar Under thy shade. Ontroerend, echt waar. Maar wat mijn moeder niet wist is dat dit Largo in feite een Larghetto is (dus iets sneller en vooral lichter gezongen). Om een mij onbekende reden blijven velen – ook Wikipedia is daar bij - dit Larghetto echter een Largo noemen. Bij Hertmans gaat het wel over een Larghetto, een detail misschien, maar Hertmans wat kennende, kloppen zijn verwijzingen als een bus. Bij Hertmans wordt de rol van de stoere en wat geschifte Xerxes gezongen door de frêle alt Aafje Heynis, en ook hier klopt zijn betoog. Aafje Heynis is in 2015 gestorven, 91 jaar oud, en dus gaat het hier om een heel oude opname (geen CD, zelfs geen LP maar ‘het kleine plaatje’ – de kinderjaren van Hertmans, nietwaar). ‘… ik hoorde de vertrouwde stem heel zachtjes zingen, viel half in slaap een kreeg een onbeschrijfelijk paradijselijk gevoel waarvan ik later tot mijn grote ontgoocheling vernam dat het met zo’n stomme medische benaming uit mijn Larousse encyclopedie kon worden aangeduid.’ Medische benaming? Ik zou het niet weten. Deze zinsnede van hem doet mij eraan denken dat hij zijn Naar Merelbeke laat voorafgaan door m.i. twee prachtige citaten: een van Bruno Schulz, ook een van mijn lievelingsauteurs: ‘In de diepte van de materie wordt heimelijk gelach gevormd’ en dan die overbekende slogan van de Larousse-encyclopedie: ‘Je sème à tout vent’. Mijn leraar Frans in het middelbaar maakte ooit een grapje toen hij van twee literaire geliefden zei dat ‘ils s’aiment mais plus tard ils sèment’.

Maar goed, ‘ombra mai fu di vegetabile, cara ed amabile, soave piu.’.

 

Maandag 7 september 2020

Manguel heeft het ergens in zijn Een geschiedenis van het lezen over de sortes Vergilianae, een soort waarzeggersspel waarmee vooral keizers en andere Romeinse hoogwaardigheidsbekleders, keizer Hadrianus bijvoorbeeld, zich ledig hielden om hun toekomst te voorspellen. En zoals bij alle voorspellingen was het vooral kwestie van interpreteren. Nu wat hield dat in? Nogal simpel eigenlijk. Men nam een exemplaar van een van de boeken van de Aeneis van Vergilius en rolde die op een willekeurige plaats open, even willekeurig plantte men zijn wijsvinger ergens in de tekst en men las de zin die daar stond en uitgerekend deze zin deed een uitspraak over je toekomst. Na de Romeinse keizers bleef deze gewoonte nog bestaan bij verschillende humanisten en edellieden uit de renaissance, ook al had een of ander concilie dat eeuwen voordien al verboden. In plaats van Vergilius gebruikte men ook vaak de Bijbel om een licht te werpen op zijn toekomst. Rabelais steekt in zijn Gargantua de draak met dat soort waarzeggerij. En ook Robinson Crusoë hield er zo’n methode met de Bijbel op na. Maar natuurlijk, zoals ik hierboven reeds aangaf, was het vooral een kwestie van interpreteren, zinnen en woorden transformeren, zodat je tot een plausibele uitleg kon komen, die uiteraard niets met de oorspronkelijke tekst te maken had. Maar laten wij zelf eens een sortestje Vergilianae doen, maar daarvoor moet ik eerst mijn Aeneis uit de rekken gaan halen. Et voilà. Ik zit in het 5de zang, leg dit boek open op een willekeurige bladzijde, prik met mijn ogen dicht op een toevallige plaats en wat lees ik? Oei, dit is in het Latijn, dat wist ik niet meer, en ik die dacht dat ik een Nederlands vertaling had. Soit. We lezen wat er staat: ‘Nate dea, quo fata trahunt retrahuntque sequamur.’ En nee, uit die paar woorden kan ik niet direct een verstaanbare zin smeden. Geboren, godin, lot, verraden, herverraden, volgen…? Op internet zal er wel een geschikte vertaling te vinden zijn en zo is het, de vertaler heet Dr. A. Lutgers van der Loeff en de vertaling dateert van 1965, bij lezing lijkt het wel een vertaling uit 1865. Luister maar: ‘Godinnezoon, laat ons de wegen gaan waarop ons ‘t Noodlot bij herhaling wijst’. En daaruit nu mijn toekomst lezen? Het vers slaat in elk geval op een mogelijke toekomst, maar zoals alle orakels kan je hiermee alle kanten op. Dus gewoon ons lot volgen zegt Vergilius hier, ach, wij doen toch niets anders?

 

Zondag 6 september 2020

Vandaag zou mijn moeder 113 jaar geworden zijn, in theorie wellicht mogelijk. Zal dat ooit nog de gemiddelde ouderdom van de (Westerse) mens worden? Ik geloof het niet, en ik denk dat het ook niet zo goed zou zijn. Aftakeling kan je wel even uitstellen, maar finaal moet je het ondergaan en dan in zo’n kramiekige toestand. Nee, bedankt. Nu dergelijk hoge leeftijd zou ik anderzijds best wel kunnen gebruiken om nog een (klein) deel van mijn ongelezen boeken alsnog te lezen (al vrees ik dat mijn ogen dat niet meer zouden aankunnen). Ik zou dan natuurlijk mijn toevlucht kunnen nemen tot het mij laten voorlezen, wat heel, heel lang geleden, net nadat de dieren niet meer spraken, wel de mode was. Maar dat is niet hetzelfde als voor jezelf lezen, waar je (stilzwijgend) je eigen intonaties kan leggen, waar je even kunt terug bladeren om een stukje te herlezen. Nu over het voorlezen geen kwaad woord hoor. Het voorgelezen worden tijdens de maaltijd bij de paters Benedictijnen (en ook bij andere patersmerken neem ik aan) is een mooie traditie, zeker omdat je niet mag praten met je buur, alleen maar stilzwijgend de schotels doorgeven en je dus maar best geconcentreerd tracht te luisteren. In Cuba bijvoorbeeld ontstond midden de XIXe eeuw de gewoonte om in de sigarenfabrieken (waar het werk bijzonder eentonig was, altijd maar tabaksbladen tot sigaren rollen) een voorlezer te benoemen (betaald door de arbeiders!) die als taak had tijdens de arbeid uit een of ander boek voor te lezen. Een krant uit die tijd was bijzonder enthousiast omdat ‘de arbeiders op deze manier geleidelijk vertrouwd zullen raken met boeken, de bron van blijvende vriendschap en groot genoegen’. Als dat niet mooi gezegd is. Nu erg lang is die gewoonte niet blijven duren: omdat de arbeiders door dat voorlezen werden afgeleid werd voorlezen door wet verboden, al is het bekend dat deze gewoonte in sommige werkplaatsen clandestien werd verder gezet. Sommige adellijke dames beschikten zelfs over een persoonlijke voorlezer, althans zo werd hij dan voorgesteld. Een persoonlijke (mooie, waarom niet?) voorlezeres zou ik ook nog wel zien zitten in mijn oude dag, alleen jammer van die oude dag dan.

 

Week 30 augustus - 5 september 2020

 

Zaterdag 5 september 2020

In het hoofdstuk Boeken stelen van Een geschiedenis van het lezen van Alberto Manguel staat een mooie paragraaf die letterlijk door mijzelf zou kunnen geschreven zijn of beter op mij toepasbaar is en allicht voor nog veel bibliofielen herkenbaar. Ik vind het de moeite die passage hier quasi volledig te citeren. Manguel is aan het verhuizen en pakt zijn boeken in. “Terwijl ik de ene stapel na de andere maak van vertrouwde boekdelen, (…) vraag ik me af, zoals ik om de zoveel tijd doe, waarom ik zoveel boeken bewaar waarvan ik weet dat ik ze nooit zal herlezen (eerder lezen tout court in mijn geval). Ik zeg tegen mezelf dat ik, elke keer dat ik een boek wegdoe, een paar dagen later tot de conclusie kom dat ik nu juist dát boek nodig had gehad. Ik zeg tegen mezelf dat er geen (of maar heel, heel weinig) boeken zijn waarin ik helemaal niets interessants heb gevonden. Ik zeg tegen mezelf dat ik die boeken oorspronkelijk om een bepaalde reden in huis heb gehaald, en dat die reden in de toekomst misschien weer zal terugkeren. Ik haal er excuses bij als degelijkheid, schaarste, gebrek aan kennis. Maar ik weet dat de hoofdreden waarom ik vasthoud aan deze steeds aangroeiende boekenschat, eigenlijk een soort wellustige gulzigheid is. Ik kijk graag naar mijn overvolle boekenplanken, vol min of meer vertrouwde namen en titels. Ik vind het een heerlijk idee omringd te zijn door een soort inventaris van mijn leven, met verwijzingen naar mijn toekomst.”. En verder beweert hij – al evengoed herkenbaar – “Het bezit van boeken is voor mij van overheersende betekenis geworden, namelijk omdat ik jaloers ben op het verleden.” Jaloers op het verleden, jawel. Eigenlijk is het zo dat ik maar vingersgewijs (neologisme, maar spreekt voor zich) al mijn boekruggen moet aftingelen (neologisme: met de vinger over iets bewegen alsof je met één lange haal alle toetsen van de piano bespeelt, maar dan trager, enfin die techniek moet wel een naam hebben vermoed ik), ik hoef dus maar mijn boekruggen af te tingelen en een heel verleden passeert voorbij mijn oog. Volgens sommigen rolt je hele leven zich af in de laatste ogenblikken voor je dood, maar ik moet dus zolang niet wachten.

 

Vrijdag 4 september 2020

Kijk eens aan, tijdens mijn gerommel in mijn rommelige archieven vind ik zowaar een foto van mijzelf als coureur. Op de achterzijde staat er: Belgisch studentenkampioenschap, Sint-Martens-Latem, 22/8/1970. Vijftig jaar geleden dus. Een knappe, sportieve jongeling, zonder baard – dat zou het jaar erop veranderen – met in zijn rechterhand een fietskader (zonder wielen) en in zijn linkerhand, twee fietswielen. Ja, dat was een memorabele dag, niet zozeer voor die koers, maar straks meer daarover. Eerst de koers. Belgisch studentenkampioenschap, ik vermoed dat dit nu niet meer georganiseerd wordt. We waren ook niet met zoveel deelnemers, een dertigtal meen ik te weten. Het waren dus allemaal wielrenners, de meeste, net als ik, aangesloten bij de juniores. Zoals gebruikelijk in dat soort wedstrijden werd er vanaf de start hevig gevlamd, het tempo was nauwelijks bij te houden daar in die prachtige dreven en bosweggetjes van Sint-Martens-Latem. Ergens halfweg moet het gebeurd zijn: lekke band. En nee, hier geen volgwagens die met een wiel staan te zwaaien tegen dat je lek rijdt. Ik stond daar letterlijk stil lang de kant van de weg. Gelukkig was er verderop iemand die een achterwiel bij zich had dat ik kon verwisselen, maar ja de vogels waren gaan vliegen en ik heb ze niet meer terug gezien. Maar die dag was nog voor iets anders gedenkwaardig, iets wat een groot deel van mijn latere zomervakanties en zelfs mijn leven zou bepalen. Die avond heb ik namelijk voor het eerst aan een concert van het Festival van Vlaanderen deelgenomen (de voorloper van Musica Antiqua Brugge, op zijn beurt de voorloper van het MA festival). Voor zover ik mij herinner, zeker ben ik het niet, ging dit door in de stadsschouwburg van Brugge, waar ik wel zeker van ben is dat er die avond enkele orgelconcerti van Georg Friedrich Händel op het programma stonden met Peter Hurford (die naam vergeet ik nooit) als solist. Het programmaboekje heb ik gespaard (en ja, stadsschouwburg). En kijk dat was het begin van een 50 jarige traditie, dit jaar jammer genoeg onderbroken door het uitbreken van de Corona.

 

Donderdag 3 september 2020

Nog eens het typoscript van mijn boek doorgenomen, en ja, ondanks grondige correctie (van professionele correctoren, correctrices in mijn geval), ondanks de zoveelste lezing toch nog schoonheidsfoutjes ontdekt: een gesplitste zin die dat niet mocht zijn, een komma die te ver stond, dat soort dingen en ja zelfs een kleine ongerijmdheid: een verwijzing naar de dag voordien, terwijl dat twee dagen eerder was. Dat is natuurlijk vlug rechtgezet. Ik heb ook een drastische wijziging doorgevoerd, namelijk alles naar een groter lettertype gebracht, dat was vanzelfsprekend even puzzelen met de lay-out, elk hoofdstuk wordt namelijk voorafgegaan door een ruwe schets en een kort gedicht van drie regels en dat hoort telkens op een even bladzijde te staan, dus schuiven en aanpassen. Nu ja, uiteindelijk zijn we er geraakt 156 bladzijden is het geworden (voorheen 130). Afwachten wat het zal geven eens het gedrukt is. Jammer natuurlijk dat de geplande voorstelling niet kan doorgaan zoals gedacht. Toch lanceer ik mijn boek maar en denk eraan om een voorstelling te verzorgen, ergens in januari of zo. Ook even gedacht om de voorstelling te verwerken in een You Tube-filmpje, maar ik zie daar vanaf omwille van het voorbereidende werk (scenario uitschrijven, de ‘scènes’ uitwerken, dat soort zaken), nu dat kan nog komen, maar ik betwijfel het. Wordt dat dan mijn laatste geschrift? Mijn laatste poëziebundel droeg als ondertitel: bijna laatste gedichten, wat liet veronderstellen dat er nog twee bundels zouden komen: laatste gedichten en allerlaatste gedichten. Ik vrees dat het echter bij die bijna laatste gedichten zal blijven. Opnieuw: zeg nooit nooit natuurlijk, ik heb er wel zin in, maar tijd en inspiratie nietwaar, beide ontbreken mij vandaag, wat wel een beetje beschamend klinkt in deze Coronatijd.

 

Woensdag 2 september 2020

A day in the life, weinig nieuws, weinig opbeurends. Mondmaskerade en elleboogtikjes zouden het nieuwe normaal zijn hoor ik wel eens zeggen. Ewel, ik weiger mij daarbij neer te leggen, van iets abnormaals iets normaals willen maken, dat ruikt naar George Orwells 1984. Orwell heb ik – noblesse oblige – in 1984 gelezen, Huxley veel later, maar Wij van Jevgeni Zamjatin, een roman in hetzelfde genre heb ik pas een tiental jaar geleden ontdekt en ook van dit boek herinner ik mij bijna niets. Bijna, want de sfeer is mij enigszins bijgebleven en wat ik ook nog weet is dat ik het graag gelezen heb. Het speelt zich af in de (verre) toekomst, de personages hebben geen naam maar een nummer of een code. Zamjatin stierf in 1937 in Parijs. Zoals zovelen van zijn landgenoten was hij de terreur van de Bolsjevieken ontvlucht om, helemaal berooid, zich bij het legertje van Russische emigranten aan te sluiten. Een van de bekendste emigranten uit het interbellum was ongetwijfeld Marina Tsvetajeva. De Russische kolonie in Parijs droeg haar aanvankelijk op handen, maar ze geraakte met hen gebrouilleerd en moest de stad uiteindelijk verlaten. Eenmaal terug in Rusland kreeg ze het aan de stok met de Stalingetrouwen. In 1945 verhing zij zich. De mythe wil dat het was met de koord die Boris Pasternak, met wie ze toch (waarschijnlijk) meer dan een vriendschappelijke verhouding gehad heeft, haar gegeven had om haar spullen bij haar laatste verhuis samen te binden. Een tragisch en onbegrepen leven heeft ze gekend, zij had een grote bewondering voor Anna Achmatova, maar die bewondering was verre van wederzijds. Dit gegeven schetst in feite haar hele leven: innemend en behulpzaam voor anderen, maar afwijzing en beschimpingen van haar medemensen.

 

Dinsdag 1 september 2020

De schoolpoorten gaan open (en sommigen straks weer dicht allicht). Er is de laatste dagen al genoeg gejankt over die heropening. J’en passe. Over mijn eigen eerste schooldagen herinner ik mij zo goed als niets, wel over mijn eerste Franse les, dat was toen facultatief, ’s avonds een of tweemaal per week, na de reguliere schooluren. Mijn ouders, mijn moeder om precies te zijn, had mij natuurlijk ingeschreven (terecht uiteraard) voor de Franse lessen. Dat begon in de tweede week van september van het derde studiejaar. Ik zat toen bij de cowboy, de bijnaam die wij aan meester V. gegeven hadden. Om zijn slungelachtig voorkomen en om de hoed die hij steevast droeg? Zou kunnen. Jean va à l’école. Dat was de eerste Franse zin die ik van buiten geleerd heb. Naast Jean was er natuurlijk nog een meisje, zijn zus denk ik en het pleit natuurlijk niet in mijn voordeel dat ik haar naam vergeten ben. Het leerboekje heette Pas à pas, dat weet ik wel nog, het jaar daarop heette het On van loin. Met die Pas à pas had ik het in het begin moeilijk, des te meer met On va loin. Wat wilde dat nu zeggen? Later kwamen daar nog bij A forge de forger (5de studiejaar?) en On devient forgeron (6de studiejaar dan?). dat begreep ik allemaal nog minder. Soit. In de eerste trimester van het derde leerjaar is het wel bij die ene Franse les met Jean va à l’école gebleven. Ja, want toen ik de schoolpoort uitkwam, de Baron Ruzettelaan overstak, die toen nog een echte laan was, een van de mooiste die ik gekend heb, van Steenbrugge helemaal tot aan de Katelijnepoort in Brugge. Alle bomen zijn later gerooid, het zou nu zeker niet meer waar meer geweest zijn. Bon, ik stak de straat over en op het voetpad voor de fietswinkel werd ik aangereden door de een jaar oudere Dirk V. (de latere uitbater van een Middeleeuwse bierkelder in Brugge) op zijn klein fietsje en hops, ik brak mijn been, nee ik brak er twee: mijn rechterscheenbeen en mij rechterkuitbeen, die lagen toen in een hoek van 90°, samen met mij op de tegels van het voetpad. Wat ik mij nog goed, dus niet eens vaag, herinner is dat er onmiddellijk mensen rond mij waren, die mijn been met twee takken spalkten en mij in het atelier van de fietswinkel neerlegden. Ik moet daar tamelijk lang gelegen heb eer de ambulance (toen nog niet de 100) kwam, want plots verscheen mijn moeder daar op haar fiets, ik zie haar nog afstappen. Wij woonden toen pakweg een drietal kilometer van de school. Dus iemand moet haar verwittigd hebben (in onze straat was er slechts een iemand die een-telefoon bezat en dat was niet bij ons) en zij moest dan met haar fiets naar school gereden hebben. Van de ambulance herinner ik mij zo goed als niets, wel van het afzien op de operatietafel. Het was dokter Kinsinger die toen mijn been aan elkaar zette, hoe lang hij daar heeft staan wringen, weet ik niet, maar ik heb toen meer Onze Vaders en Wees Gegroetjes gepreveld dan ik ooit in mijn leven nog zou doen. Maar, pas op, een gebroken been heeft ook zijn voordeel: bezoek van de hele klas met allemaal cadeautjes, een hele trimester vakantie (zij hebben mijn been moeten herbreken en zo zat ik nog langer in het gips) en last – but not least voor een jongetje van tien – ik heb met mijn linkervoet leren voetballen, zo kon ik nadien zowel links als rechts met de bal overweg, maar een eerste Messi is er niet uit voortgekomen.

 

Maandag 31 augustus 2020

Eindelijk! Eindelijk neem ik dat boek dat ik al jaren wou lezen ter hand en dit keer om het daadwerkelijk te lezen: Een geschiedenis van het lezen van Alberto Manguel. Dus met veel moed en verwachting eraan begonnen en ja, hoor, wij voelen ons bij de lectuur als een vis in (zuiver) water. Nu is het zo dat ik dat boek vroeger ook al had gekocht de Franstalige versie dan, Une histoire de la lecture, uitgegeven bij Actes-Sud, gedrukt op dat heerlijke ietsje korrelig ecru papier, op een langwerpiger dan gewoon formaat. Maar waar stond dit exemplaar? Op mijn toren dus, lang moest ik dit keer niet zoeken, ik had min of meer nog een visuele impressie van de rug en de plaats waar het stond. Eventjes door deze Franse versie bladeren, en wat zie ik? Dat boek staat vol onderstrepingen en hier en daar aantekeningen onderaan de bladzijde of in de marge. Ik had dit boek dus al gelezen! Wat een vreselijke teleurstelling: ik wist niet eens dat ik het al gelezen had, laat staan wat erin stond, ik wist enkel dat ik het ergens staan had. Mijn geheugen een zeef en dan nog een met reuze openingen. En dan komt meteen de gedachte: waarom lees ik eigenlijk nog boeken, als ik gewoon vergeet wat erin staat? Ik probeer mijzelf dan wijs te maken dat het plezier van het lezen tijdens het lezen zelf natuurlijk ook een niet te onderschatten vreugde verschaft: je bent gecharmeerd door een prachtige zin, een leuke anekdote of een diepzinnige uitspraak die je wel boven je bed zou kunnen hangen, ja dat soort ervaringen. Maar toch, het wringt een beetje want dan begin je in je hoofd het rijtje af te gaan van boeken die je ooit gelezen hebt en wat herinner je je nog van? Geen sikkepit, verdorie! Hoogstens algemeenheden, waarover het gaat of welke personages erin voorkomen. Oké, er zijn uitzonderingen, Madame Chauchat en Settembrini herinner ik mij nog levendig, maar De Toverberg heb ik dan ook al driemaal gelezen. Enfin, toch een beetje bedroevende vaststelling met mijn Une Histoire de la lecture in mijn handen. Het neemt niet weg dat ik dit boek nu met plezier (her)lees, zij het in een andere taal.

 

Zondag 30 augustus 2020

Ik kom nog even terug op een artikel van Jean Améry in Nexus 84. ‘Aan de grenzen van de geest’. Het is mij te doen om een korte passage, enigszins buiten de eigenlijke toedracht van het essay. Hij heeft het over intellectuelen in Auschwitz, hun lot in het kamp.

Terloops vraagt hij zich af wat hij eigenlijk onder een ‘intellectueel’ verstaat. ‘Als ik het over de intellectuelen of, zoals men het vroeger zou hebben uitgedrukt, over de mensen van de geest in Auschwitz wil hebben, moet ik mijn onderwerp, de intellectuelen dus, toch eerst maar eens definiëren.’ De mensen van de geest, wat mooi, maar dat is een kanttekening van mij. Ja, wat is voor Améry een intellectueel? ‘Een intellectueel is een mens die binnen een referentiekader leeft dat in de meest omvattende zin van het woord geestelijk kan worden genoemd. Zijn associatiehorizon is in essentie van humanistische of geesteswetenschappelijke aard. Hij beschikt over een welvoorzien esthetisch bewustzijn. Neiging en aanleg zetten hem aan tot abstracte gedachtegangen. Bij iedere gelegenheid vormen zich in hem voorstellingsreeksen die afkomstig zijn uit het domein van de geestelijke geschiedenis.’ Eerder zei hij ook al dat intelligente mensen, mensen met een universitair diploma bijvoorbeeld, daarom nog geen intellectuelen zijn. Voldoe ik nu aan die definitie (logische vraag vanzelfsprekend). Ik durf voorzichtig ja te zeggen, maar dan komt het als hij een triviaal voorbeeld geeft. ‘Als we vragen welke beroemde naam met de lettergreep Lilien begint…’. Lilien? Beroemde naam? Het eerste wat mij spontaan te binnen schiet is Leni Riefenstahl, maar Lilien? Ignoramus. Wel zegt Améry, bij een intellectueel schiet hem dan niet de zweefvliegtuigbouwer Otto von Lillienthal (huh? Otto wie?), maar de dichter Detlev von Liliencron. Pardon, welke dichter? Deze pseudo-intellectueel zakt hier dus door de mand. Moet ik die Detlev dan kennen (zonder Wikipedia in de buurt)? Al zal die naam ooit wel eens aan mijn netvlies gepasseerd zijn. Nu, de (geestelijke) wereld van Améry is niet de mijne. Ik probeer een eigen voorbeeld te formuleren, maar ik vind er niet meteen een, behalve een wat simpel voorbeeld. Waaraan denk je als je de naam Mars hoort? De B-wetenschapper zal zeggen: dat is de planeet, de A-wetenschapper denkt aan de Griekse oorlogsgod. De (niet-intellectuele) consument of puber denkt aan een chocoladereep en de rekruut of scoutsleider misschien aan links-rechts-links. Toch nog een voorbeeld gevonden: Palmen. Waaraan denk je als je palmen hoort? De intellectueel denkt meteen aan Connie, de niet-intellectueeel aan wuivende palmen op exotische stranden. Of noteboom? De intellectueel aan onze Cees, zijn tegenhanger aan een okkernotenboom en de honkvaste Bruggeling aan een lederwinkel met die naam. Om maar te zeggen…

 

Week 23 augustus - 29 augustus 2020

 

Zaterdag 29 augustus 2020

Ja ik was er niet goed van, nog niet zozeer van de laatste tekst van Jean Améry, De marteling, een tekst die mij bekend voorkwam. Ik moet die ooit al ergens gelezen hebben. Nee het geheel, alle artikelen samen, maakten mij zo mistroostig, het voelde allemaal zo uitzichtloos, zo onafwendbaar aan. Ik herinner mij dat het Jean-Luc Goddard was die ooit zei: ‘Als je een mens doodt, ben je een moordenaar, als je duizend mensen doodt, ben je een held en als je alle mensen doodt ben je een God.’ Ik weet niet welke God hier aan het werk is, maar de Endlösung is voor mij duidelijk. Nee, niet wij, nog niet onze kinderen, maar diegenen die na hen komen en zij die nog na deze laatsten komen, als ze nog ooit gaan komen. In 2420 zal de aarde nog bestaan hoorde ik onlangs iemand op de radio zeggen. De aarde, ja, dat geloof ik ook, maar welke aarde? En zullen er dan nog stervelingen ronddwalen op die aarde? Doemdenken? Noem het maar zo voor mijn part. De technologie zal ons redden? De technologie heeft ons nog nooit gered, ons hoogstens uitstel van executie gegeven. Bij elke technologische revolutie gaf de natuur de indruk te moeten inleveren op haar invloed, maar de natuur heeft tijd en neemt die ook en wie tijd heeft, bezit tenslotte de macht. Het opflakkeren van zoiets als Corona is al een steekje en zou wel eens klein bier kunnen zijn als de oceanen zich beginnen te roeren, de temperaturen beginnen te stijgen en orkanen dagelijkse kost zouden worden. Maar goed, op naar 2420! Nu, ik heb wel wat interessante zaken voor mij in het hier en nu geleerd uit deze Nexus. Zoals de keuze van Leszek Kołakowski van de drie voornaamste bronteksten over de Holocaust. Kołakowski, boeiende Poolse filosoof en vertaald door onder meer Alicja Gescinska. Tot mijn verbazing moet ik nederig bekennen dat geen van die teksten die Kołakowski uitkoos, mij bekend waren, evenmin als hun auteurs. Kołakowski noemt Three Hundred Hours in the Dying Ghetto van Marian Berland (niet in het Nederlands vertaald blijkbaar en ik denk haast ook niet in het Engels), Am I a murderer, Testament of a Jewish Ghetto Polceman van Calel Perechodnik (ook niet vertaald in het Nederlands) en tenslotte The Diary of Dawid Sierakowiak door Dawid Sierakowiak, ook geen vertaling van gevonden. Aangrijpend in dat laatste boek is daarin de toespraak van Chaim Rumkowski, het hoofd van de Judenrat in het getto van Łodź, de man die moet kiezen wie hij voor transport naar de kampen zal overleveren. Hij richt zich tot de (overgebleven) bewoners van het getto. ‘Ze verlangen van ons dat we ze geven wat het allerwaardevolst voor ons is: onze kinderen en onze bejaarden. (…) Broeders en zusters, geef me hen. Vaders en moeders, geef me uw kinderen…!’ In zijn toespraak tot de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties in 2005 spreekt Elie Wiesel, een overlevende van Auschwitz, ook krasse taal: ‘Voor het eerst in de geschreven geschiedenis werd zijn een misdaad’ en verder ‘Een religieus persoon kan zich Auschwitz met noch zonder God voorstellen.’ En waarom mensen, ook vandaag nog het onaanvaardbare aanvaarden? Het antwoord van Géralinde Schwarz is onverbiddelijk en geloof me raakt de kern: ‘Maar onze grootste zwakheden blijven conformisme en onverschilligheid. Dat zijn de grootste vijanden van democratie en vrijheid.’ En iets verder beweert ze heel terecht, want het is ook mijn stokpaardje: ‘Door in de huid van het slachtoffer te kruipen, leer je je in te leven, wat absoluut noodzakelijk is, maar voldoende is het niet.

 

Vrijdag 28 augustus 2020

De andere teksten in Nexus, ik ben er niet bepaald vrolijk van geworden, integendeel de moed zakt mij danig in de schoenen. De enige troost (stel je voor) is dat ik allemaal niet meer zal hoeven mee te maken. Ja echt, ik heb te doen met onze kleinkinderen en hun kinderen. Hoe vaak (altijd eigenlijk) denk ik niet - maar durf zoiets nooit uit te spreken – als er weer ergens een kindje geboren is: maar ouders, waar halen jullie het toch in jullie hoofd om nog kinderen op deze wereld te zetten? Rabindranath Tagore mag dan wel beweren dat elk nieuwgeboren-kind met de boodschap komt dat God de wereld nog niet beu is (vroeger vond ik dat een van de mooiste uitspraken die er waren), het klinkt mij nu behoorlijk naïef in de oren. In deze Nexus staat er ook het verslag van een panel die het heeft over, simpel gezegd: moeten wij het verleden (met name de herinnering aan de grote catastrofes van de XXe eeuw) proberen te vergeten of juist niet. En ja er zijn behoorlijk wat stevige argumenten voor beide opties, want zo leren wij, elke optie heeft zo haar voor en tegens. Bovendien, en dat vind ik wat jammer, wordt er nogal de nadruk gelegd dat vergeten of niet nogal context gebonden is. Zoiets sluit eigenlijk te gemakkelijk zowel brede als diepgaande universele discussies uit. En na lezing van al die argumenten ben ik ook geneigd te zeggen: daar ja en daar neen. Context gebonden dus. Dat brengt mij terug tot de uitspraak van Rob Riemen: ‘Niet één catastrofe heeft de volgende catastrofe kunnen voorkomen ondanks de eeuwige mantra van het ‘nooit meer’.

Er moet m.i. een onderscheid worden gemaakt tussen vergeten en achter je laten. Het Edict van Nantes (ik heb altijd al een voorliefde en bewondering gehad voor dat edict) begint met de volgende, ja bijna ongelofelijke zin: ‘U wordt bevolen te vergeten’. Spontaan denk je dan ook aan de Waarheidscommissie in Zuid-Afrika onder Mandela.

Laat dat verleden los wil dat zeggen, maar vergeet het niet, geef het nog een plaats in het collectief geheugen. En dat is dan juist het verschil tussen herinnering (subjectief) en geschiedenis (feiten). Stel dat er ooit vrede komt, nu of over 300 jaar, tussen de Palestijnen en Israël (of zoveel andere hardnekkige conflicten), dan zullen beide partijen wel hetzelfde verleden gekend hebben maar ze zullen het zich totaal anders herinneren.

Een rake opmerking kwam er ook van de Franse intellectuele Géraldine Schwarz als ze inbracht dat we de neiging hebben om ‘in ons collectieve geheugen de houding van de maatschappij in drie categorieën onder te verdelen: daders, slachtoffers en helden. En daarbij vergeten wij vaak de zeer omvangrijke (zeg maar veruit de omvangrijkste, Géraldine) categorie meelopers.’ De Mitläufer.

 

Donderdag 27 augustus 2020

Bij de tekst die ik gisteren overschreef heb ik bewust geen commentaar willen leveren. Die tekst van Primo Levi spreekt voor zich, moet voor zich spreken, maar ik weet ook: het zijn woorden in de wind. Rob Riemen zegt het ook in zijn artikel De erfenis van de twintigste-eeuwse catastrofes, in Nexus 84: “Niet één catastrofe heeft de volgende catastrofe kunnen voorkomen ondanks de eeuwige mantra van het ‘nooit meer’…” En hij somt ze allemaal op, de een na de ander, van de moeder van alle catastrofes, Wereldoorlog I tot de miljoenen die afgeslacht zijn in de Rwandese genocide, over Guernica, de holocaust, de Goelag, Hiroshima en Nagasaki enzovoort, ja enzovoort. Hebben wij het dan nooit geleerd? Zullen wij het dan nooit leren. Het antwoord is huiverend simpel: neen. De zo mooie, indringende woorden van Cicero: Historia magistra vita est (De geschiedenis is de leerschool van het leven) klinken belachelijker dan ooit. Is de menselijke waardigheid (durven wij de waardigheid nog menselijk te noemen?) er dan nooit geweest? Moeten wij na millennia van ‘beschaving’ nog altijd op haar wachten? Rob Riemen verwijst naar de Duitse filosoof uit Heidelberg Karl Jaspers (ooit heb ik vol eerbied voor zijn woning stil gestaan) die het heeft over de Achsenzeit, de as waar de wereldgeschiedenis om draait. In zijn Vom Ursprung und Ziel der Geschichte situeert Jaspers die tijd in de periode tussen 800 en 200 voor onze jaartelling. Want wie passeert er dan de revue? Zet je maar eerst eens stevig neer. Confucius, Lao Zi, Boeddha, Zarathustra, Jesaja, Jeremia, Heraclites, Socrates, Plato… ja, dag Jan! Het zijn deze geestelijke leiders die de menselijke waardigheid in hun leer centraal stellen, betoogt Jaspers.

 

Woensdag 26 augustus 2020

Gij die veilig leeft

In uw beschutte huizen

Gij die ’s avonds thuiskomt

Bij warme spijs en dierbare gezichten

           Bedenkt of dit een man is

           Die werkt in de modder

Die geen vrede kent

Die vecht om een stuk brood

Die sterft om een ja of een nee

Bedenkt of dit een vrouw is

Zonder haar en zonder naam

Zonder herinnering aan wat was

Met lege ogen en koude schoot

Als een kikvors in de winter.

Bedenkt dat dit geweest is:

Ik beveel u deze woorden

Grift ze in uw hart

Waar ge gaat waar ge staat

Bij het opstaan bij het slapen gaan:

Zegt ze voort aan uw kinderen.

           Of uw huis begeve u,

           Ziekte verlamme u,

Uw nageslacht wende zich van u.

 

Tekst van Primo Levi, voorafgaand aan zijn eerste boek: Se questo è un uomo (Is dit een mens)

 

Dinsdag 25 augustus 202 

Gisteren Nexus nr. 84 in de brievenbus. Zoals gewoonlijk zo’n goede 170 bladzijden stevige lectuur. Nexus is trouwens het enige tijdschrift (4 maal per jaar) dat ik doorlees van A tot Z en als ik zeg van A tot Z, dan bedoel ik van de allereerste zin tot de allerlaatste zin en Nexus bevat geen streepje publiciteit, enkel artikels, essays en achteraan wat biografische gegevens van de medewerkers aan het nummer, wat ook altijd interessant is om te lezen. De inhoud van het tijdschrift schaart zich altijd rond een thema, ook altijd prachtig ingeleid door een (uitgebreid) voorwoord van de oprichter en hoofdredacteur Rob Riemen (een man van mijn hart). Thema van dit nummer: Een spiegel voor onze tijd. En ja, dat naar aanleiding van de huidige pandemie die de hele wereld teistert. Bijdragen van hoofdzakelijk door mij niet gekende academici of schrijvers (op Elie Wiesel en Jean Améry na), maar wel over gekende personaliteiten o.m. over Erich Fromm – zijn betekenis vandaag – en Ivan Illich – ook zijn betekenis vandaag. Om eerlijk te zijn Erich Fromm ken ik alleen maar van naam en minder van faam. Dat hij lid was van de Frankfurter Schule is zowat het enige wat ik wist. En de titel van zijn eerste boek, De angst voor vrijheid, doet ook wel een belletje rinkelen, maar ook niet meer dan dat. Maar Ivan Illich, dat is een ander paar mouwen. In mijn jongelingentijd, toen ik nog idealist was (intussen werd ik realist en nu (cultuur)pessimist, wat een grondiger en meer verbeten realist is), dweepte ik, met Illich (Ontscholing van de maatschappij, Naar een nieuwe levensstijl) en ook met zijn spitsbroeders Fritz Schumacher (Small is beautiful) en zeker de Noor Galtung. Those where the days. Ooit (1978?) was Johan Galtung, oprichter van het befaamde Peace Research Institute te Oslo, te gast voor een lezing naar aanleiding van een infobeurs in Scharpoord te Knokke-Heist, ik stond daar toen met een dubbele stand: Amnesty International en Iteco. In die dagen gingen wij de wereld veranderen, lees: verbeteren en na die lezing gingen we er echt aan beginnen. Veertig jaar later…? Mea culpa, mea maxima culpa. Maar sta mij toe eerst al die artikels uit Nexus te lezen, ik kan nauwelijks wachten om eraan te beginnen. Misschien komt er een nieuwe droom om de wereld te verbeteren.

 

 

Maandag 24 augustus 2020

Genua. Genova. La superba. Door de ogen van Ilja Leonardo Pfeijffer (3 fff’en zeg). Hoe zeggen ze dat? Een vlotte pen? Meer zelfs: een zeer vlotte pen. Het verhaal dan (welk verhaal?): zo, zo. Nu ben ik de laatste om te beweren dat een roman een verhaal, een plot moet hebben (al is dat wel handig), maar hier gaat het dus in essentie om een soort gesprek met een vriend, niet echt een brief, maar het komt er dichtbij, waarin I.L.P. zijn wederwaardigheden in de stad Genua meegeeft en vooral deze waarvan hij zegt dat hij dit niet zal kunnen opnemen in de roman die hij denkt te schrijven. Nja, goede vondst eigenlijk. Om zijn monoloog met zijn vriend niet al te stroef of te langdradig te maken, last Ilja er twee intermezzi in: We all live in a yellow submarine en Fatou yo, twee titels van liedjes, waardoor een zekere overeenkomst geschapen wordt. Zijn uitweiding over de kruisvaarders die in Genua terugkeren met aan boord de pest en dat het van hieruit over de rest van Europa verspreid zou worden, klinkt uiteraard zeer actueel, al kon Pfeijffer niet weten wat er ons zeven jaar na de publicatie van La Superba te wachten zou staan. Maar wat dit tussengelaste maar niet zo genoemde intermezzo hier komt doen? Geen idee. Hetzelfde kan gezegd over zijn plots min of mer geëngaeerde bijdrage aan het migratievraagstuk. Mooi geprobeerd, dat wel en dergelijke problematiek centraal stellen en verwerken in een roman of een verhaal, prima voor mij, maar hier is dat er wat aangeplakt, geen aanleiding en geen vervolg. Maar goed, het eerste deel van de roman heet: Het mooiste meisje van Genua, het derde en laatste deel heet dan Het mooiste meisje van Genua (reprise). Dat mooiste meisje is in deel twee van het aardoppervlak verdwenen, en als je begint aan het laatste deel, begin je al vlug te vermoeden waarop de hele geschiedenis met dat mooiste meisje zal uitdraaien, alleen weet je nog niet hoe. En dat vermoeden blijkt dan te kloppen ook.

Er staan wel mooie, pakkende en soms rake uitspraken of zinnen in. Ik pik er enkele willekeurig uit. Blz. 36: ‘Geluk is, kortom, een kortstondige illusie zonder enige vorm van diepgang, stijl of klasse’. De bladzijde ernaast lezen we: ‘Straatnamen en plaveisel. Zo formuleerde ik het. In eerste instantie uiteraard als stijlfiguur, gepenseeld met die grove sprezzatura (Pfeijffer vertikt het doorgaans om Italiaanse woorden, of termen te vertalen. Sprezzatura hier dus een soort bestudeerde nonchalance) die mijn schrijven zo kenmerkt’. Nou, een wel juiste karakteristiek van zijn eigen stijl, en die straatnamen, het wemelt ervan, misschien wel handig voor iemand die Genua als zijn broekzak kent, maar om steeds maar met Google Maps te gaan uitzoeken waar hij zich nu bevindt? Al is dat af en toe wel interessant, zeker als je met Street View een reëel beeld kan krijgen van de straat of steeg in kwestie. Blz. 142: ‘Het was het hoge geluid van een warme dag die nog lang niet moe was van zichzelf en anderzijds vol genoeg was geweest om niets meer van zichzelf te vergen dan dit zacht en moeiteloos verglijden in warme, trage gebaren.’ Vind ik nu een zeer mooie beschrijving van een zomerse dag, ik moest denken aan Waldleben uit Wagners Siegfried. Maar deze vind ik nu een smakeloze zin (blz. 203): ‘Haar tong woelde rond in mijn mond als een natte lap stof in de draaitrommel van een wasmlachine.’ De (even smakeloze) zin erop laat ik maar voor wat ze is. Bweukes. Op bladzijde 276 moest ik even aan Der Wanderer van Schubert denken (tja, die muzikale associaties, ze zitten nu eenmaal in mij), aan zijn ‘Dort wo du nicht bist, dort ist das Glück’ als Pfeijffer schrijft: ‘Ik kan nergens anders leven dan elders.’ Een rake oneliner (ook al staat hij midden in de tekst) is te lezen op blz. 278: ‘Genot is niets anders dan vergetelheid van wat ons na het moment van genot te wachten staat.’ Een heus doordenkertje, moet je eens rustig een tweede keer lezen. En iets van hetzelfde kaliber staat twee bladzijden verder: ‘Eenzaam zijn te midden van andere eenzamen is een gesublimeerde vorm van eenzaamheid.’ En voor dat allemaal krijgt de schrijver de gegeerde Libris Literatuurprijs, het is hem gegund en voor zijn taal mijns inziens terecht, als verhaal schiet ik er echter niet mee op.

 

Zondag 23 augustus 2020

Genua. Genova. La superba. In Genua ben ik nooit geweest en zal er waarschijnlijk nooit komen. Wat heb ik er trouwens te zoeken? Laat staan te vinden? Toch geen geamputeerd vrouwenbeen. Nu ja, zopas dan toch de alom geprezen roman van Ilja Leonard Pfeijffer opengeslagen, na de zoveelste hint. Marja Pruis is niet mals voor deze langharige rakker, lees maar: ‘Thomèse en Pfeijffer, droogneukers: intellectuele verliteratureluurde mannen die zich verschansen achter een muur van vieze woorden.’ Vieze woorden ben ik nog niet echt tegengekomen (ik zit ook nog maar in het begin), overbodige woorden wel me dunkt, maar ja het is geen poëzie. En vanuit de lucht ziet Genua er allerminst poëtisch uit. Eerder chaotisch en vooral broeierig, niet direct een stad om er te gaan flaneren. Dat doet Pfeijffertje ook niet echt, hij gaat eerder op speur- en zoektocht, niet naar de mooiste meisjes van Genua, maar ineens naar ‘het’ mooiste meisje van de stad. Zoals het een goede schrijver betaamt vangt hij bot (althans tot bladzijde 100), het been is hij na enkele halfbakken verwoede pogingen ook nog niet echt kwijt, of toch de vaak aangekondigde nasleep nog niet, maar de man lijkt zich wel te amuseren, geholpen door het toeval (zoals het een goede schrijver betaamt) weet je zelf na die honderd bladzijden niet meer met welke Italiaanse, Duitse of Scandinavische hij nu in zijn IKEA-bed is geraakt. Geamputeerd beenscènes, bedscènes en voorbereidingen daartoe, meer heb ik nog niet echt gelezen, maar het dient gezegd, hij weet zijn taal meesterlijk te gebruiken tot het beschrijven van zijn dagelijkse doen en laten. Nog 2/3 te lezen, toch benieuwd wanneer hij eens echt aan zijn roman zal beginnen.

 

Week 16 augustus - 22 augustus 2020

Zaterdag 22 augustus 2020

Brugge die Scone is weer Bruges la morte en daardoor nog sconer. De Heilig Bloedprocessie is er vervangen door een ware mondmaskerade, meestal Bruggelingen en aangelanden uit de randgemeenten, hier een daar een toerist, of meestal twee: man en wijf, één lijf. Toch nog een rebelse kerel die zijn tanden bloot lacht en zigzaggend met zijn fiets de Vlamingstraat in duikelt. Maar het is er stil, het meisje van de Body Shop staat er wat verweesd haar eigen etalage te inspecteren en in Boekhandel De Reighere kan je rustig tussen de boekenrekken flaneren. Of ze Magazine littéraire van juli-augustus niet meer hebben (want alleen het nummer van juni ligt er, wat ik vorige keer niet eens gemerkt had en Lire kan mij zoals gewoonlijk weinig bekoren)? ‘O, maar wij zijn maar een nederig schakeltje in de distributieketen en als wij geen zending toekrijgen, dan kunnen wij dat ook alleen maar vaststellen’. Brugge en Parijs, er ligt een oceaan van importantie tussen de metropool en dit oord aan het verzande Zwin. Maar een toeristenloos Brugge in de zomer, even wennen toch. Aan de ingang van het Frietmuseum, geen mens. Aan de ingang van het Biermuseum, geen mens, ik vermoed hetzelfde beeld bij het Chocolademuseum. Als die musea straks de Corona inroepen om definitief de deuren te sluiten, dan is er toch nog iets goeds geweest aan deze crisis. Hetzelfde zou ik ook kunnen zeggen over het Historium, maar ik vrees dat dit wat gevoeliger ligt bij de doorsnee eigenzinnige Bruggeling, die het met de geschiedenis niet zo nauw neemt, maar wel ontvankelijk is voor het imago van zijn stad. Ik loop zoals elke week over de Burg en wordt alleen aan mijn menselijk bestaan herinnerd door een licht briesje, alsof het putje winter na de kerst- en feestdagen is. Verleden jaar, tijdens de zomermaanden, was het wel even anders als ik mij tussen de drommen uitgespuwde cruisegangers met hun tasjes Leonidaspralines naar de bushalte moest laveren. Zelfs de studentjes van het conservatorium met hun dwarsfluit of viool zijn niet te bespeuren aan de ingang van het Blinde Ezelstraatje. Geen badinerie of partita, alleen dat briesje en de vaststelling: ja, ik leef nog, in Bruges la morte.

 

Vrijdag 21 augustus 2020

Zowat twee maanden geleden kreeg ik een brief van de Belgische posterijen, dat de bedeling niet meer dagelijks, maar slechts om de twee dagen zou gebeuren, in casu: maandag, woensdag en vrijdag. Lange tijd dacht ik dat er daar niets van in huis zou komen, maar sinds een week of drie is dat inderdaad zo. Een ramp is dat natuurlijk niet, als de Posterijen hiermee hun kopje boven water kunnen houden, neem ik dat graag erbij. Vandaag zat mijn brievenbus dan ook behoorlijk vol: facturen, provinciale belasting, drukwerk en zowaar een brief met mijn naam in een opzichtelijk en zwierig handschrift geschreven, gekalligrafeerd bijna. Dat moest van iemand zijn die of veel tijd had, of een vaste hand had, of iemand van de oude stempel die nog opgegroeid is met de lessen Schoonschrift. Toen ik het tegenadres las – netjes aan de achterkant genoteerd - dan wist ik het meteen: die man voldeed aan alle drie de criteria. Het was toch al een tijdje geleden dat ik iets ontvangen had van mijn goeie vriend Hervé uit Berchem of Knokke, al naargelang hij vanuit zijn thuis of zijn tweede verblijf schreef. Bij nader inzien kon ik vaststellen dat hij de brief thuis begonnen was, maar voltooid had aan de kust. Zoals gewoonlijk, twee tot aan de rand gevuld kantjes, een caleidoscoop van teksten en foto’s (dit keer maar een) en opgeplakte tekstjes en dat alles op ouderwetse wijze gefotokopieerd. De Ginkgo Biloba, nee het ging over het gedicht van Goethe over de Ginkgo (‘Dieses Baums Blatt, der von Osten / meinem Garten anvertraut’), die een ‘comilito’ (Hervé houdt ervan quasi antieke woorden uit zijn studententijd te gebruiken), tegenwoordig, ik citeer ‘lexicoloog, prof. Em., dichter’ vertaald had, en die vertaling had hij opgedragen aan onze gemeenschappelijke vriend, het stond onder de titel ‘Aan H.D.’ Hervé was ten zeerste ingenomen met de eer die hem te beurt gevallen was, reden genoeg om dit aan mij te melden, inclusief een gefotokopieerd Ginkgo Biloba-blad uit zijn tuin te Berchem, inclusief de originele tekst van Goethe, gefotokopieerd, uitgeknipt en nogmaals onderaan de brief gefotokopieerd. Ik laat de aan Hervé opgedragen vertaling hier even volgen.

Ginkgo Biloba

(voor H.D.)

 

Het blad van deze boom ooit uit Japan

Naar hier gebracht en in mijn tuin geplant,

Laat iets van een geheim vermoeden,

Proeven van wat wetenden bevroeden.

 

Is het één, één enkel wezen,

Dat in zichzelf gespleten leeft?

Zijn het twee, die elkaar vonden

En zo verweven zijn verbonden?

 

Naar antwoord zoekend op die vraag

Kwam ik de ware zin steeds nader:

Of voel jij niet in alles wat ik schrijf,

Dat ik eenheid én tweeheid ben terzelfdertijd?

 

 

 

Donderdag 20 augustus 2020

De nieuwsbrief van Het Beleefde Genot is verstuurd. Nou ja, nieuwsbrief, er is gewoon geen nieuws en toch kreeg ik al dadelijk twee reacties. Eentje, van nog een vriend uit de humaniora, bestond slechts uit een enkel woord: coronam. Hij bedoelde corona uit de openingszin, die volgens hem coronam moest zijn. Ik verklaar mij nader. Ik had als motto voor de nieuwsbrief een aangepaste versie van de beroemde opener van Cicero in zijn eerste Catalinarische redevoering geplaatst. Die gaat zo: ‘Quousque tandem abutere, Catilina patientia nostra’ of Catilinam? Vocatief of accusatief, welk van beide is juist? Voor alle duidelijkheid: ‘Hoe lang Catilina, zal jij ons geduld nog op de proef stellen?’. Catilina had ik vervangen door Corona. ‘Hoe lang Corona, zal jij ons nog op de proef stellen?’ ‘Quousque tandem abutere, Corona patientia nostra’. Coronam kreeg ik dus terug van mijn naamgenoot. Nu, dat dacht ik ook, ik hoor nog mijn gewezen leraar Latijn Paul Elsen zaliger met veel verve en pathetiek en met zijn gekende scherpe stem snauwen: ‘Quousque tandem abutere, Catilinam patientia nostra’; Catilinam dus, zo zit dat nog in mijn geheugen. Dus Bart, je hebt gelijk Coronam. Even googelen, en wat vind ik daar? Overal Catilina, ook in Wikipedia, maar juist Wikipedia durft er nog al eens naast te zitten en aangezien het merendeel van de andere sites maar al te vlug Wikipedia overneemt… Opletten dus. Maar ik heb nog twee klassieke vriendinnen, of tenminste een romaniste en een classica. Hun gelijkluidend antwoord: vocatief, dus Catilina. De classica zet er zelfs bij ‘dat zit nog goed in mijn kop’ (en ze heeft een kop!). Dus ik mail naar Bart dat ik ook eerst aan Catilinam dacht, maar dat mijn vriendinnen-specialisten zonder aarzelen zeggen: vocatief, ergo Catilina. Vanavond krijg ik een mail terug (‘verstuurd via mijn iPhone’):’Ik zit nu aan de Oostzee, ben in Lübeck geweest, fantastische stad, maar Bart, is Catilina hier niet het onderwerp van een infinitiefzin, dus accusatief ???’ (inclusief drie ?, jawel). Terug naar af dus. Volgens mij, nu ik het nader bekijk, heeft het alles te maken met die komma achter abutere. Zet die komma, en ja Catilina lijkt juist (vocatief), laat je die komma weg, dan moet er Catilinam staan (accusatief), want behoort bij abutere. Dat klinkt dus heel erg accusant bij manier van spreken, en dat was toch de bedoeling van Cicero? Om maar te zeggen dat de komma of de plaats van een komma heel belangrijk kan zijn en tot een heel andere interpretatie aanleiding kan leiden. Wat denk je van deze gevleugelde woorden (let vooral op de plaats van de komma!): ‘To be or not to be, that’s the question’ en ‘To be or not, to be that’s the question’. Een doordenkertje. Maar Catilina(m)/Corona(m) wordt wellicht nog vervolgd.

 

Woensdag 19 augustus 2020

In Le Magazine Littéraire – Le nouveau Magazine Littéraire moeten wij nu zeggen – van juni jl. (pas eergisteren in een boekhandel geweest waar Le NML te verkrijgen is) vinden wij zoals gewoonlijk een dossier, dit keer onder de titel Les livres pour revivre. Welke boeken zouden wij moeten lezen of herlezen om te herleven in deze Coronatijden (en juni was het nog maar het begin)? Niet eens zo’n slechte vraag vind ik. Verschillende critici en recensenten medewerkers van le NML mochten eens komen vertellen aan welke boeken zij zich in deze tijden vasthielden om te overleven, te dromen of gewoon de energie konden vinden om te volharden. Het leverde een twintigtal mini-essays op met (heel) bekende tot (voor mij althans) onbekende werken, doorgaans romans. Ik som er enkele op zonder er verder op in te gaan. Proust A la recherche du temps perdu (het pronkstuk van de Franse literatuur mocht uiteraard niet ontbreken), D.H. Lawrence, maar eigenaardig genoeg niet Lady Chaterley’s lover maar het minder gekende The man who died, Léon Bloy, Essais et pamphlets, Walter Benjamin, het volledige werk (ben je inderdaad een eindje mee zoet), L’école de femmes van Molière, het ook al volledige werk van Vladimir Nabokov, Ethica van Spinoza (eerlijk gezegd voor masochistisch aangelegde zielen, ik heb er ooit grote delen van gelezen of ze proberen te lezen), Natalia Ginzburg, La piccole virtu, essays vertaald als Mensen om mee te praten, Robert Linhart, Lénine, les paysans, Taylor, John Maynard Keynes, de slimste van de Bloomsbury groep met The General Theory of Employment, Interest and Money, Emmanuel Bove, Mes amis, Marguerite Yourcenar, Mémoires d’Hadrien – Hadrianus’ gedenkschriften. Wil ik nog wel eens herlezen, voor de derde keer dan, Stendhal, zijn Journal, André Breton, Arcan 17, sedert Nadja ben ik niet geneigd nog iets van Breton te lezen, Richard Adams, Watership Down, Waterschapsheuvel, wat lang geleden dat ik die nog tegengekomen ben, Zamiatin, Wij, inderdaad aan te raden, de Russische Aldous Huxley, Francçois Hartog, Régimes de l’historicité (geen spek voor mijne bek), Jean-Pierre Vernat, Les origines de la pensée grecque, Georges Navel, Travaux, trekt wel aan moet ik zeggen, Nancy Fraser & Co, Féminisme pour les 99%. De vrouwen zijn weer eens het grootste slachtoffer van de Coranacrisis, en misschien klopt dat ook. We gaan verder: Emmanuelle Bayamack-Tam. Emmanuelle wie? Nooit van gehoord, bovendien is het aanbevolen revivre-boek Il est des hommes qui se perdront toujours, auteur: Rebecca Lighieri. Pseudoniem? Inderdaad: Elle écrit également des romans noirs sous le pseudonyme Rebecca Lighieri (Wikipédia, die ook vermeldt onder de subtitel Biographie: Cette section est vide, insuffisamment détaillée ou incomplète. Votre aide est la bienvenue). In het oog houden? Volgende, een bekende (en beminde): Italo Calvino, zijn laatste twee werken: Palomar en Cosmicomics. Net deze die ik niet gelezen heb. Etel Adnan, een dichteres dan nog, 95 jaar oud met Libanese roots, woont in Parijs, schrijft in het Engels: Seasons, Hubert Mingarelli, La Beauté des loutres, de schoonheid van de otters. Natassja (met dubbele s) Martin, Croire aux fauves, Friedrich Nietzsche (jawel hij): Morgenröte – Morgenrood. Ook nog te lezen.

Ik weet het, dit was een opsomming, een goedkope manier van papier vullen, misschien, maar ook boeiend vind ik, bevestiging enerzijds, maar ook onbekende, beloftevolle namen.

 

Dinsdag 18 augustus 2020

Dan toch maar Marja Pruis voorgenomen. Nee, niet voor die flamingobenen op de kaft, evenmin om de titel ‘Kus me, straf me’, maar wel degelijk voor de opstellen van Marja Pruis die mij intrigeerden. Marja Pruis is recensente en schrijfster. Doeschka Meijsing is schrijfster en recensente, en dat merk je als je die twee naast elkaar legt. Ik ga er niet verder op in maar Doeschka draagt ontegensprekelijk mijn voorkeur, al was het maar omdat zij meer diepgang in haar artikels weet in te bouwen, bij Marja gaat het er wat speelser en oppervlakkiger aan toe, wat niet weg neemt dat ik het meeste van haar graag gelezen heb. Met veel van wat ze schrijft kan ik volmondig akkoord gaan, ‘In de praktijk is zo weinig hinderlijk als een al te opzichtige stijl’; ‘Een roman zegt meer over de schepper dan een psychiatrisch rapport’; ‘In werkelijkheid is schrijven langzaam uitgeput raken van niks’ (zeg wel). Pruis schrijft voornamelijk over vrouwelijke schrijfsters en over hun bijzonder statuut. Zij citeert met verve Fanny Fern: ‘No happy woman ever writes’ en Dorothy Parker: ‘Dear God, please make me stop writing like a woman’. Tussen haar essays door zit er hier en daar een eigen verhaaltje van de schrijfster, wat ik niet zo’n gelukkikge constructie vind, maar anderzijds bevat het soms rake verwoordingen zoals bijvoorbeeld: ‘Aan de andere kant, er is altijd een andere kant…’ Sommige van nhaar essays zijn gewijd aan één schrijfster (Flannery O’Connor) of aan bepaalde soorten schrijfsters: schrijvende moeders (Hella S. Haase en Alice Munro), schrijvende weduwen (Simone De Beauvoir, Clara Eggink, Renate Rubinstein, Connie Palmen en een beetje Kristien Hemmerechts). Een leuk artikel gaat over boeken waarin het thema de (pseudo) incestueuze relatie schoonvader – schoondochter centraal staat, zo heeft ze het over Knielen op een bed violen (Jan Siebelink), De passievrucht (Karel Glastra Van Loon), Dagboek van een oude dwaas (Junichiro Tanizaki) en het niet in het Nederlands vertaalde maar wel door Louis Malle verfilmde Damage, met Juliette Binoche (auteur: Josephine Hart).

 

Maandag 17 augustus 2020

Dagboeken. Stel je voor: je bent er vandaag, en morgen ben je er niet meer. Een absurd idee? Helemaal niet. De Spaanse Rosa Montero schreef in 2013 Het absurde idee je nooit meer te zien (La ridicula idea de no volver a verte). Over het leven van Marie Sklodowska, een onbekend maar bijzonder intelligent Pools meisje dat op achttienjarige leeftijd trouwt met de pas afgestudeerde Pierre Curie en zo werd ze Marie Curie en zou ze wereldberoemd worden, zij werd de enige persoon die tweemaal de Nobelprijs zou winnen. Maar Montero had vooral oog voor de dagboeken van Marie, met name de notities die Marie Curie maakte vlak na de gewelddadige dood van haar man Pierre. Op het einde van het boek worden er enkele fragmenten uit dat dagboek gepubliceerd. Ik heb ze herlezen. De onmacht, de pijn, het springt uit elke zin naar voor. Marie spreekt Pierre rechtstreeks aan. Het eerste fragment dateert van 30 april 1906, Pierre is dan twee weken dood en is geschreven in het laboratorium waar zij zoveel uren samen hebben doorgebracht. ‘Lieve Pierre, die ik hier niet meer zal zien, ik wil met je praten in de stilte van dit laboratorium, waar ik nooit had gedacht te moeten leven zonder jou.’ En dan overloopt ze de laatste dagen die ze met hem heeft doorgebracht, waar alles wat ze zich voor de geest haalt de stempel draagt van ‘de laatste keer’. Daar in dat restaurant, de laatste keer dat wij samen aten, de laatste keer dat ik je aan dat tafeltje je ideeën hoorde uiteenzetten, de laatste keer dat ze iets tegen hem zei, vooraleer hij naar het laboratorium vertrok en ze herinnert zich ‘het was niet teder of liefdevol. En daarna heb ik je alleen nog maar dood gezien.’ Hoe absurd dat te proberen te beseffen. Ja hoe absurd dat alles wat we doen of zeggen eens de laatste keer zal zijn. Dat kun je je gewoon niet voorstellen. De laatste keer dat ik je zag, de laatste keer, dat je me hoorde, de laatste keer dat je glimlachte naar mij… En dat, in al die verschrikkelijke onmacht, wil ik verankeren in een brief die je nooit zal bereiken, in een dagboek dat je nooit zal kunnen lezen. Nooit, nooit, nooit. Het dringt maar niet tot je door. ‘Ik heb het gevoel dat alles wat ik schrijf koud is en dat ik de herinnering aan die verschrikkelijke uren niet schriftelijk kan vastleggen, en dat doet me veel verdriet.’ Nog altijd 30 april 1906. De dag erop begint Marie haar dagboek met ‘Mijn lieve Pierre, alles is zo treurig in dit huis dat jij hebt verlaten. De ziel van het thuis is weg. Alles is triest, somber en zinloos.’ Daar zit je dan, daar staan zijn boeken, hangt haar zomerjurk, zie je zijn schoenen half onder het bed, liggen haar oorbellen op het dressoir, zwijgen haar lavendelstruiken in de tuin, uitgebloeid. Als de grafkuil met aarde is gevuld – Marie is tot het laatst op het kerkhof gebleven – schrijft ze: ‘Alles is voorbij. Pierre slaapt zijn laatste slaap onder de grond. Het is het eind van alles, van alles, van alles.’

Het laatste fragment van de dagboeken van Marie Curie dat Montero in haar boek heeft opgenomen, dateert van april 1907, een jaar na de dood van Pierre. ‘Het is nu een jaar geleden. Ik leef voor zijn kinderen – Irène en Eve die toen tien jaar en drie jaar waren -, voor zijn oude vader. De pijn is dof, maar is nog steeds niet verdwenen. Er drukt een zware last op mijn schouders. Wat zou het heerlijk zijn om te gaan slapen en niet meer wakker te worden! Wat zijn mijn arme schatjes nog jong! En wat ben ik moe! Zal ik nog de moed hebben om te schrijven?

 

 

Zondag 16 augustus 2020

Een luiwarme dag, en daar had je ze: drie koolwitjes in een zinderend luchtballet en even later ook een admiraalvlinder of een atalanta met zijn zwarte lijf en die opvallende oranje streep en witte stippen op het uiteinde van zijn vleugels. Mijn probleem met vlinders is nog altijd mijn twijfel over wat er eerst komt: de rups of de vlinder? Het kip en het eiverhaal op insectenniveau. Aangezien de rups ook een levend wezen is (in tegenstelling tot het ei – we gaan niet muggenziften, nietwaar), betekent dat dus dat een vlinder/rups twee levens heeft in één. Een mooie reïncarnatie, maar dan over twee levens gespreid en in het eerste leven weten wat de reïncarnatie inhoudt: vlinder of rups, al naargelang wie van beide er het eerst was.

Leuk vind ik ook dat het woordje vlinder in de verschillende talen rondom ons, totaal anders klinkt en geschreven wordt. Je zou kunnen verwachten dat het woord toch ergens een analoge stam heeft in een of meerdere talen, niet bij de vlinder (Nederlands), papillon (Frans), butterfly (Engels), Schmetterling (Duits), mariposa (Spaans), farfala (Italiaans). Mariposa klinkt het mooist en butterfly – botervliegje - vind ik de leukste naam. De mooiste tekeningen van vlinders vind ik terug in dat prachtige boek van Maria Sibylla Merian, Metamorphosis insectorum Surinamensium oftewel Verandering der Surinaamsche insecten, een luxe facsimile-uitgave van Lannoo samen met de Koninklijke Bibliotheek van België. Behalve insecten heeft zij ook haarfijn bloemen en andere diersoorten zoals amfibieën getekend. Maria Sibylla Merian was een merkwaardige figuur, om te beginnen heeft zij – in tegenstelling tot nogal wat feministen – haar meisjesnaam (Merian) behouden en niet de naam van haar echtgenoot Graff overgenomen. Ze is geboren in Frankfurt in 1647 en 70 jaar later gestorven in Amsterdam. Ze had een ronduit bewogen leven, maar als etymologe en schilderes was ze toch het meest verdienstelijk. Ooit werd ze afgebeeld op een bankbiljet van 500 DM, het laatste 500 DM-biljet voor de komst van de euro

     

Week 9 augustus - 15 augustus 2020

Zaterdag 15 augustus 2020

Niet april maar augustus is the cruellest month, neem dat maar van mij aan. Of overdrijf ik? O ja, ik overdrijf veel en graag, is dat niet juist de vrijheid en blijheid van de schrijver? Maar vrijheid? Hoe vrij is de schrijver, de schrijver die weet dat iedereen zijn boeken kan lezen, al is dat statistisch gesproken een verwaarloosbare minderheid. Maar in die minderheid zitten dan wel bekenden: vaders, moeders, zoons, dochters, echtgenotes, geliefden, minnaressen (huidige en ex)… Dus, wat doe je dan? Met een grote boog daaromheen schrijven? Maar wat als je zogenaamd persoonlijk bezig bent, je hoeft niet eens in de ik-persoon te schrijven, een herkenbare hij-persoon is vaak voldoende. Wat zei Czeslaw Milosz ooit eens? ‘Als er in een gezin een schrijver wordt geboren, dan is ’t gedaan met dat gezin.’ Ik denk dat hij het meende en dat je het ook ernstig moet nemen. Misschien is het daarom dat ik nooit een schrijver geworden ben. Moet de schrijver dan aan zichzelf een soort zelfcensuur opleggen? Ben je als schrijver dan een zoon, een vader, een echtgenoot, een minnaar? Neen, als schrijver ben je schrijver. Punt. Dus: geen terughoudendheid, wat niet wil zeggen dat je de waarheid dient te vertellen (en niets dan de waarheid, laat me niet lachen). Maar toch, ik hoor ze al aankomen: waarom schrijf je zoiets over mij? Ik herken me wel hoor. Kijk als ik bijvoorbeeld de volgende zin neerschrijf, laat het in een ordinair verhaal zijn: ‘Ik (of de hoofdpersoon) eet met mes en vork, in tegenstelling tot mijn zoon’. Daaruit kan de lezer, of hij mij kent of helemaal niet weet hoe ik eruit zie, niet concluderen welke zoon ik bedoel, want ik heb er twee en misschien staat dat ook in mijn verhaal. Hij kan wel gissen: het is de oudste of het moet de jongste zoon zijn. En die zonen zelf dan? De oudste leest die zin en grinnikt en gesteld dat hij wel met mes en vork eet, kan hij op zijn tenen getrapt zijn omdat sommigen misschien zullen denken dat die zin op hem slaat. Of de jongste dan – stel dat hij niet met mes en vork eet – kan die zin als een regelrecht affront aanvoelen en kan hij zich erg geviseerd voelen. Hoe dan ook, uit deze zin ‘Ik eet met mes en vork, in tegenstelling tot mijn zoon’ kan niemand betrouwbare conclusies trekken, niet zij die mij kennen, niet diegenen voor wie ik slechts een naam ben. Het gekke zou kunnen zijn dat mijn beide zoons met mes en vork eten, maar omwille van het verhaal… zo gaat dat dan. Ethel Portnoy, een naar Nederland uitgeweken Amerikaanse die in het Nederlands schreef wist daar iets op. Ze publiceerde in het Nederlands en als haar Engels sprekende broer uit de VS dan overkwam en haar boeken opnam dan herkende hij wel de straatnamen, maar dat was het dan ook. Ondeugend voegde Ethel er dan aan toe, had hij verder gebladerd zou hij ook wel de namen van al zijn vrouwen herkend hebben. Moraal van het verhaal: wees steeds op je hoede voor schrijvers!

 

Vrijdag 14 augustus 2020

Gisteren een Corona-cadeautje van mijn verzekering, een aankoopbon van 20 euro, te besteden in enkele zaken vermeld in een lijst. Voor Zedelgem drie cafés, voor Brugge dan maar: ook vooral horeca en kijk, Boekhandel De Reyghere. Dus vanmorgen (Cueillez dés aujourd’huy les roses de la vie, weet je nog ?) met de fiets richting Brugge. Eerst wat gescharreld in de non-fictie, maar al vlug naar de romans: eigenlijk was ik op zoek naar Karel Capek (Meteoor, Een doodgewone dag, Hordubal, delen van een trilogie). Nou, die stonden niet onder vertaalde literatuur, dus toch maar even onze eigen schrijvers (en die van onze Noorderburen) overlopen, en kijk daar viel mijn oog op een oude sinds onlangs bekende: Marja Pruis (ik durf haar wel eens te verwarren met Margot Dijkgraaf). Marja is pas zestig hoor, mocht je wat misleid zijn door die oude bekende). Kus me, straf me. Oei, dat voelde wat SM-achtig aan, dus boek maar terugduwen, maar neen, eerst even de kaft en de achterkant bekijken en lezen. Ondertitel: over lezen en schrijven, en liefde en verraad. Dat klinkt al heel wat anders, al was de foto op de kaft, een schilderij van ene Jan Worst (sic), getiteld ‘Deugd als Slaapmiddel’, nu ook weer niet om een kritisch ingestelde geest te overtuigen: een languit in een Kennedystoel vrouwelijk uitgestrekt mensenkind met een witte kamerjas en blote benen tot aan de lies. Haar rechterarm hangt lusteloos over de leuning en heeft nog juist een opengeslagen boek in de hand, tekst onleesbaar. Het decor achter haar een ouderwetse, degelijke en netjes met boeken gevulde kast met twee glazen deuren en in de hoek een opstapladdertje en kijk bovenaan staat haar zoontje van een jaar of vier, dat heb ik in de winkel niet gemerkt, waarmee je dus weet dat ik dat boek gekocht heb met mijn verzekeringsgeld. En ik die de allerzoveelste keer gezworen had: ik koop geen boeken meer die ik niet lees. Maar deze regel is niet overtreden: ik ben van plan dat boek te lezen, aandachtig nog wel. Alleen: er zijn nog x wachtenden voor u, beste boek van Marja Pruis. Maar de schrijfster intrigeert me (vooral sedert De nieuwe feministische leeslijst), dus moeten wij ergens een gaatje vinden, tussen twee ik weet nog niet welke leesboekjes. Augustus is nog niet ten einde.

 

Donderdag 13 augustus 2020

Het gebeurt wel (meer dan) eens dat ik iets bestel zonder echt te weten wat het inhoudt. Nee, ik beweer niet dat ik boeken koop omwille van de omslag, al zal dat wel eens gebeurd zijn. Zopas ontving ik een pakje met een CD, ik had die CD drie dagen geleden besteld. Zegt Silvia Colasanti u iets? Nee, mij ook niet. Componiste, geboren in 1975, Italiaanse vermoed ik, want al haar werken op de CD dragen Italiaanse titels: Due destini, Di tumulti e d’ombre een driedelig stuk: Tre notte met als onderdelen: Prima notte, Seconda notte en jawel, Terza notte. Allemaal gecomponeerd voor strijkkwartet. De titel van de CD is trouwens: Silvia Colasanti, String Quartets. En dat was dus de reden waarom ik geen seconde getwijfeld heb om te bestellen. Nou ja, ook de prijs, je weet maar nooit dat zoiets mijn rekbaar budget te boven zou zijn gegaan. Vraag aan mezelf (en eerlijk te beantwoorden): zou ik de CD gekocht hebben als ik enkel Silvia Colasanti had zien staan? Antwoord: vermoedelijk ja. Tweede vraag: zou ik de CD gekocht hebben als ik enkel String Quartets had zien staan? Antwoord: heel zeker ja. Dus: Silvia Colasanti + String Quartets = blindelings bestellen. Wat zegt dat over de koper? Dat hij gecharmeerd is door vrouwelijke componisten, absoluut, ik steek dat niet onder tuinstoelen en parkbanken. Dat zijn ogen beginnen te flikkeren bij het lezen van String Quartets? Het strijkkwartet is inderdaad mijn favoriet muzikaal genre, hoe abstracter (en zijn strijkwartetten niet het abstracte genre par excellence?) hoe liever: Beethoven, Shostakovich, Bartok… meer moet dat niet zijn, maar meer mag dat wel zijn, met de drie nachten van Colasanti bijvoorbeeld. Ik vergat bijna te vertellen of het beluisteren van die drie nachten meeviel. Het viel mee, al zullen die stukken nooit in welke muzikale canon dan ook terecht komen. En de uitvoerders? Ik vergat hen ook bijna: het Quartetto Noûs (het Griekse noûs (νοúς) of noos (νóoς) = geest, intellect) bestaat uit drie mannen en één vrouw: Sara Dambruoso, zij speelt niet de tweede viool maar de altviool.

 

Woensdag 12 augustus 2020

Behalve De vanger in het koren, heeft J.D. Salinger nog drie andere boeken op zijn naam staan: Negen verhalen, Fanny en Zooey en dan dat boek met die bizarre titel: Heft hoog de nokbalk timmerlieden en Seymour, een introductie. Ik heb ze alle drie na elkaar met veel plezier gelezen. Waarom niet een van deze drie in de canon terecht gekomen is in plaats van De vanger in het koren is mij een raadsel. Toegegeven ik was wel enigszins bevooroordeeld door het essay van Doeschka Meijsing De mogelijkheid van een verschil, over J.D. Salinger, ooit als lezing gehouden toen ze gastschrijfster was aan de universiteit van Groningen, maar nu verschenen in Hoe verliefd is de lezer? Wel, eerlijk, voor deze drie boeken heb ik slechts een woord: meesterlijk! Echt. Een samenvatting heeft geen zin en kan eigenlijk niet, maar het merkwaardige is dat alles wat in die boeken staat met elkaar verbonden is en dat via de kinderen Glass. Pas op het einde van het derde boek kom je bijvoorbeeld te weten hoe die zelfmoord van het eerste verhaal in elkaar zit. Het woord dat Doeschka Meijsing over heeft voor dit latere werk van Salinger is: ‘Meedogenloos – dat is het woord dat ik zoek. Meedogenloos helder, zonder enige verzachtende omstandigheid, worden de figuren getekend in de alledaagse flitsopname die van hen gemaakt wordt’. Alledaags zijn ook de attributen die in elk verhaal of elke novelle verschijnen. Zo bijvoorbeeld de sigaret. Er wordt nogal wat afgerookt in het proza van Salinger. Het valt op dat de as nooit in een asbak terecht komt: op de vloer, het tapijt, het bed of de prullenmand. Maar er wordt natuurlijk meer gedaan dan roken, al is de beschrijving van het sigarettenritueel van de moeder, Bessie, in Zooey ook ‘meesterlijk’. Volgens Doeschka behoren de negen verhalen ‘tot de beste korte verhalen die er in deze eeuw geschreven zijn’. Naast die van Kafka denk ik er dan spontaan bij. Franny, Zooey, Walt en Waker (tweeling), de oudste dochter Boo-Boo, Buddy en last but not least de oudste van de bende Seymour, elk van hen speelt ergens een hoofdrol (zij het niet altijd duidelijk, maar zoals ik al zei: op het einde van de boeken valt alles in de plooien en zou je kunnen zeggen dat het voornaamste personage Seymour is, die nergens als zodanig voorkomt (hij is trouwens gestorven) maar over wie het meest gespeculeerd wordt. Onrechtstreeks deed de aanpak van Salinger mij denken aan die van Giorgio Bassani, de auteur van De tuin van de familie Finzi-Contini (Il Giardino dei Finzi-Cntini) – in 1970 overigens prachtig verfilmd door Vittorio De Sica. De bijfiguren uit De tuin krijgen in zijn overig werk (Achter de deur, De reiger, De geur van hooi, …) een hoofdrol en omgekeerd komen de hoofdfiguren van De tuin in ander werk voor als figuranten, dat alles tegen één gemeenschappelijke achtergrond: de stad Ferrara.

 

Dinsdag 11 augustus 2020

Wat ik na mijn dood nog het meest zal missen dat zijn de Goldberg-variaties (én Beethovens 15de strijkkwartet én Bruckners Adagio uit zijn 8ste symfonie én…). Ik dacht er aan toen ik, uitgerekend vandaag dit Adagio van Bruckner hoorde, een wat vlakke uitvoering weliswaar, maar toch onmiskenbaar dit Adagio: puur, ongedwongen, etherisch. De Duitse choreograaf Uwe Scholz creëerde ooit een oneindig mooie dansproductie op Bruckners 8ste. Jammer genoeg bestaat er (naar mijn weten) geen film- of DVD-opname van, alleen in de biografische documentaire Soulscapes, in memoriam Uwe Scholz (1958-2004) krijgen wij een pakkend fragment van deze productie te zien. Dit beschrijven heeft geen zin, het is zo weemoedig, troosteloos, de hoop die zich aandient - samen met de muziek van Bruckner - in de omhoog reikende arm van de vrouw, wordt zacht maar onherroepelijk te niet gedaan als de man die arm weer traag naar beneden drukt. Je wordt er zo stiller dan stil van.

 

Maandag 10 augustus 2020

Wat gerommeld tussen mijn DVD’s, eigenlijk was ik op zoek naar Dogville en die stond of beter lag netjes boven Manderlay. Een zeldzaamheid dat dit zo op orde was en nog zeldzamer dat ik het gezochte meteen vond. Lars Von Trier staat voor de regie. De man heeft wel meer stevige films geregisseerd, denk maar aan Breaking the waves en Melancholia. Vroeger – in mijn studententijd en vlak erna – was ik meer geboeid door films en volgde ik ook min of meer de nieuwe ‘releases’. Mijn favorieten uit die tijd zijn zowat mijn favorieten gebleven, ja natuurlijk omdat ik mij later minder aan films ben gaan interesseren. Wie sprong er toen van tussenuit? Ingmar Bergman in de eerste plaats, dat was toen een echte cultregisseur. Het zevende zegel, Schaamte, Kreten en Gefluister, Fanny en Alexander en nog wel een paar. Een andere cultfiguur uit mijn puberteit was ongetwijfeld Jean-Luc Godard, en het is niet eens een van zijn bekendste films die een grote indruk op mij gemaakt heeft, maar Masculin féminin, en dan voornamelijk die scène in een Parijse bistro. Federico Fellini met Julietta degli Spiriti en Satyricon – pas later heb ik kennis gemaakt met La Strada en Otto e mezzo (en de muziek van Nina Rota!). Tarkovski, zeker met Andrej Roebljov, hoort ook thuis bij mijn favorieten, net als Kieslowski met zijn reeks over de tien geboden (Dekalog), maar ook La double vie de Véronique en de trilogie Trois couleurs: Bleu, Blanc, Rouge. Bij Bleu ben ik zowat verliefd geworden op Juliette Binoche, oké, dit is intussen al over hoor. Wie ik zeker niet mag vergeten is de Portugees Carlos Saura: erg genoten van Salomé en Carmen. Matador van Almodovar: magnifiek. Ja, en wellicht nog vele andere (films en cineasten) die mij nu niet te binnen schieten.

 

Zondag 9 augustus 2020

Dat ik zowat aan het einde van mij Latijn ben. Wie had er gedacht dat dit Corona-gedoe zo lang zou duren? Nou, ik wel een beetje, eerlijk gezegd. Virussen heb ik nooit vertrouwd en dat sinds mijn cursus Microbiologie bij professor Verachtert. Ik heb geen prof gekend die met meer leedvermaak zijn studenten bejegende, een echte sinistricus (neologisme: samenvoeging van sinister en cynicus), behalve dan de legendarische Koch van biologie, maar hem namen de meeste studenten niet erg ernstig, wat nochtans niet de aangewezen houding was als je bij het mondeling examen voor zijn neus zat en vragen moest beantwoorden als ‘Wat is dat, jonge heer?’ – ‘Een paard, professor’ – ‘Mis! Een foto van een paard. U kunt gaan.’

Mijn passage bij de man in kwestie was, voor mij althans eveneens heel merkwaardig. Vooraf mocht iedereen een drietal vragen trekken en die dan schriftelijk voorbereiden. Koch liep rond, zo’n beetje te lummelen, toen hij mijn plaats passeerde ritste hij al mijn papieren weg en zat ik daar te koekeloeren voor een half uur. Toen ik voor het mondeling tot bij hem moest zijn, wilde hij van mij horen wat ik wist over de Demodex folliculorum. Gelukkig wist ik min of meer wat dat beest was en hoe het zich ontwikkelde en gedroeg en zo. Oef, geen tweede zit voor biologie.

Maar Verachtert dat was een ander paar mouwen, zijn sarcastisch grinnikend lachje was voldoende om je voor de rest van de dag te doen ineenkrimpen. Hij was getrouwd met een Oostkampse en dat was onvoldoende om maar een greintje sympathie te wekken bij mij. Microbiologie dat was verdorie zware kost, er bestond toen (nog) geen eigen cursus van, maar hij volgde wel het boek Microbiologie van ene Schlegel, dat werk was in het Duits. Een apart deel was gewijd aan virussen en wat ik daarover te weten kwam stemde mij niet bepaald vrolijk. Nu, zo’n vijftig jaar later, zullen wij wel een heel stuk meer te weten gekomen zijn, maar blijkbaar nog niet voldoende om die vervelende Coronaatjes te temmen.

 

Week 2 augustus - 8 augustus 2020

Zaterdag 8 augustus 2020

Normaal (wat is er tegenwoordig nog normaal?) zouden wij vandaag de jaarlijkse uitstap hebben met het bestuur Het Beleefde Genot. Het is een jaarlijkse traditie geworden, spontaan gegroeid. Elk bestuurslid doktert om de beurt iets uit (een bezoek aan een tentoonstelling, een wandeling,…) en nadien gaan wij met zijn allen (bestuursleden plus partners) ergens iets gaan eten. De voorafgaande activiteit is steeds een verrassing, het wordt dus telkens een magical mystery tour. Het is begonnen in Veldegem, een etentje in een restaurantje dat intussen niet meer bestaat, maar toen nog niet voorafgegaan door een of andere activiteit. En sindsdien – met het risico dat ik een uitstap oversla – een bezoek aan een mooie particuliere tuin en nadien samenkomst in t’ Oud Wethuys (bestaat wel nog, maar onder andere naam en ik neem aan andere uitbaters). Tijdens het aperitief een bekroonde kortfilm met onze Carine in de hoofdrol (als moeder van een drugsverslaafde als ik het mij goed herinner). Het jaar erop wandeling in Merkemveld en nadien maaltijd in het Roodhof. Een andere uitstap bracht ons in de Poëziezomer van Watou, een rondleiding met een gids en ’s avond in ’t Hommelhof een rijke tafel waar Gwy Mandelink en zijn vrouw Agnes aanschoven voor het aperitief (en dat ook voor hun rekening namen), verder een Art Nouveau-wandeling met bezoek aan het Belle Epoquecentrum, s’ avonds rit terug richting Oostkamp, smullen in de Sachs. Het jaar erop geleid bezoek aan een frambozenteler en het kleuterklasje van Carine. Ik denk dat ik toen mosselen genomen heb in De Krakke, intussen ook al opgedoekt. Een jaar zijn we gewoon thuis gebleven, thuis dat was dan het huis van André en Marie-Claire, die voor een spreker gezorgd hadden. Hij gaf in een goed uur een overzicht van de Jazz, uiteraard met voorbeelden. Een traiteur had voor een rijke tafel gezorgd. Nog op het programma: een wandeling door de villawijk van Westende en diner in de Lanterfanter van Ramskapelle (de kappelle bij Nieuwpoort). Ook een gegidste Hugo Clauswandeling in Oostende en eten op de dijk (L’Océan?). Het jaar erop ging naar Zurenborg met een (door mij) geleide wandeling doorheen de Cogels Oseylei en aanpalende straten. Maaltijd in Sail & Anchor. Ook niet bij deur was de afspraak in Oudenaarde met een bezoek aan de tentoonstelling Adriaan Brouwer en een (verregende) stadwandeling met Robert als gids. Ter plaatse iets genuttigd, de naam ben ik vergeten. Verleden jaar dan kwamen we terecht in het Filmmuseum van Roeselare, dan wat door de stad gestruind en weer terug voor de film Cinema Paradise. De tafels stonden klaar in een restaurant niet ver van de markt. Dit jaar was het mijn beurt. Nou ja, ik had gedacht te gaan ontbijten bij Liliane De Baene in Ruddervoorde, zij schildert al jaren nauwgezet iconen en kent er dus wat van; daarna (misschien, ik wou vooraf natuurlijk alles eens uitproberen om te zien of het tijdschema wel realistisch was) een bezoek aan de kapel van Groenhove in Torhout met de kruisweg van Frits Kieckens, volgende halte het atelier van Nick Ervinck, alwaar een rondleiding gepland was (op die activiteit had ik al een optie genomen), afhankelijk van de tijd een bezoek aan die magnifieke kruisweg van Luc Hoenraet in Langemark. Patrick Lateur heeft bij de inhuldiging een prachtige speech gehouden, die zou ik dan ter plaatse voorgelezen hebben. Ten slotte, geleid bezoek aan de tentoonstelling Roma Initima in Oudenburg met als gids de (mede)auteur van het gelijknamige boek Bert Gevaert. En dan ergens gaan aperitieven en dineren, daarvoor had ik nog niet gekeken. Maar het heeft niet mogen zijn. Volgend jaar dan? Zou kunnen, maar ik ben er bijlange niet zo zeker van.

 

Vrijdag 7 augustus 2020

De hitte van de deze dagen. Je hoort mij – echt waar – niet klagen, ik heb al bij manier van spreken voor hetere vuren gestaan. De periode dat ik in Zaïre (vroeger Congo, nu weer Congo – tussen 1974 en 1976) verbleef was dat dagelijkse kost en ik herinner mij ook die ene keer dat wij op vakantie waren in de streek van de Loir (niet de Loire) dat wij la canicule moesten ondergaan. Hondse hondsdagen, wij waren toen gekazerneerd in een manoir die dateerde uit de renaissance. In Montoire-sur-le-Loir als ik mij nog goed herinner. Een magnifieke omgeving trouwens, ver van de al weinig bewoonde wereld. Nog geen gps, nog geen smartphone, calme, luxe en volupté. Ik heb me daar in de vroege ochtenduren op het grasveld voor het huis passend te goed gedaan aan de lectuur van de Essais van Montaigne (ook hier calme, luxe et volupté). Tijdens die dagen logeerde er ook een koppel, die ik mij nog enigszins kan voorstellen, Fransen uit het Zuiden dacht ik. En zij maar klagen over de hitte. Binnenskamers was het echter te doen wegens de onvoorstelbaar dikke buiten- en binnenmuren. In een soort alkoof stond er ook een ouderwetse badkuip (niet uit de renaissance), maar de eerste keer dat ik er gebruik van wilde maken zat er daar een spin in ter grootte van mijn handpalm (ik overdrijf wel een beetje, maar dan ook maar een beetje). Een weinig toeristische streek met in de buurt het dorp Troo, tegen de rotswanden langs de rivier de Loir, waar je van die typische rotswoningen vindt, die je wel meer tegenkomt in Frankrijk, in Vouvray bijvoorbeeld (ik bedoel hier Vouvray-sur-Loire, want er bestaat ook een Vouvray-sur-Loir), nu interessanter waren de plaatsen waar je van de lokale, meer dan voortreffelijk keuken kon genieten, al waren die wel dun gezaaid. In de omgeving bevond zich ook het geboortehuis van de Franse renaissancedichter Pierre de Ronsard (tijdgenoot van Montaigne) vlakbij het dorpje Couture-sur-Loir. Een zeer mooi bewaard en dito onderhouden kasteeltje met een prachtige bloementuin waarin veel rozen. Er bestaat zelfs een stokroos ‘Pierre de Ronsard’. Ronsard zelf heeft er slechts twee jaar van zijn prille leven door gebracht.

Van Ronsard kennen wij de beroemde verzen, opgedragen aan zijn Hélène (Sonnets pour Hélène):

          Vivez, si m’en croyez, n’attendez à demain :

          Cueillez dés aujourd’huy les roses de la vie.

Carpe diem dus op zijn Frans. Het geboortehuis van Pierre de Ronsard was een echte ontdekking, maar daar naast ook de Jasnières, een fijne, meer dan voortreffelijke donkergele witte wijn. Het kartonnetje met zes flessen was echter na één week al leeg.

 

Donderdag 6 augustus 2020

De korenvanger is gevangen. Nou, hoe geraakt zoiets in de canon? Niet dat het slecht geschreven is hoor, maar ik heb er toch geen Aha-Erlebnis bij gehad. En dan de titel! In zo’n dingen ben ik nogal naïef, lees: ik weet zelden waarom een titel net die titel is, tenzij met titels als: De avonturen van Augie March, Gullivers Reizen, Ivanhoe. Maar De vanger in het koren? Rye staat er in de oorspronkelijke taal. Dat is rogge, maar dat doet er volgens mij niet toe. De vorige vertaling was trouwens De vanger in het graan, en de eerste vertaling in het Nederlands zelfs Puber. Dan maar beter De vanger in het koren. De titel zelf komt slechts tweemaal in de roman voor. Het is een verwijzing naar een gedicht van de Schotse 18de eeuwse vrijmetselaar Robert Burns. De tweede maal gaat Salinger wat dieper in op die regel naar aanleiding van een droom waarin Holden Caulfield, de protagonist, droomt dat hij in de rogge spelende kinderen weghoudt van de afgrond aan de rand van het veld. In die zin is hij de korenvanger, maar verder in het boek geen aanwijzingen, noch naar graanvelden, noch naar kinderen, tenzij sporadisch en in de marge en ja op het einde komt zijn tienjarig zusje Phoebe uitdrukkelijk in beeld. Waarom dan zo’n heisa rond dit werk? Ruwe taal zegt men. Tja, niet direct een ruwe woordenschat, wel wat ruwe uitdrukkingen misschien en dat uit de mond van een zestienjarige. En veel pubertaal, voortdurend ‘en zo’ op het einde van een zin, overdrijvingen typisch voor die leeftijd: ze stonden met miljoenen te wachten aan de poort enz. Seksueel geladen woorden komen zelfs niet voor, er wordt wel heel veel gesuggereerd. Heeft hij het met haar gedaan? En die perverse leraar die ’s nachts naast zijn bed komt zitten en zijn hoofd streelt. Meer is er niet aan de hand, want Holden veert in paniek recht, schiet zijn kleren aan en weg is hij. En dat Holden zich bedrinkt (whisky soda’s dan nog), dat hij het zoekt (maar niet vindt) bij de meiden… Nu ja, in het preutse Amerika van de jaren 50 van de vorige eeuw, gaan ze daar misschien aanstoot aan genomen hebben, maar als je dan ziet wat ze vandaag durven te schrijven, dan lijkt De vanger in het koren wel novicelectuur. Doeschka Meijsing was er ook niet zo enthousiast over, maar wel over zijn overige drie boeken. Eens zien of ze gelijk heeft.

 

Woensdag 5 augustus 2020

Een ritje langs dat allerleukste fietspaadje tussen het reservoir en het Klokhof bevestigt wat ik al jaren weet: dit is de wegwerpgeneratie (en ik vrees ook de eerste weggeworpen generatie, de cultuurpessimist komt weer boven in mij). Mogelijke synoniemen: de plastiekgeneratie, de blikjesgeneratie enzovoort. Wat heeft er mij weer mijn bloed doen koken – intussen nip ik eerst even aan mijn blikje Cola Zero -? Welja die blikjes. Nu moet je weten dat er zowat midden dit Klokhofpaadje een venijnige S-bocht zit. In de eerste holte van de S bevindt er zich een poel (nu droogstaand) met wat door goedgelovige Natuurpunters aangeplante rietkragen errond en een heuse ouderwetse groene pomp. Er staan ook enkele ‘genaturaliseerde’ zitbanken of beter zitstronken met een voorzichtige leuning. Et voilà, het idyllisch plekje bij uitstek voor die eerste zoen (jammer van die voortjagende fietsers met hun hysterisch bellen) en voor een ontbijtje puur natuur. Maar blijkbaar ook geschikt voor al of niet Corona-ontduikende parties. De stille getuigen: één (vermoedelijke) lege champagnefles – het zal wel Cava geweest zijn – enkele verfrommelde zakjes chips en blikjes, wat in hoopjes verspreid. Et in Arcadia ego. Ook hier zijn wij geweest, niemand die ons gezien heeft, wellicht wel gehoord, de nabijgelegen Zeedijkweg kan wel een paar decibels vanop die afstand opvangen. Nu, ik waag het niet maatschappelijke commentaar op het fenomeen te geven, noch wetenschappelijke statements over dat soort vervuiling te maken. Onze zgn. experten, moraalridders en echte wetenschappers en sociologen hebben dat al ten overvloedig gedaan. O ja, ik was van plan om af en toe een foto bij mijn dagboek te plaatsen, waarom ben ik toen niet gestopt om dat eens op mijn iPhone en tegelijkertijd op mijn iPad en Mac vast te leggen, maar hiervoor teruggaan wil ik mijzelf ook niet aandoen. Maar eigenlijk, zou ik niet al te ver moeten gaan zoeken, aan de bushalte naast het domein Merkenveld heb ik een paar jaar geleden eens de weggeworpen blikjes geteld die over de afsluiting waren gekieperd. Aan vijftig ben ik maar gestopt met verder tellen, dat herinner ik mij nog.

 

Dinsdag 4 augustus 2020

Een poëziebundel over borsten. Je houdt het niet voor mogelijk, en toch. Lavend de liefde. De mooiste boezemverzen uit de wereldliteratuur. De ti(e)tel kan er nog mee door, maar de foto op de kaft vooraan, schrikt een normaal opgevoed persoon als ik eerder af dan dat het mijn verlangen doet aanzwellen. Het blijkt een detail te zijn uit een schilderij van Tintoretto uit ca. 1570: Portret van een vrouw die haar borst ontbloot (op de kaft zie je enkel haar borsten). Op de achterkant een fragment uit een schilderij van Bronzino, ook al een Italiaan, Allegorie van Venus: Cupido en de Tijd, uit 1545. Nou dat is esthetisch nog enigszins verantwoord al lijkt het geheel meer op een geschilderde versie van de Laocoöngroep. Beide schilderijen uit het Cinquecento, maar geloof mij, de gedichten uit die periode zijn beter dan het schilderij, al mag je nu ook niet denken dat ze het nec plus ultra zijn. Samensteller van deze bundel (uitgegeven bij de uitgever van poëzie par excellence: uitgeverij P) is René Smeets, die zelf ook een probeersel tussen al die andere probeersels ingeschoven heeft. ‘Onbeschrijfelijk / wat er zo subliem is / aan zomaar de blote / borsten van een vrouw’. Laatste strofe. Kijk, dat is wat ik nu veelal verwijt aan die would be dichters van tegenwoordig. Ze nemen een ordinaire prozaïsche zin en ze kappen die in drie vier stukken, nog liefst op een plaats waar het helemaal niet hoort (blote / borsten). Nu ik moet toegeven dat de eerste strofe wel betere verwachtingen schept: ‘Dat galvanisch gesidder / diep in de sympathicus / wanneer zacht ritselend / dat zijden behaatje valt’. Het ontlokte mij een spontaan hahaatje. Ik heb er niet meteen een erectie van gekregen. Maar, een deftige bundel samenstellen uit pakweg ‘tussen duizend en vijftienhonderd borstengedichten’ (Smeets), het is heuse opdracht geweest om er daar honderdvijftig van over te houden. Chapeau, zou ik zeggen. René is er dan ook ‘een jaar of vijf, zes’ (sic) mee bezig geweest en het dient ook gezegd: de bundel is zeer verzorgd, gevarieerd – van de Anoniemen tot vandaag, van het mysterieuze Oosten tot het beter gekende Westen – en bovendien mooi geïllustreerd, met tientallen borsten, of wat dacht je, van de Renaissance tot Tom Wesselman.

 

Maandag 3 augustus 2020 

Een paar dagen geleden ben ik er toch maar aan begonnen, die fameuze korenpakker van Salinger. Een adolescentenroman hoor ik nog iemand zeggen. Echt? En hoe komt het dat het zo hoog aangeschreven staat? Nu ja, kun je aanbrengen, Winnie de Poeh van Milne is toch ook geen verhaal voor de volwassen man of vrouw. Wel, dat zou ik ten stelligste willen tegenspreken en de enige manier om met die uitspraak in te stemmen is het boekje te lezen. Maar The catcher een adolescentenboek? Ik zit nog niet ver genoeg om dat te beamen, maar ik geef toe, de eerste hoofdstukken zijn wel in een adolescententaaltje geschreven. De protagonist en ik-figuur is inderdaad pas 16 jaar en dat ervaar je wel. Ik geef er niet om, na Zwarte huid, blanke maskers mag het wel iets luchtiger zijn. En wat is dat eigenlijk een adolescent, zo’n typisch Frans woord. In het Engels blijven ze natuurlijk trouw aan dit aristocratisch taaltje en vind je daar ook adolescent, de Duitsers evenwel, qua taal toch het meest onze broeders hebben het wel over Jugendlicher (in plaats van adolescent jongeling gebruiken?). Het Etymologisch woordenboek (tussen haakjes een woordenboek is een boek met woorden: Wörterbuch in het Duits, maar in het Frans dictionnaire – waar halen ze het weer? – en de volgzame Engelsen spreken dan maar van dictionnary), bon een momentje etymologie. Adolescent (jongeling – voilà!)- 1886 – lat. Adolescens (jong, jonge man of vrouw), eig. teg. deelw. – eigenlijk tegenwoordig deelwoord dus - van adolescere, [groeien], van ad [tot] + olescere [groeien], en nu komt het: inchoatief van het niet zelfstandig voorkomende olere [idem], verwant met alere [voeden]. Inchoatief (mijn spellingchecker herkent zelfs probleemloos het woord)? Google: werkwoord dat begin van een handeling aangeeft. Daar ben ik eerlijk gezegd niet veel wijzer mee. Kunnen de dames en heren filologen daar eens een menselijk antwoord op geven?

Interessant is ook wat er net onder adolescent staat, nl. adolescentie: lat. Adolescentie [jeugd (d.w.z. tussen 17 en 30 jaar]. Aha, Holden Caulfield, de korenvanger, is nog niet eens een adolescent, een vroegrijp jongetje dan zeker, ik ben benieuwd.

 

Zondag 2 augustus 2020

Daar had je ze weer, een luidruchtig uitwaaierende bende wielertoeristen, niet dat ze aan het profiel van de toerist voldeden, integendeel, een bende lawaaimakers zoals ik al zei. Bovendien zaten er achteraan in het groepje een viertal halfroependen te kletsen. Waarover, in ’s hemelsnaam? Nog geen 400 m verder moest ik uitkijken om twee naast elkaar lopende lopers te ontwijken, man en vrouw, niet eens zo jong meer. En praten maar, de woorden schudden bij elke stap uit hun mond. Maar waarover hadden ze het dan? Toch niet over wereldwijze thema’s? En in de volgende straat liep er dan weer eentje te huppelen, armen tegen de borst geklemd met twee van die mosselschelpen aan haar oren, het zal wel geen Schubert geweest zijn. Wat dan wel? Opzwepende muziek met een obstinate beat? En die mensen dragen dan geheid zo’n armbandje met hun smartphone ingesnoerd. Elke hup een stap meer op hun stappenteller en een calorie minder die ze anders later moeten wegwerken. Bekijken ze dan die grafiekjes of zo? En wat is het nut daarvan? Meten is weten, gaan ze mij misschien zeggen. Ik zeg: dit is een van de grootste dwalingen uit de ‘meet’kunde. In alle nederigheid wil ik toegeven dat ik daar ook nog een periode in geloofd heb. Dat was in de tijd dat ik het kwaliteitsbeheer van de firma onder mijn hoede had. Ik moest zorgen voor een goede kwaliteitsborging, nou ja, wat een oubollig woord niet? Let wel, kwaliteitscontrole is niet hetzelfde als kwaliteitsborging. Ik doe een poging om dat uit te leggen, met een voorbeeldje. De Quality Controller en de Quality Assurance Manager hebben hun bureau naast elkaar in de fabriek. Plots stijgt eruit de schoorsteen van de productiehal een verschrikkelijk zwarte en stinkende rook. Een medewerker die dit opmerkt, holt het bureau van de QA-manager binnen, wijst naar die rook en tiert: ‘Kijk, eens wat er daar gebeurt!’. Waarop de QA-manager (rustig) antwoordt: ‘Beste vriend, het is niet hier maar hiernaast dat u moet zijn.’ Voilà. Gesnopen? De kwaliteitscontrole controleert of het eindproduct aan de vereiste kwaliteitseisen voldoet, de QA zorgt ervoor dat alles in het werk wordt gesteld om die kwaliteit te bereiken. De juiste procedures opstellen, opvolgen en eventueel bijstellen dus. Daarom denkt de QA-manager dat meten weten is, want hoe kan hij anders weten dat zijn procedures correct zijn? Inderdaad, dat dacht ik toen ook. Mis, zeg ik nu. Ten eerste hangt het er vanaf wat je meet, als je met andere woorden wel degelijk de representatieve waarden meet (en hoe ben je zeker dat ze representatief zijn), ten tweede hangt het er ook vanaf hoe je meet, nu meestal is dat wel in orde, tenminste als je geijkte meettoestellen gebruikt (ik ga daar niet dieper op in, want inderdaad, doorgaans oké), maar ten derde, en dat is de echte X of X’en in het verhaal: welke elementen die je niet weet, dus niet meet en daarom niet weet, waarvan je misschien niet eens vermoed dat ze een rol spelen bij het meten dat tot weten moet leiden? How to lie with statistics? Was het Disraeli die met deze waarheid afkwam? In ieder geval door het manipuleren met criteria, grootheden en cijfers van verschillende herkomst kun je zowat om het even wat je zou willen aantonen ook aantonen. Kijk maar eens naar de Coronacijfers uit de diverse landen? Wie is er nu meest of minst besmet, welke maatregelen zijn al of niet het meest effectief? Hangt allemaal af van wat en hoe je het bekijkt en ook van wat je - al of niet opzettelijk - niet bekijkt.

 

Week 26 juli - 1 augustus 2020

Zaterdag 1 augustus 2020

De grote vakantie is halfweg. Nauwelijks begonnen en het einde flikkert al voor mijn ogen. Ooit was het anders, ooit de tijd van de onbezorgde jeugd, dan duurde die grote vakantie eindeloos. Halverwege? Dan bleef er nog een oceaan van tijd en verveling over. Terug naar school? Dat was in het beste geval een kreet voor de laatste week van augustus, maar nu krijg je al een hoop advertenties over de nieuwste  pennenzakken, boekentassen enz. in je brievenbus (ondanks het feit dat er - weliswaar niet zo opzichtig, maar toch – dat er een sticker op mijn brievenbus staat met geen rommel in die bus, iets beleefder geformuleerd neem ik aan). Maar toch die van Aldi kan alleszins niet lezen de rondbrenger van de Bazuin evenmin. Misschien gaan ze ervan uit dat dit geen rommel is, een aanvaardbaar excuus op het eerste gezicht. Wat je soms via de post krijgt behoort al evengoed tot die rommel. Echt een zeldzaamheid als ik nog eens een deftige met de hand geschreven brief uit de brievenbus mag halen. Voor de rest facturen, tijdschriften en officiële documenten over het uitbreken van je voetpad voor de duur van twee maanden enz. Nu met e-mails is het bijna even erg, gelukkig slaag ik erin, of beter slaagt weet ik veel welke toepassing in Outlook erin (denk ik) om al die overbodige spam opzij te zetten. Nu volg ik dat niet meer, om de tweede dagen ctrl-A en Del en weg zijn ze allemaal, maar ooit viel het me op hoe zogenaamd gericht al die spams wel zijn. Weken na elkaar berichten over buitenverlichting omdat ik eens gewaagd heb een tuinspot op te zoeken en te bestellen. Privacy? Nu ja, hier zie ik nog een verband met mijn eigen handelingen, maar al die voorstellen voor trapliften, begrafenisverzekeringen…. Nog vlug iets verkopen voor ik helemaal uitgeteld ben, hoe durven ze… Schoolbenodigdheden, daar merk ik niets meer van, nochtans, levenslang leren? En kijk, het woord is gevallen: benodigdheden. Mijn moeder die zich altijd een stuk slimmer voelde dan de rest van de straat (wat in feite ook zo was) wist het telkens nog eens duidelijk te zeggen: benodigdheden is met een d en dus niet benodigheden zonder d, zoals de rest van de straat dat zou schrijven, tenminste zij die konden schrijven, want daar was mijn moeder ook niet zo zeker van.

 

Vrijdag 31 juli 2020

En daar is Frantz Fanon weer, terug van lang weggeweest. ‘Peau noire, masques blancs’, zijn eerste boek kreeg een (nieuwe) vertaling van Jeanne Holierhoek. Rob Devos besprak het in de recentste Uil van Minerva. Ik heb Zwarte huid, blanke maskers nog vlug gelezen en wat de schrijver betreft vielen mij twee zaken op: ten eerste dat deze bijzonder erudiete man pas 27 was toen hij dit werk voltooide, in zijn jeugdige bezieling overklast hij soms zichzelf heb ik de indruk en ten tweede: Fanon, was dat niet die onverbiddelijke zwarte revolutionair, de auteur van Les damnés de la terre? En hier in Zwarte huid, blanke maskers vind ik een heel brave, beleefde, toch gefrustreerde jongeman die weliswaar haarfijn de psychologische wereld van de zwarte of beter de Antilliaan, wat hij was, dissecteert. Eigenlijk komt zijn conclusie hierop neer: de neger heeft een zwarte huid maar wil steeds een wit masker opzetten. Hij wil blank zijn en probeert zich ook zo te voelen. Met opzet gebruik ik hier het n-woord. Om te beginnen gebruikt ook Fanon de woorden noir en nègre, en de vertaalster vertaalt dat in mijn ogen terecht als zwarte en neger. Nochtans heeft ze hiervoor felle kritiek gekregen vanuit het politiek correcte wereldje van de Amsterdamse intelligentsia. Hoe zo kritiek? Eerlijk gezegd, neger heeft voor mij nooit een pejoratieve klank gehad, nikker, ja, dat klinkt al wat denigrerender (bemerk de woordkeuze en de etymologie: denigreren = verzwarten). Maar ik geef toe, en public, durf ik dat woord ook niet meer te gebruiken. Een tendens die Fanon ook opmerkt bij zijn zwarte medeburgers sinds de komst van de kolonisator: voordien was er natuurlijke vrijheid, blijheid en plots wordt de bevolking (want het is een collectief fenomeen) opgezadeld met een minderwaardigheidscomplex dat onmiddellijk diep wortelt. Geschreven in 1952, in de jaren voor de onafhankelijkheidsrage in Afrika, en nog altijd heel herkenbaar. Het blijft spitsroeden lopen als je over de zwarte/de neger wilt praten, want ook als je beweert geen racist te zijn, ben je het al een beetje gewoon door het woord zo nadrukkelijk in de mond te nemen. Meer zelfs als je er zwijgend aan voorbijgaat dan kan men dat interpreteren hetzij als onverschilligheid, hetzij als vlucht. ‘Voor een zwarte is hij toch wel heel intelligent’ wat allicht als een benevolente opmerking bedoeld was, komt inderdaad nogal kleinerend over. En hoeveel maal hebben dat soort uitspraken niet gehoord? Het doet mij aan iets anders denken: ‘Niet slecht voor een vrouw’, over een opus van een van de vele (onbekende) vrouwelijke componisten. Hier is er dan toch eentje (verkleinwoord!) die goede muziek schrijft. De uitzondering op de regel hoor je op de achtergrond.

En de zwarte zelf dan? Dat hij zich wil bevestigen in zijn slavenstatus. Terecht beweert Fanon dat dit niet genetisch maar sociaal-cultureel bepaald is. Lars Von Trier maakte daar een cassante film over ‘Manderlay’, eigenlijk een vervolg op ‘Dogville’. Het grappige is ook dat hetzelfde personage (Grace) in de tweede film door iemand anders gespeeld wordt, naar het schijnt omdat Nicole Kidman uit Dogville, niet meer betaalbaar was voor Manderlay en vervangen werd door een (toen) minder gekende ster, Bryce Dallas Howard.

Manderlay speelt zich af in het Zuiden van de Verenigde Staten, vlak na de afschaffing van de slavernij. Grace probeert de vrijgekomen slaven te helpen om een vrij leven te gaan leiden en hen de beginselen van de democratie bij te brengen, maar dat lukt haar niet omdat de gewezen slaven vasthouden aan een onderdrukkend wetboek ‘Mam’s Law’, wat Grace probeert te niet te doen. Achteraf blijkt dat die wetten uitgeschreven zijn door een van de slaven zelf. Prima film om discussies uit te lokken.

 

Donderdag 30 juli 2020

Het tweede nummer van 2020 van De Uil van Minerva (Tijdschrift voor geschiedenis en wijsbegeerte van de cultuur) vandaag in de bus gevallen. Hoofdredacteur: Henk Van Daele, die daar zo zalig woont aan het met wilde kastanjes omgeven grasplein in Kemmel. In De Uil doorgaans degelijke essays, niet altijd gemakkelijk, maar met enige concentratie en wat doorzettingsvermogen wel verteerbaar. Twee artikelen die deze maal onmiddellijk mijn aandacht trokken. ‘De kern van waarheid in het rechts-radicalisme’, (het lijkt op het eerste gezicht wel een contradictio in terminis) van de hand van Anke Devyver, een jonge filosofe en een kritische boekbespreking van ‘Zwarte huid, witte maskers’ van Franz Fanon door de gevestigde waarde Rob Devos. Zowel Henk Vandaele als Rob Devos waren nog te gast bij Het Beleefde Genot, Henk zelfs tweemaal. Anke vertrekt van een postuum verschenen essay van Theodor Adorno, verleden jaar in het Nederlands vertaald en uitgegeven: ‘Aspecten van het nieuwe rechts-radicalisme’. Adorno betoogt (toen al) dat het rechts extremisme niet meer is, zal zijn, zoals het ooit was tijdens het fascisme. Als rechts vandaag de wind in de zeilen lijkt te hebben, dan komt dat mede door het feit dat er sociale omstandigheden zijn die een voedingsbodem ervoor scheppen. Kop van jut bij Adorno is in de eerste plaats het kapitalisme: mensen leven in een voortdurende angst dat wat ze bijeen gespaard hebben weer gaan verliezen. En rechts gaat nu juist die angst aanwakkeren en kan dat met schwung door die abstracte vijand te concretiseren in de vorm van een bevolkingsgroep: de moslims, de immigranten… maar de marxist Adorno erkent dat een kern van waarheid in het rechts-radicalisme zit. Een van die kernen is volgens Adorno het feit dat de rechtse bewegingen niet meer antidemocratisch zijn, maar zich voordoen als de enige echte democraten, zij die de stem van het (eigen) volk vertegenwoordigen. En dat slaat aan en zeker in coronatijden waar de systeempartijen over elkaar heen blijven rollen. Nochtans slaagt rechts er niet in om voordeel uit de coronacrisis te trekken, meer dan verwarring zaaien en hakken op de regering doen zij ook niet. Volgens Adorno is het zo dat bij rechts radicalisme de waarheid in dienst van de onwaarheid treedt. Terecht wijst hij ons erop dat neutraliteit ten ene male niet kan maar dat elk van ons een verpletterende verantwoordelijkheid draagt. Het (rechtse) heden is niet absoluut, dingen kunnen en moeten ook veranderen.

 

Woensdag 29 juli 2020

Mijn torenkamer geraakt stilaan uitgemest. Hoogtijd om al die boeken te rangschikken, ik heb het over wat men als non-fictie aanduidt, mijn romans zijn min of meer alfabetisch volgens auteur geplaatst en daarnaast apart poëzie, toneelstukken en verhalen. Vooral poëzie (en poëzie gerelateerde werken zijn vrij uitgebreid – een hele kast vol plus nog twee rekjes. Maar die non-fictie, hoe moet ik die sorteren? Welke criteria te hanteren? Er is uiteraard zoiets als de NUR-classificatie: degelijk misschien, maar nogal duister vind ik. Als je alleen maar de hoofdcategorieën bekijkt (000 t.e.m. 700), dan trek je toch eens je wenkbrauwen op. 500 – Reizen algemeen, 800 - Bedrijfskunde algemeen maar filosofie? Ja, dat staat onder 700 – Theologie, net als psychologie trouwens. Nee, ik zoek een andere indeling en een mogelijke kandidaat heb ik gevonden in de catalogus van Fröhlich & Kaufmann, die ik om de twee weken ontvang, telkens 132 bladzijden, wel klein formaat, flinterdun papier en achteraan steeds een foto uit de (redelijk) oude doos van een tweeling. Achteraan de laatste catalogus (16. Versandkatalog 2020), twee grappige jongetjes van een jaar of zes, ze poseren voor een uithangbord: Freund / für Imme/ 945 – 197). Ja, de foto is afgesneden aan de zijkant en één van de beide knaapjes staat met zijn arm voor de 1 van 1945 neem ik aan, het ander getal is dan vermoedelijk 1970 of 1975. Maar goed de standaardindeling van F&K (ook in de volgorde van de catalogus): Kunstgeschichte (Florenz, Worpswede, Wörterbuch der Symbolik usw.); Kunst nach 1945 (wat is dat toch met die Duitsers en hun overspannen gedweep met 1945?); Klassische Moderne (Picasso, Frida Kahlo, Joan Miro, usw.); 19. Jahrhundert (is dat nu XIXe of XXe eeuw? Ik vind er Klimt, Van Gogh, Eugène Delacroix usw, dus vooral XIXe eeuw); Kunst bis 1800 (Impressionismus (?), Degas (?), Dürer, Rubens,…); Kunst des Mittelalters (Italian Gothic – ze verkopen ook anderstalige boeken, beperkt evenwel); Buchkunst (nogal wat facsimiles en ondanks de grote kortingen nog vrij duur, Die Aroiser Weltchronik bijvoorbeeld: Statt 199 € nu 49,95 €); Archäologie (Lascaux, Troje, usw.); Design (Tiffany, Sportwagen aus aller Welt, maar ook Handbuch Acryl); Architectur (Kathedrale, Zaha Hadid, usw); Gartenkunst (1001 Pflanzen, Frauen und Rosen, usw); Landschaftsbände (Toskana, Traumreisen mit dem Eisenbahn, usw.): Fotografie – Film (Eyes over Africa, The Nude in Photography, usw.); Erotik (aparte categorie! Goethes Geheime Erotische Epigrammen – zou ik onder Goethe klasseren); Besser Leben (Pest und Corona, Die Anatomie des Tai Chi, usw.); Natur- und Tierwelten (Geheimnisse des Meere, Die Weisheit der Wölfe, usw.); Wissenschaft (Exopanding Universe, Zeit van Safranski ???, …); Geschichte (Alltag im Dritten Reich, Augustus, usw.);Philosophie und Religion (Päpste und ihre Kinder, G.W.F. Hegel, Hauptwerke, 6 delen, 3252 bladzijden van 1506 € naar 78 €); Literatur (Romans maar ook boeken over literatuur: Thomas Mann. Ein Portät für seine Leser); Kinderbücher; Musik - Cd (Klassieke CD’s, maar ook Marvin Gaye); Kochbücher (last en ook least).

Zo hier kan ik wel mee weg denk ik al is er ook een logistiek probleem: de (grote) formaten. Die gaan dan maar in een rek met grotere tussenafstanden.

Nu bij mij hebben filosofie, poëzie en (over) muziek hun eigen kasten of rekken, kunstboeken staan nu wat her en der, die passen ook in aparte rekken. CD’s zitten netjes volgens componist (voor zover mogelijk) geklasseerd in een aparte kast.

 

Dinsdag 28 juli 2020

Titels van boeken die rechtstreeks of onrechtstreeks verwijzen naar muzikale composities of thema’s, trekken natuurlijk mijn aandacht. ‘Aimez-vous Brahms?’ Dat ik dat nog niet gelezen heb! Maar gisteren dus Appassionata van André Brink uitgelezen. Een korte novelle van 100 bladzijden. En, uiteraard, ook Beethovens Appassionata boven gehaald, misschien niet zijn meest gepassioneerde muziek, maar toch gekleurd door muzikale schoonheid. Beethoven, de romanticus. Ik lig hier met twee versies: de Tsjech Alfred Brendel (die ooit een minder geslaagd debuut als schrijver maakte) en de Brit John Ogdon. Het wordt Ogdon. Een sprankelende uitvoetring. Op de CD staan verder nog de Mondscheinsonate en de meer bekende sonate met die andere passionele titel, de Pathétique (niet te verwarren met die van Tchaikovski). Helpt dat om een boekje te lezen met de aantrekkelijke titel ‘Appassionata’ en in dezelfde periode naar de overeenkomstige muziek te luisteren? Ik denk het wel, al is de verwantschap niet direct intrinsiek, daarentegen speelt de Appassionata wel degelijk een rol doorheen het verhaal. De novelle is trouwens net als de sonate, ingedeeld in drie delen, met (min of meer) dezelfde titels als de delen van de sonate: Allegro assai (bij Beethoven Allegro assai-Adagio-piu allegro), Andante con moto en Allegro ma non troppo. Ja, weer een prachtig verhaal van Brink dat aan de ribben blijft kleven, als is het maar om de diepe nostalgie die het bij het lezen bij mij oproept: er was eens … Terloops ook een rake opmerking over zwart-wit foto’s: ‘… zwart-witcontrasten rekenen af met alle aarzeling en onzekerheid, leggen alle geschipper en gezeglijkheid bloot tot op het bot…’. Gezeglijkheid, het klinkt zo lekker ouderwets en tegelijk zo eerlijk als de zwart-witfotografie zelf. En bij het begin van het laatste deel, Allegro ma non troppo, een passage die perfect op de huidige Coronatijden zou kunnen slaan, ik citeer (de pianist Derek en de beeldschone, maar ontoegankelijke sopraan Nina hebben zich teruggetrokken op de boerderij van de ouders van Nina in Tulbagh, een afgelegen stadje in de West-Kaap): ‘We krijgen echt het gevoel dat de gehele, bekende wereld, alles wat vertrouwd is, van ons wegvalt. Dat onze ruimte steeds meer om ons heen inkrimpt. Wat overblijft zijn alleen nog wij, het hier, het nu.’ Hic & nunc. En laat dan maar je ogen en je gedachten afsluiten, luister dan naar het stürmische Allegro ma non troppo uit de Appassionata.

 

Maandag 27 juli 2020

Op zoek naar de juiste schrijfwijze van drie-eenheid (drie-eenheid, drieëenheid, 3-eenheid en 3-Eenheid) stuitte ik op een interessant item: '3-Eenheid uitgelegd met appel, glas water en lucifers'.  Bij doorklikken kwam ik op een subsubpagina van Kerknet, met de volgende tekst (wat tussen haakjes staat is eigen commentaar en niet te zien op Kerknet):De 3-eenheid lijkt misschien een ingewikkeld concept (wat je me zegt!), maar eigenlijk staat het niet ver af van ons dagelijkse leven en aanvoelen.

En eronder als een soort uitvergrote tussentitel of tussencitaat: ‘Word jij zelf niet met verschillende namen aangesproken, zoals Liesbeth, Mama, Schat of Zus? Ben je niet tegelijk Europeaan en buurvrouw in Wechelderzande?’ (Hé, hé, in Wechelderzande ben ik nog geweest tijdens mijn verblijf in het kasteeltje van Zoersel – voor mijn werk wel te verstaan) En dan de clou, nu gaan we het eens en voor altijd weten: ‘Damp, vloeistof of ijs. Alle 3 zijn vormen van 1 simpele substantie: water. Of niet soms? En maken schil, vlees en klokhuis niet op gelijke wijze deel uit van de simpele vrucht appel? Of vergelijk het met 3 lucifers. Hou je ze samen, dan verenigen de vlammen zich tot 1 vuur en je kunt ze niet meer van elkaar onderscheiden. (Maar dat ga ik niet voordoen om er een foto van te maken.) God is niet complex en ver af. Hij leeft en komt naar ons tot in ons dagelijkse bestaan’.

En daar zitten theologen een leven lang op te suffen. Akkoord, lucifers zijn er niet altijd geweest, Lucifer wel dan, maar de appel groeide reeds in de Tuin van Eden (Eva wist er het fijne van, maar niet de verwachte kennis) en niet lang daarna moest je tegen Noë in zijn ark ook niet meer beginnen over water. En wat meer is: 3-eenheid kun je zo gemakkelijk uitbreiden tot meer-eenheid (de wiskundigen zouden het als N-eenheid aanduiden). Ik zelf – Bart, Hans, Aarnout ben maar een 3-eenheid maar al die prinsen en prinsessen…

Envoi:             Prince, Princesse, zoek niet weken, jaren

Wil niet langer moeite doen

Dit refrein kan ’t u verklaren.

 

Zondag 26 juli 2020

Was mij dat een werkweek! (Stukjes) muur geschilderd, een trapje van drie treden geschilderd en gevernist, een ruwhouten boekenrekje in het wit gezet (dubbellagig), de deur van de slaapkamer na één jaar eindelijk een likje gegeven, tripellagig, maar niet echt tevreden, nu ja enkel de binnenkant, dat steekt niet zo nauw. Die slaapkamer is sowieso nogal donker omwille van slechts één smal, horizontaal venster. Straks dan beginnen aan de buitenkant. Dat wordt, net als de wanden ernaast een Richtercompositie. Eerst een bleekblauwe grondlaag en dan met een soort lang scheermes – zo’n ding waarmee men behang pleegt effen te strijken –willekeurige kladders verf (enkel rood, donkerblauw en geel) openstrijken. Gezien in een filmpje over Gerhard Richter, waarin hij met een nog groter scheermes een muurgroot doek te lijf gaat, het steekt er ook niet op een kleurtje, net zo min als op een keteltje verf. Tja, al doet die man soms meer dan gek, alle respect en bewondering voor zijn kunstenaarschap. De fotografische flou van zijn vroege schilderijen vind ik fenomenaal, maar natuurlijk heb je dan ook zijn gekladder zoals in de film of zoals de compositie die in De Pont in Tilburg opgesteld staat: een volledige wand met gelijkaardige, willek(l)eurig horizontaal en verticaal gestreepte lijntjes op doeken van ongeveer 30 x 40 (als ik mij nog goed herinner). Dan is het: je bent Richter of je bent het niet. Picasso (of zijn erfgenamen) wisten ook nog munt te slaan uit luciferdoosjes, waarop verfvlekken waren gevallen of waarop hij zijn borstel had afgewreven. Geen Richter dus bij mij – dus creëer (klinkt professioneler dan maken) ik er zelf één. Voor de rest heb ik maar enkele originelen: twee Dobb’s, twee Deleye’s, drie Carvans, een Wilfried VDC (portret van Cy Twombly), één aquarelletje ooit gekregen van een vriendin en een anonieme batik (netjes in een kader opgespannen) uit Biafra. En als je originele kalligrafie meetelt: in het groen aan mijn voordeur een probeersel van Wilfried Van Dierendonck, beeldhouwer uit Veldegem, mooie madonna van hem in de kapel van het kasteel van Male, een tekst uit de Carmina Burana (O Fortuna…), gebeiteld door Pieter Boudens, in de gang een fragment uit een gedicht van Rilke door zijn zuster Liesbet (zeer) geduldig gepenseeld, het volledige gedicht van Rilke in een kader opgehangen, gekalligrafeerd door Sofie, en in de woonkamer, een glas ter grootte van de ruit in het raam, met een gezandstraalde tekst van mijzelf, vervaardigd door Maud Bekaert (toen ze nog enigszins betaalbaar was, alhoewel het heeft mij 40.000 Belgische frank gekost als ik mij nog goed herinner). De tekst is van mezelf en eigenlijk mijn (geestelijk) testament, erg gecondenseerd en er staat meer tussen dan in de regels, hier gaat die tekst (met als titel: Op. Posth.):

 

Twee woorden kwam ik nog tekort

Dat wat de mensen diepte noemen

Maar voor de goden is: oneindigheid.

 

Dat in twee woorden verklaren lukt mij niet, wel een hint: onze Westers, christelijke cultuur is behept met het fenomeen van het Zijn (denk maar aan Heidegger, Sartre, maar ook aan de Verlichtingsdenkers en zeker aan Kant, trouwens aan heel de filosofische traditie vanaf de Presocratici). Wat er volgens mij ontbreekt (aan onze cultuur en ook aan mezelf) is het Oosterse denken, met name het denken over het Niet-zijn (wat de mensen diepte noemen) zoals dat wel bij het Boeddhisme het geval is (Nirwana) en ook het worden (de ongrijpbare vluchtlijn van een vogel bijvoorbeeld, oneindigheid in mijn tekst) zoals we dat terugvinden in het Taoïsme. Enfin, het komt er op neer dat ik hunker (of gehunkerd heb) naar een uitbreiding van dit/mijn Zijn. De drie-eenheid van de Totaliteit (de levensvervulling?): Zijn, Niet-zijn en Worden.

 

Week 19 juli - 25 juli 2020

Zaterdag 25 juli 2020

Ideaal fietsweer vandaag. Doornlaan – Pierlapont met de afslag tegenover het waterreservoir (dat zo, goed als droog staat), zo kom je via dit smalle zandweggetje op de Zeedijkweg. Hoe ze aan die naam komen is mij een raadsel, zo dicht is de zee - voor zover ik weet - nooit gekomen, nochtans verderop heb je nog de Zeeweg dwars door de West-Vlaamse bosgordel ten zuiden van Brugge.  Ook de Zeedijkweg is een typisch binnenbaantje, weinig verkeer, wel veel fietsers op dagen als vandaag. Op het einde de Heidelbergstraat oversteken (genoemd naar een afspanning, Heidelberg, mij ook niet duidelijk hoe ze daar aan gekomen zijn) zodat ik in de Rolleweg terecht kwam. En in die weg kan de aandachtige fietser, nog voor de abdij van Bethanië van de zusters Benedectinessen, aan de linkerkant een niet zo duidelijk aangegeven wegwijzertje zien daarop, een met niet al te vaste hand geschilderde tekst: Emmaüsgrot. Ik weet niet of zelfs de plaatselijke bewoners die plaats kennen, laat staan of ze er ooit geweest zijn. Je rijdt namelijk langs een erg smal weggetje, net breed genoeg voor één fietser, langs en na verloop wat in het een bos om tenslotte uit te komen aan de achterzijde van een grot. Aan de voorkant een typische Lourdesgrot met de maagd in haar favoriete houding – handen op elkaar en schuin naar boven kijkend – boven de ingang. In de grot een metalen kandelaar, zo eentje dat dat doet denken aan de flessendroger of de porte-bouteilles van Marcel Duchamp. Aan één van de armen van die kandelaar hingen kartonnetjes en briefjes. Met wensen zou ik zo denken. Ik heb alleen het bovenste gelezen en kwam bijna slecht van het lachen, want wat stond daarop in een typisch groot gekruld meisjesschrift (ik citeer): ‘Ik heb tegen mijn zus gezegd dat ik liever wou dat ze niet bestond’. Foutloos, op zich al merkwaardig, alleen geleken de o’s en de a’s goed op elkaar. Nu, ik heb het zelfs driemaal gelezen om zeker te zijn dat er stond wat er stond. Wat een wens! Om compassie te krijgen met die zus. Pas op de terugweg begon het mij te dagen, ze bedoelde niet wat ze schreef, maar eigenlijk ‘Vergeef mij want ik heb tegen mijn zus…’. Het was dus (denk ik toch) een vraag naar vergiffenis omdat ze die boze woorden aan haar zus gezegd had. Niettemin, een zus om compassie mee te hebben. Op de terugweg naar de Rolleweg geen tegenfietsers gekruist (dat zou voor problemen gezorgd hebben) en ook geen tegenvoeters ontmoet, dus ook-niet de zus van de zus. Verder langs de Rolleweg naar de Torhoutse steenweg, het fietspad is daar mooi naast de weg zelf aangelegd – er is een met gras begroeide berm tussen pad en weg.  Eventjes langs de Torhoutse om dan net voor de E40 in te slaan, richting Diksmuidse heirweg. Net voor het begin van die heirweg (tegenwoordig met tractorsleuf om het sluipverkeer van en naar Brugge tegen te gaan) kan je via een vrij lage en bijgevolg donkere fietstunnel onder de E40 door om dan langs de rand van het natuurdomein Beisbroek op de Zeeweg te komen. En op de hoek, een beetje binnenwaarts, wat verhoogd tussen de bomen, weer een Lourdesgrot, maar dan een Largemodel in vergelijking met de Emmaüsgrot. Zo te merken nog veel bezocht gezien de vele kaarsjes die er stonden te flakkeren in de holte.

Dan van de Zeeweg weer terug langs een enigszins andere weg. En aangezien ik bij de start van mijn tocht zoals altijd vergeet naar mijn kilometerstand te kijken, geen idee over het aantal afgelegde kilometers. So what?

 

Vrijdag 24 juli 2020

'N ogenblik in de wind is erdoor. Gewoon een prachtige roman. Alleen op het einde speelt Brink op veilig door het einde van Adam enkel te suggereren, en de confrontatie met de Kaap niet aan te gaan. Hoe heeft Elisabeth daarop gereageerd? Hierover zwijgt hij. Maar goed, in het geheel genomen is het een geweldig verhaal. ik heb er hartstochtelijk van genoten, ik ben er zelfs iets mee van plan, als is dat een crazy gedachte. Volgend jaar is het thema van pARTcours, de tweejaarlijkse kunstroute in Zedelgem: Wind. Als ik nu eens alle zinnen waarin ‘wind(en)’ staat uit N’ ogenblik in de wind zou vissen en dan, ja wat dan? Eens over nadenken, in elk geval ik heb ze aangestipt, ze staan hieronder, het zijn een vijftigtal zinnen.

-       Men wordt getroffen door de talrijke opmerkingen die worden gemaakt over de wind. 'Winderig vandaag' - 'Weer winderig' - 'Erg winderig' - 'Elisabeth klaagt over de wind'' - ' Rukwinden' - en één keer uitvoeriger beschrijving waarin Erik Alexis Larsson bijna poëtisch wordt: 'Het gehele binnenland is als een zee van wind waarop wij heen en weer geslingerd worden'.

-       Terug naar de hoge berg boven de stad van duizend huizen, blootgesteld aan de zee en de wind.

-       De wind die dagenlang zonder onderbreking heeft gewaaid, die de afgelopen nacht langs het kamp raasde, takken uit de omheining rukte, die het zeil heeft losgetrokken van het gevlochten geraamte van de huif en aan flarden heeft gescheurd is plotseling gaan liggen.

-       Hij had de wind tegen en de zee was ruw, maar het was zijn enige kans.

-       Ze ruimt alles angstvallig nauwkeurig op om te voorkomen dat het vernield zou worden door de wind als er weer een storm zou opsteken.

-       De struiken en bomen (als men ze zo al mag noemen) die hier en daar in het wild groeien, zijn voor een deel klein van nature, maar ook in hun groei belemmerd door de wind uit het Zuidoosten en het Noordwesten.

-       In sommige delen zijn vruchtbomen geplant omringd door hagen van mirten en iepen om ze te beschermen tegen het geweld van de Zuidoostelijke wind.

-       Maar het is de wind die alles overheerst, die over het oerwoud davert als een losgebroken wild dier.

-       Maar ze komen geen van beiden klaar met eten, de wind is te angstaanjagend.

-       De wind neemt nog steeds toe.

-       De wind grijpt de brandende takken en slingert ze tussen andere bomen in.

-       Zij volgt hem strompelend, weg van de brandende boom naar het open veld waar de wind hen dreigt mee te sleuren als een kolkende rivier.

-       Het is alsof de wind op zijn hoogtepunt gewoon wordt weggespoeld door een watervloed die uit de zwarte en flitsende hemel naar beneden stort..

-       De wind is gaan liggen, er is geen gevaar meer van vallende bomen.

-       Grove maïspap en pompoen, zoete aardappels, zurig volkorenbrood geweekt in melk en misschien een stukje in de wind gedroogd wild.

-       Boomtoppen langzaam zwaaiend in de wind.

-       Over het natte zand schuifelen schelpen hortend en stotend terug naar het water, op de rotsen schieten rotscavia's heen en weer en boven in de lucht glijden en buitelen de meeuwen in de wind.

-       We wonen hier - voorlopig voor altijd - beschermd tegen de wind in een grot hoog boven de zee.

-       In de opening van de grot de wind tegen je lijf voelen ademen.

-       Van al onze ontdekkingstochten komen we verwaaid door de wind weer terug in de grot die ons omsluit als een vuist.

-       Buiten is het rumoerig, door de wind en de razende branding, maar binnen is het rustig.

-       Wat is er met 'em gebeurd? vraagt ze als ze boven de wind dichterbij komen.

-       Hun kleine knusse gerot leek plotseling helemaal open te staan voor de nachtelijke wind, helemaal open voor gisteren en morgen.

-       Het was als zaadpluis van distels in de wind, onbeduidende zuchtjes in de ruimte.

-       Met iets in zijn klauwen vloog hij weer omhoog, roeiend tegen de wind.

-       Een oneindige openheid die openging alsof onzichtbare dimensies werden blootgesteld aan het licht en de lauwwarme zon, alsof de wind van verder weg kwam en zichzelf in de leegte verloor.

-       Het zou zacht moeten blijven tot de harde winden van augustus zouden beginnen te waaien en gevolgd zouden worden door de stortregens van. Oktober, maar in dat jaar ging er iets fout.

-       Loodkleurige wolken, ijskoude winden en een deprimerende motregen die dagenlang duurde zodat ze in de grot moesten blijven zitten bij het vuur, zwijgend of eindeloos gesprekken voerend, voornamelijk over de Kaap, die nu zo ver weg was en zo begerenswaardig werd in de grijze eentonigheid van die winterse dagen.

-       Niet ver van het karkas van de eerste olifant - nu een ravage van beenderen, geschonden door hyena's en aasgieren, jakhalzen en de wind - begon het te regenen.

-       Iets moet het dier hier naar binnen hebben gedreven, een luipaard of het geweld van de wind.

-       Eb ook een keer een troep leeuwen die zich te goed deden aan een gnoe, maar gelukkig ver weg en boven de wind.

-       De stronk van een doringboom, door de wind en de zon ontdaan van de overbodige schors en alle zachtheid en gereduceerd tot zuiver hout, tot een kaal hard patroon van onverwoestbare nerven.

-       Hoog boven hen torenen de rotsformaties met steile rode wanden uitgevreten door het geweld van regen en wind, zon en neerstortende rotsblokken.

-       Ze hebben misschien regen geroken in de wind.

-       De stofwolk hangt bewegingloos over de vlakte, er is geen zuchtje wind.

-       Maar zeker wet je 't niet, want de zon en de wind zijn gewelddadig en snel.

-       Als ik dood en ouwe Eva me op het strand heeft begraven, zal deze keet op 'n dag misschien in elkaar storten en dan zal de wind de kaarten ‘weit und breit’ verspreiden en dan zal ergens in 't bos een vreemdeling er eentje vinden en ontdekken hoe het land er uit ziet.

-       En een heel enkele keer - heel zelden - 'n ogenblik in de wind - mag hij neerstrijken op een tak of een gloeiend hete steen, om uit te rusten, maar nooit lang.

-       Ergens in 't bos zal een vreemdeling er eentje vinden, weggeblazen door de wind.

-       Ze stromen langs je heen als de wind, 't is duidelijk dat ze niets zien, hun ogen staren recht voor zich uit, ze geloven nog steeds in een hemel.

-       Wat ik mij vooral herinner zijn niet de brandijzers of de kat met negen staarten, en ook niet dat ik blootgesteld was aan de blikken van al die jouwende mensen, maar het gekrijs boven me en hun bewegingen in de wind.

-       de wind gaat naar het Zuiden, en zij gaat om naar het Noorden; de wind gaat steeds omgaande, en de wind keert weder tot zijne omgangen.'

-       We kunnen niet ontkomen aan de kat met de negen staarten en de ijzers, aan het geluid van de meeuwen in de eindeloze wind.

-       Alsof niet zij het waren die zich voortbewogen, maar de aarde die langzaam onder hen teruggleed, terug naar het verleden, en zich verzette tegen de toekomst die als de wind langs hun gezichten streek, hoewel er geen zuchtje wind te bekennen was.

-       Je kunt je voorstellen hoe de wind opstak, harder ging waaien en rukte aan de takken van de struiken waar hij onder lag.

-       En later zou hij ver weg in de wind het geluid horen dat dichterbij kwam.

-       Hij zou hen uit de verre stad naar hem toe zien komen, met de hoge berg achter hen, in de wind.

-       Hij zou rechtop gaan staan in die wilde wind, met zijn armen rustig over zijn borst gekruist, en wachten tot ze hem kwamen halen: al die mannen, al die soldaten met hun paarden en hun honden.

-       Buiten adem in de wilde wind zou hij denken: Kom.

 

Donderdag 23 juli 2020

Je hebt misschien nooit echt van hem gehouden’ zegt Adam, de slaaf, aan Elisabeth, de vrouw van de ontdekkingsreiziger Larsson die in het binnenland van Zuid-Afrika haar man (en haar ongeboren kind) verloren heeft en nu met een gevluchte slaaf, die haar toevallig in haar ellende vond, weer op weg is naar de bewoonde wereld: de Kaap.

Je hebt misschien nooit echt van hem gehouden’

‘Misschien. Maar hoe ben je daar ooit zeker van? Hoe kun je dat van te voren weten? Kun je jezelf ooit zo goed kennen, dat je jezelf durft bloot te geven?’ Ze sluit even huiverend haar ogen. ‘Dat is het verschrikkelijkste van alles: jezelf zo uitleveren aan een ander, dat je hem alle macht over jezelf geeft en zelf niets meer overhoudt.’

‘Maar als je dat niet doet…’

‘Dan loop je geen gevaar, denk ik, maar dan heb je wel je kans verspeeld.’

Wel, dat is het nu, denk ik, ja dat. Daar draait alles om, dit is werkelijk de kern van alles, van de liefde. Daar staat het dan zwart op wit, meer zelfs, je voelt gewoon dat het er staat. Maar waar juist staat het dan? Wel daar, ergens in en tussen de regels, vraag me niet in of tussen welke regel of in welk woord, maar het is er. Je weet het gewoon, omdat je het voelt, zo en niet anders moet het zijn. Het grote mysterie van de liefde. Ja, lees nog maar eens dat stukje dialoog, en voel wat ik hier wil maar onmogelijk kan zeggen. Liefde is niet onder woorden te brengen.

 

Woensdag 22 juli 2020

Er zijn zo van die boeken die je zou moeten gelezen hebben (de klassiekers) maar die je om een of andere reden – meestal helemaal geen reden – nog niet gelezen hebt. Heel vaak zijn ze verschillende keren door je handen gegaan, uit de rekken genomen, weer teruggezet en ja voor later. Wel vandaag ga ik er toch aan één beginnen die al jaren, nee tientallen jaren, op pijn leeslijstje staat: J.D. Salinger, De vanger in het koren (The Catcher in the Rye) uit 1951. Ter informatie: J.D. staat voor Jerome David. Het œuvre van Salinger (1919 – 2010, hij is dus 91 geworden) is niet zo uitgebreid, naast The Catcher zijn er nog een drietal boekjes bekend (en vertaald), net als The Catcher helemaal niet zo dik (tussen de 200 en 225 bladzijden). Ik ben van plan ze allemaal na elkaar te lezen, nu ja, vooral daartoe aan gespoord door Doeschka Meijsing. We hebben nog Fanny,en Zoooly, Negen verhalen en Heft hoog de nokbalk, timmerlieden en Seymour, een introductie. Zeker die laatste twee titels lijken nogal bizar. Maar er zijn nog meer van die Salingers. Ik denk nu aan Jerzy Kosinski en zijn De geverfde vogel (The painted Bird) uit 1965. Op 58-jarige leeftijd liet Kosinski een boodschap achter: ‘Ik ga mijzelf nu in slaap brengen voor wat langer dan normaal. Noem de termijn maar eeuwigheid.’ (I am going to put myself to sleep now for a bit longer than usual. Call the time Eternity). Hij is inderdaad niet meer waker geworden, oorzaak: een writers block, zowat het ergste wat een schrijver kan overkomen. En wat staat nog ergens te flikkeren? Saul Bellow, De avonturen van Augie March bijvoorbeeld of Louis-Ferdinand Céline, Theodor Fontane, Stendhal (Le rouge et le noir), Mark Twain… maar eigenlijk ook nog Tolstoj, waar ik eerlijk gezegd niet aan ga beginnen. Ik heb het nogal voor Dostojevski en naar het schijnt zijn deze twee protagonisten van de Russische literatuur niet te combineren: of je bent voor de een en tegen de ander, of je bent voor de ander en tegen de eerste. Geert Van Istendael bijvoorbeeld is een fan van Tolstoj en vindt Dostojevski maar niets. Of was het net andersom? Met Van Istendael weet je immers nooit en met mij nog minder. Dostojesvki dat zijn hoop en al een paar namen te onthouden: de vier gebroeders Karamazov en nog een paar figuranten, Tolstoj dat zijn dan minstens tweehonderd namen, waarvan een groot deel van de bevolkers van zijn romans dan nog dubbel- of tripelnamen bezit. Prins Stepan Arkadjevitsj Oblonski wordt de ene keer Stepan genoemd, dan weer Arkadjevitsj en verder nog Oblonski, en om het helemaal complex te maken wordt hij vaak met zijn bijnaam Stiva aangeduid. Emmanuel Waegemans, tweemaal te gast bij Het Beleefde Genot (hij beleefde duidelijk genot aan zijn lezingen, want hij kon maar niet ophouden), vertelde eens dat hij zijn studenten de opdracht gegeven had om Oorlog en Vrede te lezen (in het Russisch uiteraard). Een van de studenten vond dat een onverantwoorde martelpraktijk en was naar de decaan gestapt met een klacht daarover. Waegemans werd bij de decaan op het matje geroepen en moest aanhoren dat hij zijn studenten veel te onhebbelijk behandelde. Terug bij zijn studenten halveerde hij de opdracht en droeg hen op enkel Vrede en niet Oorlog te lezen.

 

Dinsdag 21 juli 2020

Weer een Fête Nationale, het houdt maar niet op. Veel valt er natuurlijk niet te feesten en nog minder is er stof om erover te schrijven. Maar een dagboekaantekening van amper één regel is nu ook weer niet dat, ook al was het devies van Stijn Streuvels:’Nulla dies sine linea’ (geen dag zonder regel) wat ik probeer te herformuleren als ‘Nulla dies sine ingresso commentario, ofte: geen dag zonder dagboekaantekening (hoe lang houden wij dat nog vol?). Stijn Streuvels had een fantastisch, bijna panoramisch uitzicht vanaf zijn werktafel in het Lijsternest. Boven zijn hoofd, een beetje zoals bij Montaigne, stond zijn fameuze levenswijsheid en leefregel genoteerd. In mijn kinderjaren was ik tijdens die eeuwigdurende grote vakanties een paar keer voor enkele dagen op vakantie bij mijn tante Rosa, die eigenlijk mijn tante niet was, maar een vriendin van mijn zus. Tante Rosa was getrouwd met de enige dokter in het dorp en omliggende en woonde in de Pastoor Verrieststraat (geen mens die zich daar dan druk om maakte). De in mijn kinderogen oneindig grote tuin paalde toen aan de tuin van het Lijsternest. Omdat er toendertijd ook geen apothekers in de omgeving waren, mocht hij dus ook zalfjes, pilletjes en dies meer bereiden voor zijn patiënten. Uit de gesprekken tussen de volwassenen heb ik toen kunnen opmaken dat hij wel eens zijn toevlucht nam tot het verschaffen van placebo’s en iets wat mij nog meer de oren deed spitsen dat hij soms bij visites aan de foorkramers gratis tickets kreeg voor de boksauto’s. Wat was ik toen jaloers op zijn kinderen! Ach ja, van boksauto’s gesproken. Tante Rosa had een autootje – een kevertje als ik mij nog goed herinner - maar zij bezat één grote handicap, ze kon niet achteruit rijden (dat lag aan haar en niet aan de auto). Op een keer was ik met haar en mijn zus op bezoek geweest in het klooster van de paters Oblaten in Gijzegem, mijn zus, op het punt om in het klooster te treden, had toen een afspraak met Pater Baers (dat ik dat nog weet). In de wachtkamer zat ik mij te vervelen en daar stond ook zo’n knikkend zwartje die dank u of merci zei als je een centje in de gleuf van die gipsen spaarpot liet glijden. Dus wat geknikkebold met dat arm ventje en oeps, daar viel toch wel een vijf frankstuk uit. Niemand die dat gezien had en meer dan stout stak ik de munt in mijn  broekzak. Op de terugweg moesten we even stoppen aan het gemeentehuis van Sint-Michiels, waar mijn zus (en ikzelf) toen woonden, voor een of andere formaliteit. En daar slaagde Tante Rosa erin per abuis achteruit te schakelen en zo tegen een zitbank van de gemeente te botsen. Ik zat achteraan en als we dan eindelijk thuis kwamen en uitgestapt waren, vond tante Rosa een stuk van vijf frank op de achterste zetel. ‘Kijk’, riep ze spontaan ‘we gaan al een deel van de bluts hiermee kunnen betalen’; Ik zweeg in alle talen en voelde in mijn broekzak. Leeg natuurlijk. Dat was dan mijn verdiende straf om te stelen heb ik altijd gedacht.

 

Maandag 20 juli 2020

De herkomst van sommige woorden is de evidentie zelf, en toch valt het je pas op als je het expliciet ergens leest. Neem nu toerist. Van het Frans: touriste en dat is dan weer ontstaan uit de Engelse gewoonte onder de rijkeluiszoontjes in de 19e eeuw, de eeuw van de Romantiek, om een Grand Tour te maken doorheen Europa, meestal dwars door Frankrijk om tenslotte te arriveren in de Italiaanse kunststeden: Venetië, Florence, Rome, … Nu ja niet altijd rijkeluiszoontjes natuurlijk, ook veel kunstenaars of bemiddelde renteniers deden mee aan deze hype. Denk maar aan Laurence Sterne die er een interessant en plezant boek over schreef: A sentimental Journey through France and Italy, een werk vol sentimentele preromantiek. Hij was een van de eersten, het boek verscheen in 1768. Het woord ‘tourist’ echter werd volgens het Etymologisch Woordenboek pas in 1847 voor het eerst gebruikt. Nochtans bestonden er al veel eerder toeristen, in de betekenis zoals wij die vandaag kennen: iemand die puur voor zijn eigen genoegen rondreist. Wellicht was Petrarca de eerste echte toerist, in het voorjaar van 1336 beklom hij op zijn eentje de Mont Ventoux (Mons Ventosus = de winderige berg), louter voor zijn plezier en om van het uitzicht te kunnen genieten (‘louter uit begeerte om zijn bijzondere hoogte nader in ogenschouw te nemen). Die winderige berg is ook heel kaal en bestaat uit witte kalksteen, waardoor de eerste reisgidsen eind negentiende eeuw, het over de eeuwige sneeuw op de top van de Mont Ventoux hadden. En omdat de ene reisgids overneemt wat in een vorige reisgids staat, bleef die eeuwige sneeuw dan ook eeuwig liggen. Ook ik heb ooit de Mont Ventoux te voet beklommen, samen met de kinderen, en inderdaad op de top was er zoveel koude, snijdende wind zodat wij ons moesten verschuilen achter een muurtje dat de weg afbakende om dan zo snel mogelijk weer naar Malaucène in het dal te stiefelen.

 

Zondag 19 juli 2020

In de radio de allereerste live-opname van Jacqueline Du Pré. Het celloconcerto van Edgar Elgar. Als ik mij goed herinner was dat een opname tijdens de Proms met Michael Sargent als dirigent en het BBC Symphony Orchestra en dus nog niet de legendarische opname uit 1965 met Sir John Barbioli en het London Symphony Orchestra, sindsdien en nog steeds dé refentie-opname. Die eerste opname dateert van 1963, Jacqueline was toen 18 jaar. Vandaag zou zij 75 geworden zijn. Ze heeft echter geen geluk gehad, eerst was er die vreselijke Multiple Sclerose die op 28 jarige leeftijd de kop opstak, zodat zij een vierde en laatste uitvoering van het dubbelconcerto van Brahms met violist Pinchas Zukerman en de New York Philharmonic onder leiding van Leonard Bernstein moest afzeggen. Einde van een veelbelovende carrière. Haar tweede rampspoed kwam er toen haar man, de pianist en nu dirigent Daniël Barenboim, haar verliet voor een jonge Russische pianiste. Jacqueline Du Pré stierf uiteindelijk, 42 jaar oud in 1987, en het klinkt misschien stom, maar over haar dood kan ik nog altijd mateloos verdriet hebben. Net als bij Schubert is hier een onwaarschijnlijk talent veel te vroeg van ons heen gegaan. Tekens ik haar naam zie staan moet ik mijn hoofd schudden, zeker als je weet dat er geen optimistischer en opgewekter vrouw rondliep dan zij, een echte lachebek, altijd welgezind. Zo jammer, het heeft niet mogen zijn. Christopher Nupen heeft een prachtige filmcollage gemaakt van haar in Remembering Jacqueline Du Pré. Er zijn naast interviews met verscheidene musici eveneens beelden te zien van toen ze nog als jong tienermeisje op de trein met haar cello bezig was en terzelfdertijd mee padam-padamt. Ook de bekende uitvoering van Schuberts Forellenquintet in de Queen Elisabethhall van London uit 1969 maakt deel uit van de film, hier speelt Jacky vol overgave met haar man Daniel Barenbom aan de piano, en de vrienden Itzhak Perlman, viool, Pinchas Zukerman, altviool en Zubin Mehta, contrabas. Gewoonweg schitterend en subliem, die vertolking, een weelde voor het oor én voor het oog!.

 

Week 12 juli -18 juli 2020

Zaterdag 18 juli 2020

… op van planken gemaakte boten geladen, die gebreeuwd waren met mos..’ Uit ‘De ontdekking van Frankrijk’. Gebreeuwd? ‘Breeuwen is het waterdicht maken van de naad tussen de planken van houten scheepshuiden’ Nou, dat was een woord dat ik niet kende, al begint er toch een lichtje te branden als ik de uitleg lees. Volgens het Etymologisch Woordenboek van Van Dale: ‘breeuwen (naden dichten) – het aaneenhechten van de oogleden van jonge jachtvogels. 1351-1400’ Bragen in het Middelnederlands. Een flard is nog te vinden in onze ‘wenkbrauw’. Hoe zou dat oorspronkelijk in het boek van Robb gestaan hebben? Caulking? Tja, vertalers – voor wie ik een grote bewondering heb – moeten van veel op de hoogte zijn. Maar hier en daar in De ontdekking van Frankrijk bots ik nog op archaïsche woorden die uit onze vocabulaire verdwenen zijn of er bij mij niet ingestaan hebben, zo ook boezeroen bijvoorbeeld. Het woord stamt uit 1857, komt uit het Frans: bourgeron, een armoedig kledingstuk, een soort kiel. Maar ook in het Frans vemeldt Robb enkele taaleigenaardigheden, zo rivièrette om een klein beekje aan te duiden of vélocifère, een nogal positieve benaming voor een diligence, die zeker geen snelheidsrecords zou breken en nog minder tot de veilige vervoermiddelen kon gerangschikt worden. In een krant van Lyon uit 1827 raadde men kandidaat-reizigers met de diligence aan om eerst werk te maken van het schrijven van hun testament, een voorzorgsmaatregel. Ook leer ik (ontdek ik) waar zevenmijlslaarzen vandaan komt. De postiljon die op een begeleidend paard naast de diligence reed, droeg doorgaans van die grote kaplaarzen, verstevigd met hout en ijzer. Men noemde ze zevenmijlslaarzen omdat de gangbare afstand tussen twee halteplaatsen zeven (oude) mijlen was. In vele gevallen kon reizen met de diligence vervangen worden door reizen met de boot over de toch wel vele bevaarbare waterwegen in Frankrijk, doorgaans iets comfortabeler, maar daarom niet sneller, integendeel. Dat het met het schip ook niet altijd vooruitging zoals gewenst vinden wij onder meer terug bij Rimbaud in de beginregels van zijn Bateau Ivre, misschien zijn berioemdste gedicht – naast Voyelles en Une saison en enfer -: ‘Comme je descendais des Fleuves impassibles / Je ne me sentis plus guidé par les haleurs (Terwijl ik afvoer van de onbewogen Stromen / Ging ik verlaten door de slepers, aan de haal) – vertaling Paul Claes. Le Bateau ivre werd ook op een muur aangebracht in de Rue Férou in Parijs. Onbetrouwbare schippers, het was niet de enige hinderpaal bij het reizen te water. In een van haar reisverslagen schreef de gouvernante van koning Louis Philippe, madame de Genlis – ik bespaar u haar volledige naam, zij was ook nog ‘een begaafd naaister, chirurgijn, ruiter, harpiste en biljartspeelster en schrijfster van niet al te correcte historische romans’ (Graham Robb): ’Ik voel me erg naar. Ik moet overgeven. Geef me de pot aan. Ik word misselijk van die teerlucht. Is er altijd zulke tegenwind? Waait het altijd zo hard? Ik heb kiespijn. Zijn we er nu gauw?’. En van de voorraad wij die vanuit het Zuiden naar Parijs werd aangevoerd, kwam vaak slechts de helft ter plaatse. De schippers en de bruggendraaiers en sluiswachters gooiden het meestal op een akkoordje.

 

Vrijdag 17 juli 2020

Een interview op Klara, ik weet niet meer met wie, wel een aangename, ietwat zenuwachtige stem. Echt luisteren deed ik niet, af en toe wat flarden meepikken. Tussendoor muziek, haar keuze veronderstel ik en dan plots Mahlers ‘Ich bin der Welt abhanden gekommen’, op tekst van Friedrich Rückert. Weer niet echt te vertalen, ik hou het bij ‘Ik heb de wereld losgelaten’. Het standbeeld van de zittende dichter bevindt zich in Schweinfurt, een veertigtal kilometer ten noordoosten van Wurzburg. Op een druilerige namiddag, een jaar of tien geleden, stond ik op de markt, waar de laatste bloemenverkopers hun kraampjes opruimden, oog in oog met de poëet. Schweinfurt was mij totaal onbekend en waarom ik daar gestopt ben weet ik evenmin. Zeker niet voor Rückert, want dat heb ik pas gemerkt toen ik voor deze troonzitter zelf stond. Waarschijnlijk zal het geweest zijn om aan de plaatselijke Kunsthalle een bezoekje te brengen. En terecht, een knappe verzameling werken van hedendaagse kunstenaars hebben ze daar. Bovendien liep er daar juist een tentoonstelling (waarom tentoonstellingen lopen is mij ook een raadsel): Diskurse (Verhandelingen) – Deutsche Kunst nach 1945. Tegen mijn gewoonte in (al gebeurt dat vaker) heb ik mij toen de catalogus aangeschaft en ik moet bekennen dat ik misleid was door die titel ‘Diskurse’, ik dacht er namelijk een handvol verhandelingen over moderne kunst te vinden, maar neen een weliswaar forse inleiding van de kunsthistoricus en toen nog directeur van het museum, Erich Schneider, nochtans een autoriteit op het gebied van Renaissance- en Barokkunst. De werken in de catalogus zijn merkwaardig genoeg niet gerangschikt volgens het tentoonstellingsparcours, maar alfabetisch op de familienaam van de kunstenaar (wat ook wel handig is), in dit geval van Max Ackerman tot Walter Zimmerman. Misschien toch even de aandacht voor het werk van Bettina Bätz, een kunstenares uit Frankfurt. Op witte badkamertegels had zij een grote tekening (294x221 cm) aangebracht met fijne zwarte lijnen en ingebakken (denk aan Benoît, maar nog soberder). Het stelde een vrouw voor die uit het bad gestapt was en de haren droogde met een handdoek, het leuke was dat de haren van deze vrouw ook echte haren waren die op de tegels gekleefd waren en naar beneden hingen. ‘Die auf die Sauberkeit ausstrahlende Badezimmerfliesen geklebten Haare stoßen den Betrachter zwischen Freude und Ablehnung hin und her; das Bild wird somit zur attraktiv-abstoßenden Wahrnehmungsfalle‘ (Het op de badkamertegels geplakte haar straalt reinheid uit en duwt de kijker tussen vreugde en afwijzing; het beeld wordt zo een aantrekkelijk-weerzinwekkende waarnemingsval.) Wat mij betreft had ik geen weerzinwekkend gevoel, al moet ik toegeven dat dit dagelijkse tafereel het verrassend onalledaags overkwam.

 

Donderdag 16 juli 2020

De ontdekking van Frankrijk. Ik zit nu halverwege en ik moet toegeven ietwat teleurgesteld, maar dat ligt meer aan mij dan aan het boek zelf, dat eigenlijk heel voortreffelijk is. Ik had er gewoon een andere voorgedachte over want toen ik het kocht – aangemoedigd door Michel Hendrickx die dit het beste boek over Frankrijk noemde -  meende ik dat ik kennis zou maken met de meest afgelegen, ongerepte uithoekjes van Frankrijk, daar waar geen Parisienne of toerist ooit een voet zet. Hoekjes zoals Saint Martial, waar wij ooit twee weken op vakantie geweest zijn met Hans en Anny, een bevriend koppel. Wij waren toen nog niet getrouwd, en toch mochten wij van onze ouders gaan. Is dat dan zonder slag of stoot gegaan? Ik kan het mij niet meer herinneren, wel dat wij op elkaar gepakt zaten in een al wat versleten kevertje, waarvan iets aan de motor met een touwtje aan elkaar vastgemaakt was. Wij kwamen terecht in een cabane van zeker enkele eeuwen oud, met muren die schier dikker waren dan de kamer zelf, fris was het er wel, ondanks de hitte buiten. Hans kon ons ook de stuipen op het lijf jagen, zoals die keer dat er een schorpioen in onze kamer zat en Hans bij hoog en bij laag met zijn gebruikelijke ernst beweerde dat als er één zit er ook een tweede in de buurt moest zijn, want ‘bij elk mannetje hoort er een wijfje’. Maar nee, bij Graham Robb, in deel één althans (het boek bestaat uit twee ongeveer gelijke delen).gaat het quasi heel de tijd over de gewone mensen van vroeger, hun gebruiken, hun taal, hun dorpen … Deel twee zou over het land zelf gaan, van het lappendeken van communes tot de moderne Franse natiestaat. Ik ben benieuwd. Nu, het is niet omdat ik wat teleurgesteld ben dat het geen goed boek is. Ik heb inderdaad genoten en vaak verrassende ogen opgezet bij het lezen over de vele en vaak heel verbreide zeden en gebruiken bij al die dorpsbewoners. Ook de verhalen die toen de ronde deden zijn niet mis. De slimheid van dieren bijvoorbeeld, vooral honden, paarden en schapen wisten wat er op het juiste tijdstip van hen verwacht wordt. Ik schrok wel dat er om de haverklap over de moorddadige strooptochten van (akkoord hongerige) wolven verteld wordt. In een roedel zijn die dieren best wel te mijden, en wij die nu wolven weer willen invoeren. Ja, een mooi initiatief denk ik dan, maar is het zo dat die dieren dan zo bang zijn van de mens? Ik zou in elk geval geen nazaat of een gezel van Naya willen ontmoeten tijdens een wandeling in de Kempen. Welkom wolf, but not in my backyard.

 

Woensdag 15 juli 2020

Een fietsuitstap naar Houtave met het bestuur van Het Beleefde Genot, of tenminste met een deel van dat bestuur (ik schreef eerst: met het kruim van het bestuur van Het Beleefde Genot, maar dat is eigenlijk een pleonasme). Houtave, je moet dat eens opzoeken met Google Earth, net alsof je een verlaten dorp in de Franse Pyreneeën ziet, Montaillou bijvoorbeeld. Drie, vier straten, een paar huizen en errond de nietsheid van het platteland. En dat bezorgt Houtave juist zijn charme, vind ik. Nu ja, die nietsheid betekent ook nogal wat wind die door niets tegengehouden wordt, gelukkig is de natuur nog vrij logisch: als je eerst de wind op kop hebt dan heb je als je terugkeert de wind in de rug. Wat dus het geval was. Doet mij denken aan weer zo’n absurd grapje van mijn vader over de man die met zijn fiets ergens naar toe reed en tegen de wind in zwoegde en smeekte dat de wind toch maar zou keren, wat inderdaad gebeurde toen hij weer terug moest fietsen. Maar de bestemming, Houtave dus, was het atelier (annex woonhuis, vroeger een schooltje) van beeldend kunstenares Jenny Verplanke waar er een zomertentoonstelling te bezoeken was met toch wel mooi werk van Jenny zelf en van Jaap Kok, Münire Yurdayük, Jan Verchueren, Anne Notebaert en Guido Dobbelaere. Het was natuurlijk vooral voor Guido dat wij kwamen. Zijn werk was te zien op zolder van het voormalige schooltje. Redelijk veel nieuwe werk, overheersend bruin, oker, rood coloriet in tegen stelling tot zijn vroegere blauwen, die er ook hingen. Een merkwaardige uitschieter vormde zijn doek ‘Corona war bride’, een enigszins figuratief werk, typisch Dobbelaerse blauwe-grijze achtergrond en een witte bestreepte (trouw)jurk op de voorgrond. Wel bizar al die bezoekers en de kunstenaars die daar stonden met hun mondmaskers aan. Niet alleen een wat vreemde sfeer, ook nogal storend om zo iets mee te moeten maken in een kunstomgeving. De terugweg – le vent en poupe – was een makkie. Een gerieflijke stop in het oude station van Varsenare maakte het vakantiegevoel (en bij sommigen de tongen) helemaal los.

 

Dinsdag 14 juli 2020

Op 14 juli (Quatorze juillet) herdenken de Fransen de bestorming van de Bastille in 1798, het echte begin van de Franse Revolutie, al vraag ik mij af of alle Fransen dat weten. 11 juli 1302, vraag dat eens aan onze puberende Facebookers, 21 juli 1830, de dag dat ene Leopold Joris Christiaan Frederik van Saksen-Coburg-Gotha (ik heb zijn koninklijke naam ook opgezocht hoor) de eed aflegde als eerste koning der Belgen? Welke ministers zouden dat weten? Maar goed, laten we naar Frankrijk gaan, virtueel dan en er even virtueel leven als God. (en in een half uitgestrekte positie in een luie zetel lijkt dat nog aardig te lukken). Ik ga naar Frankrijk met Graham Robb. Op ontdekking dan nog: in 2007 schreef hij The discovery of France, in 2008 vertaald door Suzanne de Wilde (met een kleine d, alsjeblieft) als De ontdekking van Frankrijk, of wat dacht je? Ik zit nu 50 van de iets meer dan 400 bladzijden ver, en inderdaad heb ik al heel wat ontdekt dat ik niet wist. Dat er bijvoorbeeld nooit Fransen zijn geweest, meer nog dat Frankrijk ook pas laat ontstaan is. Wij hebben het zo vaak over Italië met zijn stadstaatjes als Florence, Milaan, Venetië, Genua of over het versplinterd lappendeken van het Heilig Roomse pré-Duitsland met zijn vele vorsten- en hertogdommen, wel in Frankrijk was het nog vele malen erger. Een echt onsamenhangend conglomeraat van stammen was het daar, of beter stammetjes. Zo was Goust bijvoorbeeld een gehucht bestaande uit twaalf huizen en ongeveer zeventig bewoners, zonder kerk en zonder kerkhof (de doden werden ’s winters op de daken gelegd en als de lente kwam wedren ze in het dal neergelaten en daar begraven), wel dat gehucht was een autonome republiek, wellicht de kleinste van Europa. Wat mij nog meer verwonderde is dat ik daar ooit vlakbij, in Laruns, drie weken op vakantie geweest ben en nooit over Goust gehoord heb, laat staan er geweest ben. Jammer dus, maar zo’n dingen gebeuren, je rijdt schromelijk dicht langs een of ander ‘must see’-monument en pas als je thuis komt verneem je, meestal toevallig, wat je toen links heb laten liggen. Het overkwam mij ooit toen wij in Coïmbra waren, ja de stad bezocht, maar geen flauw idee dat er zich daar een ongeëvenaarde bibliotheek uit de 16de eeuw bevond, een van de mooiste ter wereld. Nu, ik heb dit intussen wel weer goed gemaakt en de Biblioteca Joanina bezocht in putje winter, we waren de enige bezoekers. Maar Frankrijk, dat is andere koek. Ongelofelijke verhalen over niet-Franse Fransen dus, die bovendien alle soorten talen spraken, behalve Frans. Dorpen (communes) waren toen zeer zelfstandig. Het gebeurde niet zelden dat de inwoners van twee naburige dorpen tegen elkaar ten strijde trokken voor wat in onze (XXIe-eeuwse) ogen belachelijk lijkt. Zo ging er eens een dorp op de knuppel – er vielen zwaargewonden – met het aangrenzende dorp omdat die daar op een rotspunt een beeld van O.L.V. opgericht hadden dat met zijn rug naar het zo benadeelde andere dorp gericht was. Uitkomst van dat gekrakeel: het beeld werd een kwart gedraaid, zodat beide dorpen het beeld nu in profiel konden waarnemen, de madonna stond dan wel met haar rug naar een verder gelegen dorp, maar juist dat was niet erg, want té ver gelegen om aanspraak te kunnen maken op een zij- of vooraanzicht, inclusief voorspraak.

 

Maandag 13 juli 2020

Vanmorgen 4.48 u., de dag sijpelt voorzichtig in de slaapkamer. Plots wakker met kramp in mijn rechterbeen, niet ongewoon en samen met die kramp een flard van de voorbije droom, het enige wat ik mij herinner is dat ik de aria ‘Gott! Welch Dunkel hier!’ uit Fidelio, gezongen door Jonas Kaufmann, hoorde. Een dag of vier geleden heb ik die aria inderdaad gehoord, ook met Kaufmann. Beethoven was geen operacomponist, behalve de (vaak herwerkte) ouverture, het koor der gevangenen en hier en daar een aria, waaronder deze aria ‘Gott! Welch Dunkel hier!’ is er niet veel opwindends aan de muziek van Fidelio. Kaufmaan vind ik wel een typische en zeer geschikte Wagnervertolker, zo heb ik hem ook leren kennen met een lied uit Rienzi, een minder gekende opera van Wagner, een jeugdwerk. De volledige naam van de opera is ‘Rienzi, oder der Letzte der Tribunen’.

Kaufmann vertolkt er op indringende wijze het gebed van de tribuun Rienzi: ‘Allmächt’ger Vater, blick herab!’ (5de bedrijf). Nou ja, wat een stem zeg! En daarmee was ik vanmorgen natuurlijk klaar wakker, opstaan zat er nog niet in (wel even rondlopen om die kramp weg te krijgen), slapen evenmin. Dus maar blijven soezen tot iets voor acht. Vandaag zou het een werkdag worden: de muur van de torenkamer die door vocht in enkele hoeken behoorlijk toegetakeld was, heb ik gisteren geplamuurd en dus nu glad wrijven en heel de wand overschilderen. Wit (in plaats van dat bleekgroene van ervoor). Ook eens gekeken hoe deze torenkamer om te bouwen tot een schildersatelier. In elk geval de ideale plaats om te schilderen, want volop licht aan vier zijden door de opstaande ramen, wel wat beperkte ruimte maar met wat schuiven en verplaatsen lukt het wel om daar een ezel te plaatsen (die staat er trouwens al) en die te omringen met doeken en schildergerei. Aan modelschilderen ga ik mij niet wagen, dus geen verhoog nodig met een stoeltje en gedrapeerde lakens, al zou ik mij niet verzetten mocht een mooi geschapen model ergens plaats nemen, dat zou mij veeleer tot poëzie inspireren dan tot schilderen. Hoe dan ook wil ik de abstracte toer opgaan. Schilderen à la Richter? Met brede vegen over het doek gaan? Het doek dan in een etalage plaatsen met een bordje 50 euro. Gegarandeerd dat niemand zoiets zal kopen, dan maar een bordje 5000 euro. Geen garantie, maar meer kans dat er een zogezegde kunstkenner (de snob uit de kruiswoordraadsels) op af komt en afbiedt tot 4000 euro en het meeneemt. Het zou in elk geval een koopje zijn, want een echte Richter in dat genre schat ik op minstens 400.000 euro. Daartegenover verbleken de inkomsten van zelfs de beste of beter meest verkochte schrijvers. Maar wie bepaalt de zogenaamde waarde van een kunstwerk? Immoreel, is zowat het minste dat ik hierover kan zeggen. ‘Onder de tucht van de markt win je economisch kapitaal en verlies je cultureel kapitaal’ zei Doeschka Meijsing in haar Louis-Paul Boonlezing. Marx zou ongetwijfeld moeite gehad hebben met de huidige bedragen die aan ‘kunst’ besteed worden. Volgens hem kan geld elk voorwerp ruilen voor om het even welk ander. De waarde van een kunstwerk uitdrukken in geld, de waarde van een mensenleven uitdrukken in geld (verzekeringen!), het betekent noch min noch meer de inflatie van het begrip ‘waarde’.

 

Zondag 12 juli 2020

Longtemps je me suis couché de bonne heure’. Vrij vertaald, want onvertaalbaar indien je de subtiele nuance wilt behouden: Lang ben ik vroeg gaan slapen. De eerste zin uit Du côté de chez Swann en meteen ook van de hele Á la recherche du temps perdu. Doeschka Meijsing haalt hem aan in haar essay over Shakepeare en zegt er meteen bij dat het absoluut haar favoriete openingszin uit de literatuur is. Nu na het lezen van haar dagboeken en enkele van haar essays, heb ik gemerkt dat ik veel gemeenschappelijk heb met Doeschka. Om te beginnen onze liefde voor Vestdijk en Yourcenar, ons enthousiasme voor Brideshead revisited en ook dus voor deze eerste zin van Marcel Proust ; ‘Longtemps je me suis couché de bonne heure’ ook voor mij behoort die tot de vijf mooiste beginzinnen die ik ken. Mooi dan in de zin van veelbelovend, magisch, al adembenemend, vol verwachting. Als ik er nog vier mag aan toevoegen, dan zouden dat bijvoorbeeld de volgende kunnen zijn: ‘Mon cher Marc, je suis descendu de matin chez mon médecin Hermogène, qui vient de rentrer à la Villa après un assez long voyage en Asie’ (Marguerite Yourcenar, Mèmoires d’Hadrien), maar eigenlijk al voorafgegaan door dit enig mooi gedichtje van Hadrianus zelf.

Animula vagula, blandula,

Hospes comesque corporis,

Quae nunc abibis in loca

palidula, rigida, nudula,

Nec, ut soles dabes iocos.

 
 

(Mijn zieltje lief, mijn vlinderding,
gast en gezel van lijf en leden,
welk oord betreed je nu beneden?
Kleurloos en kaal, een kille kring,
je dartel spel wordt daar verleden.)

in een vertaling van Patrick Lateur.

En ook: ‘Vor dem Gesetz steht ein Türhüter. Zu diesem Türhüter kommt ein Mann vom Lande und bittet um Eintrit in das Gesetz.‘ (Voor de wet staat een poortwachter. Naar deze poortwachter komt een man van het land (van het platteland?) en vraagt om toegang tot de wet.). Dit is het begin van De Wet, een van de sterkste verhalen van Kafka, het staat ook integraal in Het Proces.

Nog eentje om nooit te vergeten: ‘Ein einfacher junger Mensch reiste im Hochsommer von Hamburg, seiner Vaterstadt, nach Davos-Platz im Graubündischen. Er fuhr auf Besuch für drei Wochen.(In het hartje van de zomer reisde er een eenvoudig jongmens van zijn vaderstad Hamburg naar Davos-Platz in het Graubeündenbse land. Hij was van plan er die weken te blijven).- vertaling Pé Hawinkels. Hans Castorp, de protoganist van De Toverberg, verbleef er geen drie weken maar uiteindelijk zeven jaar. Ook het slot van deze roman met de onvergetelijke humanist en vrijmetselaar Settembrini, de fanatieke Jezuïet en nihilist Naphta en de jolige madame Chauchat met de Kirgiezenogen is bloedstollend. Als je dan eindelijk aan het slot van die meer dan 900 bladzijden tellende roman gekomen bent en Hans Castorp ontslagen is uit het sanatorium (‘Het ga je goed – je zult nu leven of achterblijven!’ – meer komen we niet te weten, maar dat hij in het krankzinnige geweld van de Eerste Wereldoorlog gesneuveld is, is een kwestie van je gedachten te extrapoleren), dan lees je: ‘Zal ook uit dit wereldfeest des doods, ook uit deze vreselijke koortsgloed, waarin overal in het rond de regenachtige avondhemel is ontstoken, eens de liefde zich verheffen?

En als vijfde beginzin, Ulysses van James Joyce: ‘Stately, plump Buck Mulligan came from the stairhead, bearing a bowl of lather on which a mirror and a razor lay crossed. (Statig kwam de vlezige Buck Mulligan van het trapgat, in de handen een bekken vol schuim waarop kruiselings een spiegel en een scheermes.’ – vertaling John Vandenbergh. Ik neem met opzet de vertaling van Vandenbergh, waar zogenaamde beroepsvertalers naar mijn mening nogal eens schamper over durven te doen.

 

Week 5 juli -11 juli 2020

Zaterdag 11 juli 2020

Vandaag is het Fête nationale voor de Vlamingen die daar fier op zijn. Als ik nog een knaapje was en thuis woonde hadden mijn ouders een Vlaamse Leeuwenvlag (geen Belgische vod, zoals mijn nonkel de driekleur noemde die de meeste mensen bezaten) en die Leeuw werd tweemaal per jaar voor het raam opgehangen: op 11 juli en de dag van de IJzerbedevaart. Misschien ook, maar daar herinner ik mij niets van, bij het huwelijk van iemand uit de buurt, het was toen de gewoonte om ‘het huis te bevlaggen’. Mijn ouders gingen zelden of nooit weg van huis, twee uitzonderingen daargelaten: de IJzerbedevaart en het (Vlaams Nationaal) Zangfeest in het Sportpaleis, en soms – maar dat was occasioneel – een Amnestiebetoging. dat was steeds met een bus van het Davidsfonds Steenbrugge. Naar de IJzerbedevaart en het Zangfeest mocht (moest?) ik mee. Op de dag van de IJzerbedevaart vertelde mijn vader elk jaar hetzelfde grapje, dat ze die dag in Diksmuide met bics liepen te leuren: 6 frank voor één en drie voor 20 frank. Ooit heb ik op de IJzerbedevaart een echte heldendaad verricht. Jawel, het zat zo in elkaar. De IJzerbedevaart dat was ook een beetje een Steenbrugse aangelegenheid (Dom Modest Van Asche en zo) en die startte zoals altijd met een misviering (AVV-VVK, vooral die K dus) in open lucht op het verhoog van het (vernielde) IJzermonument. Voorganger was dan een pater Benedictijn van de abdij van Steenbrugge (denk ik toch). Bon, ik was toen in de Chiro van Steenbrugge en bruin geüniformd mocht ik de mis dienen (stel je voor: voor tienduizenden aanwezigen op de weide, het kruim van de Vlaamse beweging!). Die keer, een zondag in augustus, was het snikkend heet. Na of bij de offerande, moest ik wijn en water in de beker van de priester doen. Uitgerekend als ik de wijn wil nemen, plonst er daar een verraderlijke Waalse wesp in dat kannetje wijn. Wat moest ik doen? Onverschrokken zonder een fractie van een seconde te twijfelen heb ik dan mijn eigen leven op het spel gezet, met mijn wijsvinger die wesp met een oplawaai uit het kannetje wijn gemept, zo de priester behoedend voor een steek en een ijselijke schreeuw die anders via de microfoon en de talrijke luidsprekers over de bedevaartweide zou geschald hebben. Een andere keer, ik was toen een druppel in de mensenzee op de weide, heb ik bloed en tranen gezweet. Ik moet dan in mijn puberteitsjaren geweest zijn. Naar het einde van de plechtigheid volgt traditioneel de eed van trouw aan Vlaanderen (heroïsche tekst van Cyriel Verschaeve overigens): ‘O land van roem en rouwe, van liefd’en lijdensnood, Gij wordt weer vrij en groot, wij zweren houwe trouwe, U Vlaand’ren tot ter dood’. Nu herinnerde ik mij op dat moment het ‘Zweer niet ijdel, vloek nog spot’ uit de Tien geboden en ja, ik had het in die tijd nogal moeilijk met daden van onkuisheid (het heeft trouwens heel lang geduurd voor ik besefte wat dat juist betekende) en zelfbevrediging leek me toen een doodzonde, tja je had dan wel de biecht, maar daar was ik nu juist niet meer naar toe geweest. Enfin, iedereen stond daar pal recht met opgegeven rechterhand en twee gesloten vingers in de lucht die eed te gillen maar ik durfde niet want doodzonde op doodzonde, ai, ai! Dus een compromis: arm en vingers langs mijn borst en wat onverstaanbaars in stilte gemurmeld. Oef, de heldendaad van een jaar of later heeft wel veel goedgemaakt.

De après-bedevaart was ook altijd leuk. Met de bus van het Davidsfonds gingen we dan steevast naar Oostende (waar mijn tante Laura, die daar woonde afstapte – ze was de dag ervoor met de trein naar ons gekomen) om in steeds hetzelfde café een trappist (mijn vader en tante Laura, misschien ook mijn moeder) of een limonade (ik) te drinken met wulloks en droge vis. Dat waren hoogdagen voor mijn ouders en hun enige zoon, een meinedig achterkomertje.

 

Vrijdag 10 juli 2020

Hoe heet dat beruchte boek weer van die Amerikaanse schrijver Richard Bolles (1927-2017)? What colour is your parachute? A practical manual for Job-hunters and Career-changers. Ik was het toen allebei, het moet einde jaren 90 geweest zijn. Nu ik moet toegeven dat ik dit boek nog graag gelezen heb – long time ago dus. Vlot geschreven, typisch Amerikaans, een overaanbod aan tekeningetjes, cartoons, vragenlijstjes, grafiekjes in allerlei geuren, kleuren en vormen. Wat ik mij nu nog goed herinner is zijn indeling van het menselijke leven: jeugd = (vooral) leren, volwassenheid = (voor het grootste deel) werken, ouderdom = (enkel nog) spelen. Ik dacht er daarnet aan terwijl ik lui en toch uitgeslapen in mijn zetel aan het raam zat, net nog niet lag. Spelen? Bolles schrijft dat vanuit het standpunt dat je op je oude dag  niets meer moet doen, met de klemtoon op ‘niet moeten’. Niet akkoord (al begrijp ik wel zijn m.i. afwijkende definitie van het begrip spelen). Nee, het leven ziet er eerder zo uit: eerst leren, dan werken en ten slotte denken of beschouwen, terugkijken. Niets moet weliswaar nog, alles (of toch bijna alles) mag zogezegd, maar niet alles kan nog. Denken, mijmeren, reflecteren, daar zijn we op oudere leeftijd pas goed in. Nut heeft het wel niet, maar niets nuttigs heeft mij ooit zinnig geleken, ik bedoel nut in (de gangbare) economische zin dan. Dat boek moet hier nog ergens staan. Wat de metafoor van de parachute betreft, daar herinner ik mij niets meer van.

Intussen ben ik op zoek gegaan naar What colour is your parachute? en niet gevonden, wat eigenlijk logisch is aangezien ik dat boek niet bezit, wel een ander van Richard Bolles, The three Boxes of Life (ah ja, vandaar die indeling van hierboven die ik mij nog herinner). Zowel op de kaft vooraan als achteraan wordt Bolles vereenzelvigd als de auteur van What colour is your parachute? De indeling van The three Boxes of Life spreekt letterlijk boekdelen: deel één: Life long learning, deel twee: Life long working, deel drie: Life long leisure or playing. Aangezien de laatste categorie vooral betrekking zou hebben op de derde leeftijd, wil ik toch even een gepast citaat zoeken, ik zie dat ik één regel onderstreept heb. Het gaat over de raad als je alleen komt te staan: ‘If you are Alone, even more if you are Lonely, write this on your mirror, and in your living room, and over your kitchen stove: Reach out, Reach out, Reach out. Ik schreef het toch: typisch Amerikaans.

 

Donderdag 9 juli 2020

Hamlet: “I could be bounded in a nutshell, and count myself a king of infinite space”. Ja daarvoor moet je schrijver zijn of lezer. De verbeelding dus, daarmee geraak je overal, zelfs de tijd kan je laten stilstaan of achteruit draaien. Een doodgewone gebeurtenis of situatie kan je omtoveren tot een groots verhaal, maar je moet het natuurlijk ook kunnen vertellen. Kunst of kunde? Een beetje allebei zeker, kunde is in elk geval niet toereikend, schrijven is geen ambacht, misschien nog best te vergelijken met een muzikant. Talent laten groeien en dan oefenen, oefenen en oefenen. Nou dat oefenen is, in geval van schrijven, eigenlijk al creëren. Iets wat ik, naar mijn aanvoelen, wel mis. Het staren naar dat lege blad, dat leeg oplichtende scherm. Was dat vroeger niet zo? Toch niet in die mate. Uit mezelf komt er geen inspiratie, mij dan een thema laten opleggen, schrijven in opdracht? Dat zal ook niet werken, alhoewel, het volgende had ik een paar maanden geleden voor. Wilfried VDC, de kunstschilder, komt bij mij aan huis met een pakje: een geschilderd portret 40 x 40 van de kop van zijn collega Cy Twombly. Verdacht dus, iemand die je nooit ziet die dan plots voor je deur staat, een schilderijtje bij zich heeft en zegt: alstublieft, je mag dat houden. There ain’t no such thing as a free meal, denk je dan. Voor wat hoort wat en ja daar komt het. Wilfried is bezig met een project voor een wedstrijd, iets over vrede en hoop om te plaatsen in het voormalig krijgsgevangenkamp in Vloethemveld, waar vooral soldaten uit Letland gevangen werden gehouden. Een beeldengroep – metalen silhouetten van vlinders – en hij zou daar graag teksten bij hebben, poëzie zegt hij. Er zijn vijf van die sculpturen, dus vijf gedichten, liefst heel korte gedichten, een paar regels maar. Of ik misschien… Ik zeg niet dadelijk nee, maar het te verwachten ‘ik zal er eens over nadenken’, wat ik dan ook doe. ’s Anderdaags een mail naar Wilfried: zou je geen gedichten van Gwy Mandelinck nemen? Die is ten eerste van de streek en ten tweede in zijn laatste bundel ‘Lotgenoten’ staan zeer compacte, maar prachtige verzen, helemaal in de lijn van je project. Antwoord: liever niet. Tweede voorstel: neem vijf zinnen uit het werk van Etty Hillesum, die ga je gemakkelijk vinden. Nee, liever gedichten van mij. Ons kent ons. Schrijven op commando, dat gaat mij niet af. Hoe zou ik nu binnen twee weken iets deftigs uit mijn mouw kunnen schudden? Ik geloof er niet in, maar zet mij toch aan het werk d.i. ik zet mij aan mijn schrijf/tiktafel en begin met dat lege blad/scherm. Nog geen twee uur later heb ik geen vijf korte gedichten maar een stuk of twintig maaksels, ik stuur ze hem allemaal door, hij kan niet kiezen, wil dat ik dat doe. Dan maar vijf gesuggereerd, vijf uit de volgende zeven:

 

Vreemdelingen zijn wij.

De handen geboeid op de vallende bladeren.

Als kleine vogels stijgen ze op.

Zonnewaarts, ja als tintelende Icaroïden

 

Wij mengen ze in de grond

Pastel, gouache, siena, koolwit…

De randkleuren snijden in de wonde

Wij vullen onze aders met zonnedauw

 

Als de sparren zwijgen, zwijgen ook de sterren.

Anoniem staan de mannen,

geslachtloos knabbelen zij de avondwind.

Zie, zij kijken naar het Oosten.

 

De winter kraakt.

Geen lucht kan blauwer zijn dan dit bospad.

Zie, hij valt, verminkt de eerste sneeuw.

Hij staat op, altijd weer staat hij op.

 

Dwaalnacht, sponsnacht, nacht onecht.

Zie hen haken in het labyrint van doffe stiltes.

Hier zijn we niet meer,

de zeilen worden morgen bijgezet.

 

Of ik de klei moet herscheppen?

Haar drie vleugels geven?

Tussen bloem en pot de stengel.

Onwezenlijk maar ouder dan de dagen, langer dan de jaren.

 

Is het huis gesloten?

Zijn de ramen dicht?

Nog één ogenblik, zo langgerekt

als de zonnewind, om bij jou te zijn.

 

Woensdag 8 juli 2020

Ja, waarom schrijf ik een dagboek ‘vol onbenulligheden, weersbeschrijvingen, voorvallen die er eigenlijk niet toe doen, grote en kleine emoties, gigantische en minuscule ruzies?’ zoals Doeschka Meijsing zich dat afvraagt? Hierbij al een eerste opmerking: ik heb niet de indruk dat ik onbenulligheden, weersbeschrijvingen, voorvallen die er eigenlijk niet toe doen, grote en kleine emoties, gigantische en minuscule ruzies beschrijf, tenzij misschien onbenulligheden. Kom ik straks misschien op terug. Nee, Doeschka – die ik meer en meer ben beginnen bewonderen sedert het lezen van haar dagboeken, deel één tot 1987: ‘En liefde in mindere mate’ (waar blijft dat tweede deel, Dames en Heren van de Arbeiderspers?) – heeft een mooie uitleg klaar: ‘Vroeger dacht ik dat het was om in een bejaardentehuis, oud en versleten, mijn leven te kunnen overzien’. Jezus, daar heb ik geen behoefte aan, om te beginnen al niet aan een bejaardentehuis of hoe het nu mag heten: weezitcee. Nee, verklaart Doeschka, ‘het geschrevene interesseert mij op geen enkele manier. Het antwoord op de vraag luidt: om elke ochtend de hand te oefenen, opdat het blanco papier niet tot obsessie wordt’ Paf! Daar sta ik paf van. Dagboek als ochtendgymnastiek, geweldig is dat toch? Nu voor alle duidelijkheid: bij Meijsing gaat het evenmin om ‘onbenulligheden’, integendeel veel van de levenswijsheid die uit haar aantekeningen te halen zijn zouden zonder moeite op de balken van de studeerkamer van Michel Montaigne’s kasteel kunnen gegraveerd worden. Gewoon vertalen naar het Latijn. Een citaat, dat ook op die balken zou kunnen staan komt van P.G. Woodhouse, niet van Doeschka Meijsing dus, wel door haar geciteerd: ‘The only thing a writer has to do is to keep his bum on his chair’. Tussen haakjes, P.G. Wodehouse is een van die vele schrijvers die steevast met de initialen van de voornaam aangeduid worden, het vraagt soms beestachtig opzoekingswerk om te weten te komen waarvoor die initialen staan: P.G. Wodehouse, E.E. Cummings, T.S. Eliot, D.H. Lawrence, J.M. Coetzee… allemaal in het Engels schrijvende auteurs (Coetzee ook? Ja toch?). Om beestachtigheden te vermijden, hier het resultaat van mijn opzoekingswerk: Pelhalm Grenville (nou moe, ik begrijp waarom men P.G. gebruikt) Wodehouse, Edward Estlin Cummings, Thomas Steams Eliot, David Herbert Lawrence, John Maxwell Coetzee.

Het citaat van Pelhalm Grenville dus. Wellicht is dat zelfs de essentie van het schrijven. Het is in ieder geval dat wat ik mankeer. Opstaan – neem een gezond uur, acht uur bijvoorbeeld – opsmukceremonie, ontbijten, correspondentie natrekken (e-mails), krant (te beginnen met Garfield, Casper & Hobbes en Suske en Wiske) en dan op naar mijn kapel, laptop open klappen en beginnen maar (intussen moet het zowat 11 uur zijn) en dan mij bum op mijn chair houden en schrijven maar tot … ja, tot 21, 22 uur bijvoorbeeld met tussenin een wandelingetje misschien, een licht avondmaal. Na de schrijverij een avondje met het boek dat ik aan het lezen ben en wat klassiek op de achtergrond. Maar waarom lukt dat niet? Les choses de la vie, n’est-ce pas: dagboekschrijven bijvoorbeeld. Bij Doeschka was dat nog oefenen, bij mij komt het in de plaats van literatuur. Qualis poeta pereo!

 

Dinsdag 7 juli 2020

De nieuwe canon dan? Hoe zo nieuw? Is een van de kenmerken van een canon niet zijn eeuwigheidswaarde – eeuwigheidswaarde met een van die ontelbare korreltjes zand van het strand?

Nee, commentaar ga ik niet geven op het werk van anderen die er meer van kennen, misschien wel wat commentaar ernaast. Hoe zou ik overigens kunnen, als nogal wat werken mij niet eens bekend zijn, laat staan dat ik ze gelezen heb en ook niet die andere ongelezen maar wel bekende werken? Ik heb de nieuwe literaire canon niet grondig bekeken, ook niets geteld, maar ik schat zowat drie kwart van die canon is mij qua titel of inhoud onbekend. Dus zwijgen maar zeker? En dan dat gedoe van er staan te weinig vrouwelijke auteurs in enzovoort. Misschien staan er ook te weinig allochtonen, voetballers, advocaten en noem maar op in? So what? Je gaat boeken toch niet beoordelen op basis van de schrijver? Toch omwille van de inhoud en misschien een beetje van de vorm zeker? Als ik al een criterium zou naar voor schuiven is dat de opgenomen werken minstens een halve eeuw oud moeten zijn, maar daar is voor zover ik ergens gelezen heb, rekening mee gehouden. Geen versgebakken vlaaien, maar in de klei gebakken potten met al een vleugje patine. Ik zou bijvoorbeeld mijn eigen canon of mijn eigen Top-100 (klinkt nogal commercieel) kunnen samenstellen op basis van wat ik tot hiertoe gelezen heb. Rijst dan ook de vraag: hou je het enkel bij fictie (ja denk ik) of gooi je daar ook al die non-fictie bij (nee dus, al heeft non-fictie ongetwijfeld de overhand in mijn lectuur (3 tegen 2 vermoed ik). Bijkomend probleem: vanaf wanneer is fictie nog of al fictie of geen fictie meer of half of gedeeltelijk fictie? Dagboeken bijvoorbeeld in het bijzonder zogenaamde niet autobiografische dagboeken (voor zover die bestaan, voor zover zelfs romans niet autobiografisch kunnen zijn): fictie of niet? Bij niet-fictie stel je natuurlijk dingetjes voor die over iets gaan, iets trachten te verklaren of zaken ‘bespiegelen’ enzovoort, essays weet je. Maar er is dus die grijze zone. Nou, goed, maar ik voel me nu niet in staat (gewoon geen zin) om aan een eigen canon te beginnen. Tijdens de eerste publieke bijeenkomst van Het Beleefde Genot ‘Waarom de klassieken lezen?’, werd aan de panelleden Marijke, Muriel, Roland (en de moderator, deze dagboekschrijver dus) de vraag gesteld om hun tien favoriete boeken even te verklappen. Het resultaat is nog altijd te vinden op de website van Het Beleefde Genot, onder Beleefd > Archief, wellicht helemaal onderaan. Ik ga er van uit dat er nog weinig veranderd is. En intussen dagboek ik verder, al moet ik toegeven dat het schrijven wat stroever wordt, veel van wat gezegd is, is intussen gezegd, vaak weet ik niet waarover ik het nu wil hebben. Een weekboek zou al een stuk gemakkelijker zijn, bovendien zou het mij in staat stellen sommige aantekeningen wat uitgebreider te behandelen. Maar ik hou mij eraan – tot nader order – mijn dagelijkse opmerkingen op schrift te zetten. Lezen, dagboeken, af en toe een brief, meer moet het niet zijn en is het ook niet heb ik zo de indruk, al is soms gewoon nietsdoen ook een optie, meestal in een zetel geploft met wat muziek in de kamer (is dat dan wel nietsdoen? Actief luisteren naar wat er op de radio speelt?). Trouwens ook als ik dagboek is dat meestal met muziek, bij dit stukje bijvoorbeeld speelt Jordi Savall met zijn Hesperion XXI dansen uit de Oriënt, Italië, Engeland, enzovoort.

 

Maandag 6 juli 2020

A day in the life. Of: niets te melden, of zo goed als niets. Er gebeurt altijd wat natuurlijk. Een fietsritje in de morgen, even naar de bakker en dan via een omweg terug. De krant doornemen, de titels en tussentitels vooral, alleen achteraan zou ik wel eens een bespreking of een opinie lezen. Wat gelezen in ‘Hoe verliefd is de lezer?’ van Doeschka Meijsing, een samenraapsel van verschillende artikels en essays die Doeschka links en rechts geschreven heeft. Haar laatste partner, Xandra Schutte, bij mijn weten nog altijd hoofdredactrice van De Groene Amsterdammer, zorgde voor de keuze. ‘Ernst en lichtheid, eruditie en geestigheid.’ Het staat te lezen in het voorwoord van Schutte. Tegen de middag naar de brievenbus, berichten van Oxfam en 11.11.11 en zowaar een pakketje van bol.com, een CD met een wat merkwaardige titel ‘Animal Requiem’. De componiste is een zekere Rachel Fuller, een 57-jarige Engelse (die de voorbije jaren vijf van haar hondjes verloren heeft, snik…). Niet zo bijzonder op het eerste en tweede gehoor, het Requiem eindigt met de Beatlesong ‘Blackbird’ (met toestemming van Paul McCartney). Heb eigenlijk wat geluierd, dus is het bij lezen en wat opruimen gebleven. En bij dat opruimen… zoals altijd, je dumpt een heleboel en je merkt achteraf nauwelijks het verschil. ’s Avonds wat computeren, niet eens met een glas wijn. Word ik (weer) ascetisch? Weer? Jawel, in mijn studententijd had wel vaak ascetische neigingen, voornamelijk tijdens mijn jaarlijkse Mayrkuur, een soort darmreinigingskuur waarbij vasten een essentieel onderdeel was. Ik geef toe, tijdens dag een en dag twee had ik het soms wel moeilijk als ik een frituur passeerde, maar eens je daar over heen, was, viel dat vasten best wel mee en het resultaat was drievoudig: die darmreiniging, al die vuilresten verwijderd; al naargelang je gestel enkele kilo’s minder of meer (bij mij toch steeds een vijftal kilo’s minder) en last but not least: een bijzonder helder hoofd, iets wat ik heerlijk vond. De massage- en acupressursessies die de kuur begeleidden vond ik maar niks en nogal bij het haar gegrepen. Vandaag denk ik dat ik niet meer over de zelfdiscipline beschik om nog eens te kuren, al valt het mij niet moeilijk een dag zonder eten door te brengen. Zal ik nu langer leven door deze vroegere Mayrkuren? Ben ik daardoor gezonder? Zeker niet, gezond leven doe je van dag tot dag.

 

Zondag 5 juli 2020

Een mislukt experiment. Het zou de titel van een middelmatig verhaal kunnen zijn, maar ik heb het zelf beleefd, deze nacht nog wel. Theorieën over dromen, daar waag ik mij niet aan, er wordt daar teveel onzin over verteld, typisch voor een domein waarop men nog geen vat heeft. Hoe dan ook, ik denk dat iedereen dat ervaart, je droomt dat de stukken ervan afvliegen, je wordt wakker, en oeps je droom is weg. Soms herinner je je nog een fractie bij het ontwaken, maar twee minuten later weet je al niets meer. Waarover ging die droom nu weer? Dus dacht ik: ik leg een blocnote op mijn nachtkastje, ernaast een bic, ik word wakker en noteer sofort in het donker enkele woorden die mij de droom zullen doen herinneren. Een experiment, en het scheen te lukken. Weer zo’n stukken ervan afvliegende droom, ik schiet wakker, nog midden in de nacht, grijp naar mijn blok en pen, en noteer die paar woorden. En zo geschiedde. ’s Morgens ontwaak ik rond half acht, het is al lang licht, ik neem mijn notaboekje: onbeschreven. Ik had dus gedroomd dat ik mijn droom genoteerd had. Alleen dat laatste stukje droom waarin ik mijn vorige droom opschreef herinnerde ik mij nog. Van de droom ervoor zo goed als niets meer, ja er kwam een vrouw in voor, een onbekende voor zover ik mij durf herinneren. Dat er een vrouw in mijn dromen voorkomt is meer regel dan uitzondering, er is geen regelmaat of patroon in te herkennen, het kan zowel mijn moeder zaliger, een van mijn zusters, mijn dochter (nogal vaak droom ik van haar vind ik) als kennissen zijn en ja soms ook totaal onbekende vrouwen of een schepsel met wie ik totaal geen band heb, een caissière uit de supermarkt bijvoorbeeld. Dat vergeten van dromen is dat inherent aan de droom? Of heeft het met het (verminderede) geheugen te maken? Uiteraard heeft een droom vaak te maken met wat men de dag of de dagen ervoor heeft meegemaakt, desnoods onbewust? Freud vond daar een mooie naam voor: dagresten. En op zijn beurt produceert een droom dan wat je nachtresten zou kunnen noemen. Droomfragmentjes. Hoe dan ook je moet er heel snel bij zijn, wil je nog iets overhouden van die fragmenten. Maar er zijn ook dromen die je wel kunt onthouden, omdat je ze in feite zelf construeert, ik heb het natuurlijk over dagdromen. Onderbewuste nachtdromen versus bewuste dagdromen, misschien is het juister te spreken over slaapdromen en waakdromen en een synoniem voor die laatste is natuurlijk fantasieën. Heb je zo’n slaapdroom niet in de hand, met fantasie lukt dat vanzelfsprekend wel. In je fantasieën ga je nooit in de problemen komen, zelfs al beeld je je onmogelijke situaties in. Je kan je laten gaan zonder scrupules, met om het even welke vrouw naar bed gaan, je gaat nooit betrapt worden. Terwijl het je ’s nachts zal overkomen dat je daar plots naakt in een kamer met glazen wanden ligt met voorbijgangers die over en weer lopen. Er bestaan ook statistieken over dat soort dromen en fantasieën. Zo vertelt Douwe Draaisma in De dromenwever dat er wel overeenkomsten zijn tussen erotische dromen en erotische fantasieën. Zo goed als nooit gaat het in een van beide over de eigen partner. In het rijk der verbeelding is overspel de regel. Bij mannen gaat dat zelfs over 98 procent, bij vrouwen over 80 procent. Volgens droomuitlegger par excellence Sigmund Freud zouden nacht- en waakdromen een realistisch beeld geven van onze diepere verlangens. Maar ‘tussen droom en daad / staan wetten in de weg en praktische bezwaren / en ook weemoedigheid, die niemand kan verklaren.’ Zeg dat onze Willem het gezegd heeft.

 

Week 28 juni - 4 juli 2020

Zaterdag 4 juli 2020

Ik wil nog eenmaal terugkomen op de briefwisseling tussen Ingrid Jonker en André Brink. De laatste brief van André, als die tenminste de laatste is, dateert van 27 april 1965. Ingrid is uit het leven gestapt op 19 juli 1965, slechts 2,5 maand na die brief. Heeft die brief haar van streek gebracht? Was het de genadeslag? Die brief begint losjes en in de gangbare stijl: Eindelijk weer terug…, dank je voor je wachtende brief…, de lezingen zijn goed verlopen…, je hebt vast ook de stekelige recensie gezien… Stuff as usual dus. En dan plots, wellicht op de laatste bladzijde van de brief, het beroemde citaat uit The Waste Land van T.S. Eliot: ‘April is the cruellest month, breeding lilacs enzovoort tot de vierde regel: Dull roots with spring rain.’ Gevolgd door - ik citeer de passage volledig (onderstreepte woorden ook door Brink onderstreept): ‘April. Lief kind, kom bij me zitten en luister. En probeer te begrijpen dat dit het zwaarste is wat ik tegen iemand heb moeten zeggen, ooit. Ik wil het in zo min mogelijk woorden doen, want jij bent vrouw – en zult het al geweten hebben: jij wist het al een maand geleden, voor mij. Ja. Ik was bij haar. En we zijn met elkaar naar bed geweest. Ik sta naakt voor je; ik wil geen kleren of bescherming behouden. Ik mag niet eens vergiffenis vragen, want dat impliceert schuld – en net zo min als ik ooit schuld kan voelen over jou en mij, kan ik me hier schuldig om voelen. Ik weet alleen: het is iets verschrikkelijks om te doen – om dit te moeten vertellen, aan jou, nu. Meer weet ik niet. Alleen dat jij onvervangbaar bent in mijn hart. En dat jouw geluk me altijd ter harte zal blijven gaan. Ik ben in de handen van de levende God. En ik groet je mijn Cocon. Met tranen. En met liefs. André.’ De fatale bekentenis die er toch wel zat aan te komen, want opvallend: de laatste maanden bijna eenrichtingsbrieven van Ingrid aan André (maar zijn er intussen geen brieven verloren gegaan of heeft André ze niet vrijgegeven?). Een maand eerder, op 15 maart, in zijn voorlaatste (?) brief schreef hij al suggestief ‘Als je me nog wilt hebben; als de stilte staat voor hoop en niet voor afstandelijkheid. Zeg, zeg, zeg me waar de liefde ligt.

De vrouw met wie hij was en met wie hij naar bed gegaan is, heette Salomi Louw, kort nadien is hij met haar getrouwd (na de scheiding van zijn eerste vrouw Estelle). Het huwelijk heeft nauwelijks een jaar stand gehouden maar schonk hem wel een tweede zoon: Gustav. Dat Ingrid behoorlijk overstuur was, dat leidt geen twijfel, anderzijds is ook Ingrid verre van kuis gebleven: haar plaatselijke minnaar Jack Cope blijft heel de tijd rond haar cirkelen, blijft regelmatig inslapen (wat zij ook vertelt aan André, steeds eraan toevoegend dat ze in een apart bed sliepen, meestal na de zoveelste hevige ruzie), ook weten wij dat ze omstreeks dezelfde periode een korte relatie had met de Belgische kunstschilder Herman Van Nazareth. Dus ja allemaal verklaarbaar: twee koningskinderen die bij elkaar niet konden komen, tenzij heel af en toe, het temperament en de gammele psychische toestand van Ingrid, de lichamelijke honger en zelfkastijding van André… En dan nog: hoe waarheidsgetrouw is de realiteit van die brieven? Wat schrijft Ingrid niet en wat verzwijgt André? Een treurig einde, het heeft niet mogen zijn, maar laten wij er geen doekjes om winden, deze liefdesrelatie of zelfs een huwelijk (wat beiden zo graag wilden) had weinig kans te overleven in het toenmalige schrijversmilieu van Zuid-Afrika. De laatste regels uit de laatste (gepubliceerde) brief van Ingrid – naar aanleiding van het tweejarig bestaan van hun kennismaking nota bene – klinken dan ook intriest: ‘En ik zal denken aan een gezicht, een geliefd gezicht, jouw gezicht. Blijf braaf samen met al onze geheimen. Je Cocon.

 

Vrijdag 3 juli 2020

Op 3 juli 1883 werd in Praag Franz Kafka geboren. Zeker de schrijver die de meeste indruk op mij gemaakt heeft en dan vooral in mijn studentenjaren en vlak erna. Alles van hem gelezen en alles wat hij geschreven heeft in mijn bibliotheek, denk ik toch. Ik moet erbij zegge: zijn œuvre is nu ook niet zo uitgebreid: drie romans, tientallen verhalen, veel dagboeknotities en ook veel brieven aan familie en vriendinnen. Inderdaad, ik was 16 jaar toen ik in de bibliotheek van Oostkamp een exemplaar vond van de Brieven aan Milena. Deze brieven waren een ongelofelijke ontdekking voor mij. Het deed mij onmiddellijk besluiten alles van die schrijver te weten te komen en te lezen. Jammer genoeg zijn de Brieven aan Milena niet meer te verkrijgen. Ik bezit wel de oorspronkelijke brieven in het Duits. Vaak gezocht op internet maar ook in antiquariaten is er nog een Nederlandse uitgave te vinden. Bijna had ik succes: een verkoper bood alle brieven van Kafka in Nederlandse vertaling aan als een pakket. Voor alle zekerheid toch nog even informeren: allemaal minus de brieven aan Milena! Ja, dag Jan. Om de meeste geschriften van Kafka in het Duits te bemachtigen ben ik na de deliberatie van de eerste kandidatuur, dat was in 1970, met de fiets van Leuven naar Aken gereden (in twee dagen met een stop in de Jeugdherberg van Houffalize, waar ik de enige bezoeker was) en in Aken in een boekhandel (die vandaag niet meer bestaat) om de Fischer Verlag boekjes van Kafka te kopen, plus nog een paar andere (o.a. Franz Kafka door Klaus Wagenbach in de RoRoRo-reeks van Rowohlt en een biografie van Beethoven). Intussen is het al een hele tijd geleden dat ik nog een Kafka ter hand genomen heb, moet ik toch eens doen een dezer dagen.

 

Donderdag 2 juli 2020

Vandaag heb ik de DVD met Black butterflies bovengehaald (ik moest hem eerst nog zoeken, en pas helemaal op het laatst vond ik hem) en kritisch bekeken in het licht van de correspondentie tussen Ingrid Jonker en André Brink. Doorgans is het boek mooier dan de film, maar hier is de werkelijkheid van de brieven veruit te verkiezen boven de al te opgesmukte film, waarachtiger, echter, meer beleefd ook. Tja, een filmisch verhaal moet je doorgaans ophangen aan een anekdote en die dan uitvergroten en hier hebben we dus uitgerekend Jack Cope (prima vertolkt door Lima Cunningham) die ‘toevallig’ de in nood verkerende Ingrid (Carice Van Houten) uit de kwaadaardige golven van de oceaan redt (en dan weten dat deze beginscène opgenomen werd in een hoek van een of ander zwembad). Uitgeput op het strand vraagt ze haar redder wie hij is. ‘Jack Cope’, zegt hij. ‘The writer!’ roept Ingrid, verrast over haar eigen verbazing (ik schreef eerst: verbaasd over haar eigen verrast zijn). En de logica eist dan dat Jack hetzelfde vraagt. ‘The poet!’ gilt Jack al even verrast, en zie de romance is begonnen en dat voor de rest van de film (met veel vallen en evenveel maal opstaan, minus eenmaal dus, de laatste maal)? Jack Cope, de grote liefde van Ingrid Jonker. Uit de brieven met Brink krijg je toch wel een ander beeld en inderdaad kan je je afvragen hoe eerlijk Ingrid wel is in haar brieven, ze heeft het vaak over Jack maar steeds in de negatieve zin. Jack was hier gisterenavond en we hebben flink wat geruzied. Het steeds terugkerende refreintje. Ligt de waarheid in het midden? Alsof waarheid in een midden kan liggen. Nu, het meest plausibel antwoord op die vraag is dat zij hoe dan ook verschrikkelijk verlangt naar de verre en afwezige André (haar eerste keus zou ik denken), maar een temperament als Ingrid kon daar volgens mij niet mee leven en met een gehaaide maniak als Jack in de buurt is de conclusie vlug gemaakt: hij mag haar bed geregeld warm houden, met haar seksuele honger kan zij geen drie maanden wachten op die andere maniak. Komt Brink niet voor in de film? Ja toch, hij krijgt wat misleidend de naam Eugene Maritz, misleidend want ergens somt iemand enkele Zuid-Afrikaanse schrijvers op: … André Brink, Eugene Martiz… In de film is Eugene/André maar een zielig persoontje die het allemaal verknalt bij Ingrid. Als je dan hun brieven leest begrijp je dat niet. Op zich wel een charmante film, bij momenten ook ontroerend (zeker als je die de eerste maal ziet en geen weet hebt van de relatie met Brink). Maar zoals gezegd de waarheid is te verkiezen boven de opgeschroefde fictie.

 

Woensdag 1 juli 2020

Hälfte des Jahres, niet Hälfte des Lebens, daar zij we al ver, ver over. Overigens behoort het gedicht Hälfte des Lebens van Friedrich Hölderlin tot de mooiste die ik ken.

 

Hälfte des Lebens

 

Mit gelben Birnen hänget

Und voll mit wilden Rosen

Das Land in den See,

Ihr holden Schwäne,

Und trunken von Küssen

Tunkt ihr das Haupt

Ins heilignüchterne Wasser.

 

Weh mir, wo nehm ich, wenn

Es Winter ist, die Blumen, und wo

Den Sonnenschein,

Und Schatten der Erde?

Die Mauern stehn

Sprachlos und kalt, im Winde

Klirren die Fahnen.

 

Halfweg het leven

 

Met gele peren hangt

en vol met wilde rozen

het land in het meer

o, zachte zwanen,

en dronken van kussen

dopen jullie het hoofd

in het heilig nuchtere water.

 

Wee mij, waar vind ik, als

het winter is, de bloemen, en waar

de zonneschijn,

en de schaduw van de aarde?

De muren staan,

sprakeloos en koud, in de wind

knarsen de weerhanen.

 

(Eigen vertaling)

Een pracht van een gedicht, zeker als je het van nabij bekijkt. De eerste strofe, zacht, weemoedig (eerste helft van het leven), de tweede strofe ijskoud, hard (laatste helft van het leven). Het is ook al door talrijke dichters vertaald, vaak met andere accenten of andere woordkeuzes: Klirren die Fahnen: klateren de vlaggen vanen, ik hou echter van het vaak vertaalde weerhanen. Het knarsen van niet geölied ijzer telkens de windhaan van positie-verandert. En zo heeft bijna elke zijn een eigen vertaling. Maar laat mij even de inhoud analyseren (ook dat is door velen gedaan, je vindt het terug op Internet, doorgaans bij Duitse sites, logisch eigenlijk). Eigenlijk wordt in de eerste (vrouwelijke) strofe de herfst beschreven en wordt in de volgende (mannelijke) strofe de winter aangekondigd. De peren zijn rijp, want geel. Hölderlins toren aan de Neckar in Tübingen, waarin hij dertig jaar zwakzinnig verbleef (daar is men het nog niet over eens: was hij zwakzinnig of deed hij dertig jaar alsof?) was en is eveneens geel. De zwanen – denk aan Brugge – hoe ze geruisloos op het water drijven en hun spiegelbeeld kussen telkens ze met hun snavel het water raken. Een vredig, maar zo voel ik het aan, een verraderlijk tafereel. Stilte voor de storm zo lijkt het mij. En die storm kondigt zich onmiddellijk aan, al bij de eerste regel van de volgende strofe. De eerste twee regels wemelen van de w-klanken: Weh, wo, wenn, Winter, wo. Hier geen peren meer, geen bloemen, geen verwarmende zon, enkel koude, kille, starre, zwijgende muren en dat dat prachtige beeld van die knarsende, knerpende weerhanen in een ijskoude valwind. De dynamiek van de eerste strofe, de vloeiende beweging van de zwanen tegenover de stilstand, het statische in het tweede deel, alles lijkt hier wel bevroren.

1 juli, Hälfte des Jahres, een jaar om nooit te vergeten.

 

Dinsdag 30 juni 2020

De laatste dag van juni, de zomer kan nu echt beginnen. In Zuid-Afrika is het dan winter, met (soms) sneeuw, koude en al. Jonker en Brink begonnen hun correspondentie eind april, komt overeen met eind oktober bij ons, dus diep in de herfst. Dat was even wennen, steeds die seizoensknop moeten omdraaien. Anderzijds, zo koud zal het wel niet geweest zijn, herhaaldelijk schrijft Ingrid dat ze in zee is gaan zwemmen (met haar witte badpak van André gekregen). Als je de breedtegraad bekijkt dan is Kaapstad 33° zuiderbreedte, gespiegeld kom je uit aan 33° noorderbreedte en daar vinden wij steden als Marrakech, Tripoli en Jeruzalem, niet bepaald kille gebieden in de winter. Er staan ook enkele foto’s in Vlam in de sneeuw. O, wat ogen ze nog jong. Ingrid nog geen 30, André 28. Alles ligt nog open voor hen, althans op het eerste gezicht want Brink is nog getrouwd met Estelle, al is de liefde zeer ver zoek, en heeft hij zijn vaderplichten tegenover Anton, nog een peuter (of al een kleuter – ik ben niet zo goed in die pleutermaterie, nooit geweest), Ingrid is al gescheiden van de vijftien jaar oudere Pieter Venter, die haar administratief blijft lastig vallen, o.a. in verband met hun dochter Simone, bovendien was er nog een vrij intieme vriendschap tussen Ingrid en een alweer veel oudere Jack Cope, een driehoeksverhouding met een serieus gebroken-hoek af zou je kunnen stellen. Met Cope schiet ze niet echt op (voor zover je dat uit de brieven aan Brink kan besluiten), maar hij woont geen duizend kilometer van haar woonst, vandaar dat Jack regelmatig op bezoek komt, waarbij het steeds (volgens de briefwisseling met Brink) op een ruzie uitdraait – over de verzoening nadien zwijgt ze wel in alle talen tegenover Brink. Simone, Venter, kwaadaardige Jack, verre André en chronisch geldgebrek en bovendien een racistische vader die haar verstoten heeft omwille van haar keuze voor de ‘verkeerde’ kant, een alarmerend en vervaarlijk cocktail! De depressie die daar het gevolg van was is haar noodlottig geworden. Zij verdronk zich in de oceaan. Het heeft niet mogen baten, ondanks haar bijzonder gevoelige en grootse poëzie. Na haar dood is ze gerehabiliteerd, meer zelfs bij de opening van het eerste democratisch verkozen Zuid-Afrikaans parlement droeg de pas vrijgekomen Nelson Mandela haar gedicht Die kind (wat doodgeskiet is deur soldate by Nyanga) voor. Hij noemde haar expliciet een Afrikaan én een Afrikaner. De laatste (opgenomen) brief van Ingrid Jonker aan haar ‘schattejongen’ dateert van 18 april 1965. Geen vuiltje aan de lucht zo te lezen. Drie maand later, op 19 juli 1965 loopt ze de zee in, haar levenloze lichaam wordt de dag nadien gevonden. Toen men haar vader het trieste nieuws van zijn dochter kwam brengen was zijn reactie: werp haar maar terug in de zee. Even nog Ingrid citeren: ‘Iedereen is zo kwetsbaar geworden, en daarmee, mooier, beter’. Het is alsof ik Etty Hillesum hoor.

 

Maandag 29 juni 2020

Vijfhonderd bladzijden liefdesbrieven. Echte liefdesbrieven dan: André Brink aan Ingrid Jonker en Ingrid aan André. Los van die brieven: eerste vaststelling, googel je Ingrid Jonker, dan stoot je steevast op de naam van André Brink, ga je daarentegen op zoek naar André Brink: geen sprake van Ingrid Jonker, wel dat hij vijf maal getrouwd is geweest, de laatste maal met de Poolse Karina Szczurek (hij 71, zij 29) en ook de liefdesbrieven of eerder de e-mails tussen hen werden gepubliceerd (en wellicht ook gecensureerd door Szczurek), maar nog niet vertaald: You make me possible.

Maar terug naar de as Jonker – Brink en het fenomeen van gepubliceerde liefdesbrieven. Ik moet zeggen, nog voor ik eraan begon had ik al iets van een soort spontane afkeer: dat riekt niet weinig naar voyeurisme. Liefdesleven zo maar te grabbel gooien. Beide protagonisten waren intussen overleden. Jonker in 1965, 32 jaar, zelfmoord, nou ja, mede uitgelokt door de eenzijdige breuk van Brink. Brink moordenaar? Brink sterft vijf huwelijken later in 2015, 80 jaar oud, hij heeft Ingrid met andere woorden met een halve eeuw overleefd. Met dit in het achterhoofd deze brieven lezen, je neemt een en ander wel met een korreltje zout, of een ‘korreltjie sand’, vooral Brink schuwt de grote woorden niet: voor eeuwig, voor altijd. En toch, na verloop van verschillende brieven, geraak je er wel aan verknocht. Het was ook niet gemakkelijk voor beide gelieven: hij, getrouwd, een kind Anton, woont in Grahamstad (in de buurt van Elisabethstad), zij twee jaar ouder, gescheiden, een dochtertje Simone, woont in de buurt van Kaapstad, of een kleine duizend kilometer van elkaar verwijderd. Telefoneren was niet evident (aanvragen, doorschakelen, weinig privé) dus brieven en bandjes inspreken en om de vier, vijf maanden een ontmoeting, maar dan meestal wel voor een hele week. Afstand laat de verliefdheid duren, althans tot op het kantelpunt. En ook al bevatten de brieven niet veel anders dan dagelijkse futiliteiten, dat schrijven weeral niet wil lukken (maar intussen geraken de bladzijden wel vol), dat ze dag en nacht naar elkaar verlangen, verhalen over de publicatie van hun werk en bedenkingen bij elkanders literaire productie met heel veel verwijzingen naar andere dichters of schrijvers: Paul Van Ostaijen, Walt Whitman en enkele Zuid-Afrikanen, toch blijf je geboeid de ene brief na de andere lezen.

 

Zondag 28 juni 2020

Géraldine Schwarz, Frans-Duitse journaliste en schrijfster, Frans van voor, Duits van achter, mij verder onbekend, deze week in de De Standaard: ‘De kudde volgen door onverschilligheid of opportunisme is ook een vorm van medeplichtigheid’. Volg ik de kudde? Uiteraard wil ik dit niet geweten hebben, ik die mij pas in mijn schik voelde als ik ‘s avonds na een werkdag mij tegen de stroom van terugkerende forenzen in de gangen van het station moest wringen om een leeggelopen trein te bereiken. En uit opportunisme? In geen geval. En onverschilligheid dan? Dat wordt een delicater punt. Nee, onverschillig ben ik niet en wil ik ook niet zijn, en toch voel ik mij in zekere zin medeplichtig aan juist die onverschilligheid, dus toch? Het feit dat ik niet op de barricades ga staan, niet (meer) in de kop van betogingen loop, dat ik bovendien zwijg in alle talen, ik bedoel mondeling, schriftelijk, in de publieke ruimte… Moet ik het dan uitschreeuwen? Maar hoe? En zou dat niet wat zielig overkomen, een oude bevende man die ergens in een park de voorbijgangers met een bord staat te waarschuwen tegen de naderende wereldramp? Of een pancarte met ‘Black lives matter’, niet alleen die zwarte lijven, alle levende menselijke lijven. Human lives matter? Zouden ze mij dan niet verdenken van een anti-abortus boodschap? Maar, laat ik de kern van de zaak niet uit de weg gaan: zwijgen is een vorm van medeplichtigheid, ergo: ik speel het spel van de massa, waar ik zo’n grondige hekel aan heb, mee. Tja, wat een elitaire uitspraak laat ik nu uit mijn pen cq. toetsenbord vloeien? Of moet ik mijn verontwaardiging over alle onrecht op het asfalt schilderen? Of op mijn pas geverfde witte gevel? Of verspreiden via artikels? Via een pamflet, een boek? Zou één van die acties iets uithalen? Laten we realistisch zijn: geen moer zou dat uithalen. Heb ik daarmee mijn geweten al te gemakkelijk gezuiverd? En even mijn verbolgenheid in een dagboeknotitie gieten (mijn lezers zijn op één hand te tellen, mijn lezeressen op twee, en daarmee spel ik mij nog wat op de mouw). En ja, het maakt mij triest. Of ben ik te oud? Waar was ik dan? De problemen van vandaag waren er decennia geleden ook al? Je moest pakweg dertig jaar geleden al een nitwit zijn om niet te beseffen dat het met het klimaat razendsnel de verkeerde kant uitging, o ja, men had het toen vooral over ozongaten, zure regens, fluorwaterstoffen in de atmosfeer, cfk’s, CO2 concentraties, afsmeltende gletsjers, maar nog niet zo zeer over de vandaag zich aankondigende klimaatsveranderingen: stijgen van de zeespiegel, verwarming van de atmosfeer, uitdroging, woestijnvorming enz. Heb ik toen gewaarschuwd? Een beetje misschien, maar dan in mijn eigen bubbel. En ja, met een lezing voor een bescheiden opgekomen publiek heb ik mensen willen wijzen op het feit dat er niet alleen zoiets als de Shoah geweest is, maar ook de Nakba, beide woorden betekenen trouwens de catastrofe. Dan bereikt een historicus als Ilan Pappe met The ethnic cleansing of Palestine (De etnische zuivering van Palestina) een veel groter publiek, waaronder ikzelf dus. En terecht dus, en dat bedoel ik als ik eerder schreef dat ik het de academici kwalijk neem dat ze hun stem niet verheffen. Ilan Pappe heeft het wel gedaan, en zo moesten zijn vele collega’s het nog meer doen. Zelfs naar hen luisteren is niet zo evident, zeker als de politici aller landen het beter willen weten dan deze experten. We ondervinden het vandaag nog dagelijks. Maar goed, ontslaat mij dat van mijn wil (plicht?) om het onnatuurlijke en onmenselijke wat vandaag op deze aarde geschiedt niet onder de aandacht te brengen? Zeker niet, maar…. Altijd maar die maar.

 

Week 21 - 27 juni 2020

Zondag 21 juni 2020

De boer van Parijs, wat voor soort literatuur is dat nu? Moeilijk te beantwoorden vooral omdat Aragon zelf zich schijnt te amuseren om van de ene hakstijl op de andere takstijl te springen. De vertaler Rokus Hofstede, een paar jaar terug te gast in Het Beleefde Genot toen hij het over Pierre Michon had, schreef ook een nawoord bij De boer. Daarin maakt hij een rake opmerking: ‘Veel eigenaardigheden van Le Paysan de Paris zijn te duiden als een poging om tegemoet te kommen aan een onmogelijk verlangen: een verhaal vertellen waar het vertellen van verhalen verboden was’. Maar Aragon wist heel goed wat hij deed, hij heeft de regie stevig in handen. Rokus heeft het ook over surrealistisch realisme, een treffende omschrijving, hij heeft het ook over de ‘kwikzilverachtige kwaliteit van de teksten’. In het deel Le passage de l’Opéra zijn we eerder getuige van een bijna reportage-achtige beschrijving van al de winkeltjes en andere zaken (kapper, schoenenpoetser massagesalon, bordeel, restaurant) in de passage terwijl het andere deel Le sentiment de la nature aux Buttes-Chaumont soms eerder op een filosofisch traktaat gaat gelijken. Interessant is wel als je even googelt naar dat fameuze park in het Noorden van Parijs, in het 19de arrondissement, dat je dan een goed beeld krijgt van het park zoals het er vandaag en ook ten tijde van Aragon uitzag. De bochtige paden, de hangbrug de rotsformatie en erboven het tempeltje, het klopt nog allemaal met wat Aragon in zijn beschouwingen meegeeft. Even terzijde, maar tijdens. Het opzoeken van Buttes-Chaumont ontdekte ik in de buurt ook een kleiner parkje dat de naam draagt Parc Anaïs Nin. De naam lijkt mijn specialer dan het park, maar mocht ik nog eens in Parijs zijn, dan zou ik wat graag eens door het Parc Anaïs Nin kuieren, en uiteraard ook in het Parc Buttes-Chaumont. Parijs doe je meestal voor de monumenten en de musea, maar het groen in deze lichtstad zou ook wel eens de moeite waard kunnen zijn. Of een wandeling uitstippelen in het genre van ‘in de voetsporen van de surrealisten’.  Het zou zelfs een surrealistische wandeling kunnen worden, al zouden veel plaatsen niet meer te bezoeken zijn, om te beginnen al de Passage de l’Opéra, want ten prooi gevallen bij de heraanleg van de Avenue Hausmann. De eigenaars van de talrijke winkeltjes ontvingen een aalmoes als schadevergoeding voor het ontruimen van hun zaak, ze konden er niet eens de kosten voor hun verhuizing mee financieren. Ook op deze problematiek gaat Aragon dieper in, maar bovenal is het de verbeelding die de tekst stuurt. Als hij vele jaren later nog eens terugblikt op De boer van Parijs heeft hij het over ‘… die roman-die-geen-roman-was.’

 

Maandag 22 juni 2020

Waarom schrijft u? Waarom schrijf ik een dagboek? Eerlijk, bij zo’n vraag sta ik met mijn mond vol tanden. Ik heb er nog niet bij stil gestaan. Het lijkt mij nochtans een logische vraag aan schrijvers. Luc Tuymans, waarom schildert u? Eliane Rodriquez, waarom speelt u piano? Waarom doet u wat u doet? Enfin, ooit werd die vraag tijdens een interview gesteld aan Gabriël Garcia Marquez: waarom schrijft u? Zijn antwoord was toen: ‘Ik heb het al eens gezegd en ik blijf het denken: ik schrijf om meer geliefd te zijn. ik geloof dat dat een van de fundamentele aspiraties is van een schrijver.’ Om meer geliefd te zijn? Wil ik meer geliefd worden? Het is nog nooit bij mij opgekomen. Een typisch antwoord is ook: ik schrijf om gelezen te worden. Doe ik dat? Gelezen door wie? Voor wie zou ik dan schrijven? Voor de hele wereld misschien? Kleine correctie: voor mijn eigen kleine wereld? En dan nog: heb ik misschien een doelpubliek? Afschuwelijke naam, maar in zijn compactheid wel verantwoord hier. Nee, niet direct lezers (of lezeressen) op het oog. Of toch? Tja, meer dan drie, vier zullen het wel niet zijn. Ik neem aan hier en daar toevallige lezers (of lezeressen). Schrijf ik uit een soort dwang (ook al gehoord: hier sta ik, ik kan niet anders, Luther weet je wel). Nee, die zogenaamde dwang is er zeker niet, anders zou ik vroeger al (dag)boeken vol geschreven hebben. Schreiben wie ein Form des Gebetes, schreef Kafka ooit. Zeer religieus, zeer Kafka en zeer diepzinnig. Laten wij bidden.

Schrijven omdat ik het plezierig vind? Ervan geniet? Scribo ergo fruor? Het zou een lijfspreuk kunnen zijn. Maar genieten doe je nooit alleen, dus kom ik sowieso weer bij mijn lezers (of…). En toch is dit wat ik een vorm van voorgenieten zou willen noemen, een beetje zoals met een voorspel (met het vooruitzicht op het echte spel wel te verstaan). Ik schrijf, dus ik geniet (voor), ook al heb ik geen enkele lezeres op het oog. Misschien schrijf ik daarom. Dus, jij die dat leest, weet dat het voor jou bestemd is. En ja, eigenlijk zit ik zo wat een beetje in de buurt van het ‘geliefd willen zijn’ van Marquez. Een subtiele verleidingstruc van mij als dagboekschrijver?

 

Dinsdag 23 juni 2020

Vandaag kreeg ik een lithografie onder ogen, verschenen in L’illustration van 5 juli 1919, met als titel Des gueules cassées. Er staan een rij gekwetste soldaten uit WO I op, ze worden de hand gedrukt door een aristocratisch uitziend type (lange zwarte mantel, witte gesteven kraag, bakkebaarden, Nietzscheaanse snor, …), ik vermoed Georges Clemenceau (bijgenaamd Le Tigre) die voor Frankrijk aan de onderhandelingstafel zat in de spiegelzaal van het kasteel van Versailles. Sommigen leunen op krukken, andere dragen een hoofdverband en enkelen hebben een mondmasker aan. Niet uit hygiënische voorzorgen maar natuurlijk omdat hun gelaat zo verminkt is door de oorlog. De gelijkenis met de huidige mondmaskerepidemie dringt zich op. Nu ja gelijkenis: een zwartwit tekening en een zwart mondmasker uit 1919 staat ver af van de olijke maskers met bloemetjespatronen van een eeuw later.

Iets verder in de catalogus is er een foto afgedrukt van een smid met een leren voorschoot en zwart of donkerblauw marcelleke aan (op een zwart-wit foto is dat niet zo goed te zien). Hij slaat met grote kracht op een aambeeld waarop een zwaard ligt. Hij maakt er een ploegschaar van. Hij is omringd door een enthousiaste groep van vooral jonge mensen, ze lachen en klappen in de handen. De foto dateert van 24 september 1983 en werd genomen in de omgeving van Wittenberg, de stad van Maarten Luther. Deze catalogus kwam er naar aanleiding van de tentoonstelling Wege zum Frieden in 2018 in het LWL Museum für Kunst und Kultur van Münster (nergens te vinden waar LWL voor staat). Een uitgebreide en mooie catalogus, niet verassend voor wie het LWL Museum kent (het El dorado voor de liefhebber van hedendaagse kunst, las ik ergens). Tot twee weken geleden was er nog een tentoonstelling met werk van onze Karel Dierickx van 13 maart tot en met 7 juni, veel bezoekers zal de tentoonstelling wel niet gehad hebben. Als je naar hun website (lwl.org) gaat dan kun je onder ‘Ausstellungen – Karel Dierickx’ nog een interessante video bekijken van Stefan Hertmans die het in mooi geprononceerd Duits heeft.over zijn vriend Karel Dierickx.

 

Woensdag 24 juni 2020

Natuurlijk schrijf ik weinig, bijna niets eigenlijk, over Corona en haar toestanden. Actuele thema’s moet je zoveel mogelijk vermijden, binnen de kortste keren verliezen ze hun actualiteit, en dan kijk je later wat beteuterd naar je schrijfsels. Heb ik dat geschreven? Ach, ach. Een beetje zoals met geëngageerde poëzie, verlokkelijk maar o zo riskant, want vaak zo situatie gebonden. En daarvoor schrijf je niet, om het enigszins wat opgeblazen te zeggen: als je iets schrijft, geëngageerd of niet, schrijf het dan voor de eeuwigheid, niet voor het al te vergankelijke nu. En let wel: eeuwige geëngageerde poëzie is wel degelijk mogelijk, zelfs door naar bepaalde tijdsgebonden gebeurtenissen te verwijzen. Pablo Neruda (Canto General uit 1950), Konstantinos Kavafis (Wachten op de barbaren uit 1898), Paul Celan (Todesfuge, 1948), het zijn literaire monumenten van de XXste eeuw, je kunt ze nooit genoeg herlezen en je erdoor laten betoveren. Niet gemakkelijk om relevant te blijven in veranderende tijden, daarvoor lijkt het mij, moet je het (al te) concrete opgeven en een beroep doen op het abstracte wat dan tot gevolg heeft dat je meer inspanning verwacht van je lezers. Rutger Kopland schrijft ergens (in zijn dagboek): ‘Niet hoe reageer ik daar en daar, maar hoe reageer ik altijd en overal, daar gaat het mij geloof ik om’. Zoek daar maar eens een bevredigende oplossing voor als dichter. Heb ik ooit politiek geëngageerde poëzie geschreven? Ik herinner mij een vrij gedicht: Blauwe nacht. Opgedragen aan de Britse mijnwerkers tijdens hun langdurende staking onder het bewind van Margaret Thatcher. Begin 1985 was dat. De beginregels: ‘Blauwe nacht zinkt, / zinkend schip boven Sheffield? / Teder de nacht die alles eender kleurt’ Ik heb mij nog gewaagd aan dat soort poëzie, deze gedichten staan onder het hoofdstukje ‘Machines hebben handen nodig’ in mijn laatste bundel Klankschalen. Eentje is mij dierbaarder dan de rest. Ik geef het hieronder integraal weer:

Schaamteloos

 

De zee is ver, de zee is nabij,

de zee is diep, de zee is breed,

de zee is de zee

vanaf het strand van Lampedusa

tot aan het zand van Gaza

de zee is eeuwig

de zee kent geen schaamte.

Jaren later, toen er een wedstrijd uitgeschreven werd naar aanleiding van het honderdjarig bestaan van de Historische Uitgeverij maakte ik een aantal gedichten, uit drie door mij ingezonden gedichten werd ‘Werkers’ bekroond met de eerste prijs, nogal realistisch gebonk en gedreun vind ik nu wel, maar helemaal in de lijn van het opgelegde thema (een realistisch schilderij van een arbeidersmilieu of een optocht, ik weet het niet meer zo goed). De eerste regels luidden: ‘Wie eens de geulen heeft gezien, / de stroom van gloeiend staal’. Nou, Marx zou in zijn nopjes geweest zijn.

 

Donderdag 25 juni 2020

De drie musketiers gewikt en gewogen. André Breton, ondanks de grootse bekendheid van Nadja, viel mij tegen. Toch wat een voorzichtige surrealist, vind ik. Het tweede deel, waarin de figuur van Nadja voor het eerste verschijnt, is zelfs een (gewoon) dagboek, autobiografisch dus. Aantekeningen gelardeerd met semi-surrealistische voorvallen. Een roman zou ik dit boek niet noemen (Breton overigens ook niet). Daarentegen komt De boer van Parijs van Louis Aragon het dichtst in de buurt van wat je van een surrealistisch geschrift verwacht, voornamelijk het tweede deel Natuurgevoel in de Buttes-Chaumont. De laatste nachten van Parijs van Philippe Soupault is dan weer het meest literaire verhaal van de drie en draagt mijn voorkeur weg. Ik zoek bij elk enkele mooie zinnen, opmerkelijk genoeg, om te citeren. Sommige zinnen heb ik al eerder deze of vorige week geciteerd, ik probeer andere er uit te lichten. Eerst uit de Nachten. ‘Haar gebaren hadden iets zigzaggends, verontrustend en verleidelijk tegelijk’, ‘We volgden de zijarm van de Seine rondom het Île de la Cité, waar het water slaapt in de schaduw van de dode kathedraal’, ‘…een Parijse straatslijper…’, ook bij Aragon komt het woord straatslijper voor, ‘…avonturiers zonder avonturen…’, ‘In de voorspelde toekomst zochten ze een bevestiging van het heden’ (over de mannen van het groepje die in hun vrije tijd een waarzegster raadplegen), ‘Vroeger. De ironie van het woord leek me wurgend zwaar.’. Enzovoort. De boer dan: ‘…maar of zekerheid werkelijk bestaat, die vraag wordt door niemand gesteld.’, ‘man en vrouw zijn zo aan elkaar gewend dat hun alledaagse gesprekjes van lieverlee door een volstrekt zwijgen zijn vervangen’ (herkenbaar), ‘… de kleinste kleintjes…’, ‘… geografie van het genot…’ (welke plaatsen zouden hier bij mij niet overal in aanmerking komen?), ‘Wat geniet een mens er toch van om op de drempel van de verbeelding te staan!’, ‘Voor hedendaagse stedelingen heeft hygiëne de plaats van pracht en praal ingenomen.’, ‘Ja, in het begin wikkelde ik het landschap in mijn woorden.’ Enzovoort ook. Nadja tenslotte. ‘Hij heeft mij die meetrillende onlust deelachtig gemaakt., ‘Terwijl je werkt, heb je er niets aan dat je leeft’ (zou passen als levensmotto voor de decadenten), ‘Ik houd veel van die mensen die zich ’s nachts in een museum laten opsluiten, om buiten de toegestane uren op hun gemak een vrouwenportret te kunnen aanschouwen, waar zij het licht van een dievenlantaarn op laten schijnen’ (ook iets voor decadenten en surrealisten, maar het spreekt mij wel aan, een nachtje in het bijzijn van de Lady of Shalott van John William Waterhouse lijkt mij wel wat, uiteraard (de tweede versie van ) het gedicht van Alfred Tennyson lezend - But Lancelot mused a little space / He said, "She has a lovely face; / God in his mercy lend her grace, / The Lady of Shalott.", ja, ja), ‘Nadja, het altijd geïnspireerde en inspirerende schepsel…’, ‘Alleen wie nooit is binnengegaan in een krankzinnigengesticht kan er onkundig van zijn dat gekken daar gemaakt worden, precies zoals in tuchthuizen boeven gemaakt worden’ (daar zal Michel Foucault zeker mee ingestemd hebben), ‘Het welbekende feit dat er geen grens bestaat tussen niet-waanzin en waanzin…’, ‘de schoonheid; het is overduidelijk dat deze hier nooit anders beschouwd is dan om de hartstocht te dienen.’ Enzovoort, dat spreekt vanzelf.

 

Vrijdag 26 juni 2020

Wie ben ik? Zo begint Nadja van André Breton. Die zin deed mij denken aan de eerste zin van Ayn Rands Atlas shrugged uit 1957 - driemaal in het Nederlands vertaald, eenmaal als Wereldschok (1990, vertaling Renate Kloosterhuis), eens als Atlas in staking (2007, vert. Jan de Voogt) en de laatste keer als De kracht van Atlantis (2012, volledig herziene vertaling door dezelfde Jan de Voogt) en die beginzin uit De kracht van Atlantis luidt: Wie is John Galt? Een obsessionele vraag die om de haverklap terugkeert en pas ver over het midden van de zeer dikke roman (1372 bladzijden!), die overigens geen seconde verveelt, beantwoord wordt. Nu Breton beantwoordt zijn eenmaal gestelde vraag helemaal niet, tenzij je de hele roman (?) als antwoord wilt beschouwen. Nee, hij maakt er een (zogenaamd) surrealistisch zootje van. Origineel is wel dat hij zijn verhaal doorheen het boek illustreert met foto’s van plaatsen, gebouwen, figuren, standbeelden, tekeningen (van Nadja dan – die zijn wel surrealistisch, doen soms denken aan een ruwe schets van werk van Joan Miro, die trouwens tot de vriendenkring van Breton behoorde). Eigenlijk foto’s waarvan de nostalgie afspat. Zo is Parijs ooit geweest. Twee jaar geleden was ik bijvoorbeeld nog op de Place Dauphine op het Île de la cité. Jammer, maar ik wist toen niet wat voor een invloed die plaats op Breton heeft gehad, toen ben ik wat onverschillig over het pleintje gelopen (waar enkele Parijse senioren zich met veel commentaar overgaven aan het pétanquespel), terwijl Breton daar spannende momenten beleefd heeft. Nou ja, voor Breton en zijn kompanen zou ik wel niet speciaal naar Parijs trekken, maar als je er dan toch bent… Zijn tweede liefde is dan Nantes, een stad waar ik een tiental jaren gelogeerd heb, en die stad viel best heel goed mee. Veel ongeschonden Art Nouveau gebouwen en villa’s en het prachtigste plein dat ik ooit gezien heb (zelfs mooier dan de halve maan van Siena, en dit is al zo mooi), maar ja, het was toen valavond na een warme zomerdag, er was een terras en rode wijn, la dolde farniente op zijn Frans. Intussen ben ik ook begonnen aan De kunst van het nietsdoen van de veertienede eeuwse Japanse dichter, schrijver, monnik en hoveling Kenko. Maar nu ga ik lekker nog wat niets doen, morgen is een andere dag.

 

Zaterdag 27 juni 2020

De kunst van het nietsdoen of de kunst om de argeloze lezer te misleiden. Nou ja, het is maar van hoe je het bekijkt. De letterlijke vertaling uit het Japans zou zijn: Overpeinzingen in ledigheid. Dat lijkt mij al wat dichter bij de waarheid te staan. Het zijn vooral overpeinzingen, de aanzet van Kenko is trouwens een soort anti-ledigheid: Wat lijkt het waanzin om in mijn ledigheid hele dagen achter mijn inktsteen door te brengen en zomaar, lukraak, de eerste gedachten op te tekenen die in mij opkomen…’. Het lijkt waanzin, maar zo ziet Kenko het niet, hij schriffelt duchtig voort (schriffelen = neologisme, schrijven met een griffel) en in feite is het ook geen schriffelen, want niet voor niets zijn de Japanners zo’n uitstekende kalligrafen. De teksten worden namelijk gepenseeld. (‘Als je niet zegt wat er op je hart ligt, krijg je een winderig gevoel, en dus laat ik mijn penseel maar zijn gang gaan’). Lof van de traagheid. Blijkbaar is kalligraferen niet zo evident, regelmatig wijst Kenko erop dat één of ander karakter onjuist geschreven of gelezen is, waardoor een compleet andere betekenis aan het licht komt. Af en toe lijkt zijn betoog ook wel een voorloper op Het boek van de hoveling (Il libro del cortegiano) van Baldassar Castiglione. Een van de drie boeken die Karel V op zijn nachtkastje had liggen in zijn laatste verblijfplaats, het klooster San Jeronimo de Yuste (de andere boeken waren Il principe van Machiavelli en – uiteraard – de Bijbel) Kenko dus met voorschriften over hoe de edelen zich aan het keizerlijk hof dienen te gedragen. Wat ook sterk naar voor komt, is zijn pleidooi om de oude traditionele waarden in ere te houden, en dat tegen de moderne rages bij de jeugd. Soberheid en matigheid staan als deugden ook hoog in aanzien bij deze monnik, en van vrouwen moet de man niet weten, al is hij wel gebiologeerd ‘bij het zien van de witte benen van een meisje dat kleren stond te wassen’. Ook het huwelijk als instelling vindt geen genade. ‘Toch is het verstandiger om je hoofd niet te verliezen in de liefde, als je niet de indruk wilt geven dat je een speelbal der vrouwen bent’. Echt Machiavelliaans (niet de Machiavelli zoals hij doorgaans voorgesteld wordt, maar de Machiavelli van de brieven en l’art de vivre) is Kenko als hij schrijft (en daar treed ik hem heerlijk in bij): ‘Geen groter soelaas dn in je eentje bij een lamp te zitten met een opengespreid boek en bevriend te raken met iemand uit lang vervlogen tijden die je nooit hebt ontmoet’. Eenzaamheid is voor hem geen straf, integendeel, het is een oase van rust en stilte om in jezelf terug te plooien. Vermijd in elke geval het samenwonen met een vrouw (leve de LAT-relatie schijnt hij te zeggen): ‘Maar als een stel niet onder één dak woont en een man zijn vrouw zo nu en dan gaat opzoeken, zullen hun wederzijdse gevoelens de jaren trotseren. Als hij dan zomaar bij haar langsloopt om de nacht bij haar door te brengen, houdt dat de verhouding fris.’ In een voetnoot bij deze tekst lezen wij dat dit een gewone gang van zaken was bij adellijke families in het Japan van de 14de eeuw, de vrouw bleef namelijk jaren lang inwonen bij haar familie. Terloops merkt Kenko ergens op dat ‘Als een man van boven de veertig al eens een geheim liefje heeft, kun je hem dat moeilijk kwalijk nemen’, zolang je het maar niet uitbazuint of erover zit te snoeven. Maar laat ik deze aantekening besluiten met de wijze woorden van de Chinese dichter Bai Juyi (9de eeuw), maar geciteerd door Kenko: ‘De avond valt en ik heb nog ver te gaan. / Ik struikel op mijn levenspad’ En ik? Zal ik ooit aankomen in Cordoba, zelfs al weet ik de weg? Cordoba, lejana y sola.

 

Week 14 - 20 juni 2020

Zondag 14 juni 2020

Vandaag op zoek naar een onvindbaar boek van Luce Irigaray. Niets gevonden maar mijn rekken ook niet onderste boven gehaald. Luce Irigaray? Ooit (ooit!), ik vermoed van Jean-Pierre Van Hee een introductie tot haar denken gekregen tijdens een Moritoencursus (een beetje de voorloper van Amarant, al is er verder geen verband te zoeken). Wat mij toen vooral aansprak of eerder intrigeerde was haar fascinatie voor ‘le muqueu’, het slijmerige. Een jaar of twee (drie?) geleden passeerde Irigaray ook de revue bij een lezingenreeks bij Amarant, door Magda Michielsens, maar het was bij Magda vooral om de feministische ideeën van Irigaray te doen. Ik heb twee boekjes van haar, waarvan het ene – over le muqueu – , dat wat ik zocht, momenteel nergens te vinden is. Wanneer waag ik mij aan haar geschriften? Ik zet haar wat in een bubbel met Hélène Cixous en Julia Kristeva. Alleen van deze laatste heb ik nog werk gelezen (de titel was mooier of begrijpelijker dan de inhoud herinner ik mij nog): Liefdesgeschiedenissen, ondertitel: Een essay over verleiding en erotiek. Ik vraag mij af of ik dit ‘essay’ (448 bladzijden!) uitgelezen heb, in elk geval vind ik het boek door onder- en aanstrepingen. Dit lijvig werk heb ik mij in januari 1992 aangeschaft kom ik nog te weten op de titelbladzijde en achteraan vind ik een factuur van de bandencentrale, gedateerd: 29 augustus 2006. Wellicht gepaste lectuur terwijl ik op het verwisselen van een band zat te wachten en kijk ook nog een in drie geplooide folder voor een concertenreeks fortepiano van 19 tot 26 augustus 2006: Zomer in Poeke met recitals van onder meer Malcolm Bilson, Alexei Lubimov (heerlijke pianist!), Jan Vermeulen, Claire Chevalier en Jos van Immerseel.

Sterke taal van Kristeva: ‘In de liefde ben ik op het toppunt van mijn subjectiviteit.’ Of: ‘Is misleiding immers niet de voorwaarde voor genot?’ (O, wat laat ik mij graag misleiden). Of: ‘Zelfs als God niet zou bestaan, zou de religie nog heilig en goddelijk zijn’. Dat soort zinnen is nog te doen, maar als er boven een paragraaf een titeltje staat als ‘Metonymisch en metaforisch object’, o la, toch even in mijn (weinige) haar krabben.

Anderzijds, aantrekkelijke (tussen)titels als ‘Manische Eros, verheven Eros; over de mannelijke seksualiteit’. Of ‘Liefdesverdriet: het veld van de metafoor’. Of ‘Romeo en Julia: het haat-liefdespaar’ (waarin: ‘Zij gebruiken meer tijd om zich voor te bereiden op de dood dan om elkaar lief te hebben’). Of: ’Een zuivere stilte: de volmaaktheid van Jeanne Guyon’ (Wie, bij lo! is Jeanne Guyon? Een Franse mystica uit de 17de eeuw, haar volledige naam was Jeanne-Marie Bouvier de la Motte-Guyon, leert ons Wikipedia). En tot slot, de ontnuchtering van bladzijde 384, laatste paragraaf: ‘Iedere liefde eindigt, hoe hevig die ook is geweest, en de hevigste liefde eindigt abrupter dan alle andere. Na de liefde komt de walging; niets is natuurlijker…’ O, wee, het komt niet van Kristeva, zij citeert uit ‘Brieven aan Pauline’ van Stendhal!

 

Maandag 15 juni 2020

Ecriture auto-auto-automatique. Noten op tafel, duiven op de nok van het dak en een ekster in de bamboestruik. Een dirigent interviewt de interviewer. Levend live. De muziek van Arvo Pärt. Maar op het tafelkleed zijn vooralsnog geen wijnvlekken te bespeuren. Alleen twee boeken waarvan de titels er niet toe doen. De leeuw en de luipaard (leopardus) broederlijk verenigd. Blauw gras zou helemaal niet mooi zijn, met een nationalistische reflex zou je kunnen zeggen: komaan, laat maar komen. Aan die noten hangt een schimmelsmaakje. De koning ter ere. Een arduinen tafelblad mag wat abstracter vind ik: contemplatie, vrijheid voor allen, iets in het genre van argeloosheid? De kleur is lichtpaars, geef toe: een kleur (want niet alle kleuren zijn gekleurd), de behoefte, om maar één voorbeeld te geven. Waarom heeft de behoefte geen kleur?. Niet omdat het geen kleur is. Quod est demonstrandum. Deprimerender dan deze zin kan enkel een stupide vraag zijn. Over de al dan niet geworpen teerling, over het zoete zoutgehalte van de Rubicon. De laatste herfstnachten zullen schitterend zijn, kijk naar de bloeiende kersenbomen, ze waaien niet en ze maaien niet, en toch kan je je geen genereuzer kwartet dan die vier bomen voorstellen. A la fin tu es las de ce monde ancien. Het komt niet van André Breton. Nadja, mon Dieu en mijn toeverlaat! Terzijde, er is nog de <woord onleesbaar> die op springen staat vanwege de nachtelijke brand. Misschien dat daarom de duiven en de eksters hun toevlucht zoeken in de struiken en op de daken. Daken, aken waken. Gladiooltjes zijn niet zo eenvoudig om op te rijmen. Welke tegenstander ontdekt de werkelijke invloed van de manische stuiptrekkingen op het groepsgevoel? Vraagteken. Als ik echt slimmer wil zijn, moet ik mij onthouden van onzichtbare gesprekspartners. Hoe auto-auto-heteromatique was nu dit verhaal? Morgen schrijf ik over Philippe Soupault, een surrealist van de eerste lichting, meer in daden dan in woorden. Ik verklaar mij nader. Morgen.

 

Dinsdag 16 juni 2020

De nadere verklaring van mijn experiment van gisteren. Octave is een intrigerende bijfiguur uit de roman De laatste nachten van Parijs (Les dernières nuits de Paris), verschenen in 1928. Auteur: Philippe Soupault. Octave hield zich bezig met eigenzinnige experimenten. Op het einde van de roman wou hij Parijs in brand steken (was Nero zijn grote voorbeeld?). De wind zat nochtans goed en de vuurbol verspreidde zich razend snel maar toevallig begon het te stortregenen. Alleen de loods en wat aanpalende kiosken waren in de vlammen opgegaan. Een brandweerman constateerde de uitdrukkelijke geur van verbrand mensenvlees. Octave is niet meer verschenen op de bijeenkomsten van het groepje. Toevallig was er die bui. De laatste nachten van Parijs is de roman van het toeval (samen met het ontbreken van een plot, zowat het voornaamste surrealistisch element van deze overigens vrij klassieke roman). Aan hoofdstuk 2 (van de 14) laat Soupault een citaat van de pre-darwinist Lamarck voorafgaan: ‘Toeval is niets anders dan onze onwetendheid van de oorzaken’. Soupault heeft het verschillende malen over het toeval: ‘Nogmaals verdreef het toeval de vergetelheid en gaf opnieuw werkelijkheidsgehalte aan wat ik graag als dromen beschouwde’. De roman is geschreven vanuit de ik-persoon, al zou ik eerder de stad, Parijs, als hoofpersonage aangeven. Treffend is bijvoorbeeld de zeer herkenbare beschrijving van de Parijse skyline vanuit het appartement van. Octave: ’Het was het gewone woud van schoorsteenpijpen en de golvende zee van zinken daken waarboven torenspitsen en koepels verrezen en een hogere, arrogantere schoorsteen dan de andere.’ Ik weet niet wie of wat mijn aandacht op deze wat bevreemdende roman gevestigd heeft, ik denk haast Rebecca Solnit, in haar hoofdstuk over tippelen (een andere manier van wandelen). Het uitgangspunt en tevens de rode draad van de roman is inderdaad de halsstarrige achtervolging van Georgette, een Parijse prostituee.

 

Woensdag 17 juni 2020

Nog meer dan bij Soupault is Parijs het hoofdpersonage van De boer van Parijs van Louis Aragon. Philippe Soupault, Louis Aragon, André Breton: de drie musketiers. Ze schreven respectievelijk Les dernières nuits de Paris (1928), Le paysan de Paris (1926) en Nadja (1928). Geen vrienden voor het leven, Soupault (samen met die andere afvallige Antonin Artaud) werd uit het clubje van de surrealisten gesloten en gestoten. De met veel tamtam ingehaalde dadaïst Tristan Tzara is hem daarin voorgegaan, want met even veel tamtam uit het kliekje van Breton gezwierd. Soupault noemden ze trouwens ook Philippe Dada. De laatste nachten van Parijs heb ik gelezen, dat kun je nog min of meer een echte roman noemen, zij het al met surrealistische trekjes. Nu ben ik bezig met De boer van Parijs. Dat is pas surrealisme, al krijg ik de indruk dat het wel moeilijk gaat om de gangbare literaire paden te verlaten. De boer bevat twee langere en twee korte delen. In De passage de l’Opéra voert Aragon onder meer een toneeltje op: De mens in gesprek met zijn gevoelens – hij noemt het een sketch – met als rollen de mens, het gevoel, het verstand, de wil en last but not least: de verbeelding, in feite de protagonist. De verbeelding houdt ook een lange toespraak en daarin zegt zij: ‘Een groots nieuwtje maak ik wereldkundig: zojuist is een nieuwe verslaving geboren, een nieuwe duizeling dient zich aan: het surrealisme, telg van de waanzin en de duisternis’. En verder: ‘De verslaving, genaamd surrealisme is het liederlijke en hartstochtelijke gebruik van het beeldmiddel, juister gezegd de onbeheerste provocatie van het beeld om zichzelfs wille en om wat daarmee op het terrein van de representatie aan onvoorspelbare storingen en metamorfosen teweeg wordt gebracht want elk beeld dwingt je het hele Universum te herzien.’ De verbeelding (de boer Aragon) heeft gesproken. Het is de eerste maal dat het woord surrealisme hier valt. Die zinnen klinken voor mij als een passage uit een manifest. Nadja zal ik dan na De boer lezen. Ik ben wel benieuwd, want Nadja (de originele, zowel als de vertaalde) heb ik al zeer vele malen in handen gehad, doorbladerd, maar weer terug weggelegd, eindelijk zal het er van komen.

 

Donderdag 18 juni 2020

Een tragisch, hartverscheurend en klaaglijk gevoel is het en tegelijkertijd smachtend, een hunkering naar het onmogelijke, de ziel van de schoonheid. Het overkomt mij vaker dan je zou denken. De aanleiding is doorgaans niet ver te zoeken: de muziek. Zo verging het mij ook vandaag, mijn afspeellijsten op mijn iPhone zijn nogal willekeurig tot stand gekomen. De hele Mahler onder de hoede van Pierre Boulez (een buitenkansje, het kostte voor het downloaden van elke afzonderlijke symfonie, raar maar waar, meer dan het downloaden van het geheel, alle symfonieën en Lieder (voor 103 nummers, als ik mij nog goed herinner betaalde ik 9 euro). Verder nog de strijkkwartetten van Bela Bartok, een album met Oosterse muziek door Jordi Savall en zijn Hesperion XX, (uiteraard) een opname van de Goldbergvariaties, cellomuziek van Gabielli, Mr Abel’s Fine Airs, Best of Serge Gainsbourg en links en rechts nog wat kruimels uit het klassieke repertoire.

Het is mijn goede? slechte? bizarre? gewoonte als ik in mijn tuin zit te lezen om mijn muziek aan te zetten en te shuffelen (al is het maar om het gekakel van mijn buren achter de haag wat op de achtergrond te houden). Zo krijg ik na elkaar willekeurige stukjes uit mijn afspeellijsten. Vandaag was er eerst het derde, langzame deel van Mahlers 4de symfonie: ruhevoll, poco adagio. Het is een van de mooiste melodieën die ik ken, enkel wat verstoord helemaal op het einde door een crescendo van het slagwerk, dat echter vlug weer overgaat in het vorige thema. Op die momenten denk je: bestaat er iets mooiers dan dit op de wereld? Het antwoord hoef je niet te zoeken: nee, dit is het allermooiste. In deze schoonheid wil ik leven en sterven. Volgde dan een streepje Goldberg, ik weet niet meer de hoeveelste variatie, maar de zuivere en trefzekere aanslag van Lars Vogt bezorgen je in die paar maten een onaards geluksgevoel, en dan, ja dan, opnieuw Mahler, 10de symfonie, onvoltooid, weer de langzame beweging, adagio, het deel waar de symfonie mee begint. Opnieuw het ruhevolle gevoel van de 4de symfonie, maar misschien nog heviger, want nog meer etherisch, het vermoeden van die absolute schoonheid, daar achter de bergen, onbereikbaar maar wezenlijk en oneindig. Lezen lukt dan al lang niet meer. De laatste tonen sterven weg. Volgde dan het laatste van de Vier letzte Lieder van Richard Strauss, totaal van de kaart dan. De stem van Renée Fleming, ik ken geen betere uitvoering al hou ik ook van de vertolking van de onlangs gestorven Jessye Norman.


 

Wir sind durch Not und Freude
Gegangen Hand in Hand;
vom Wandern ruhen wir

nun überm stillen Land.

 

Wij zijn door nood en vreugde
hand in hand gegaan;
en rusten na het dwalen samen
hier in de stilte van het land.

 

Joseph Von Eichendorff brengt de stilte binnen in zijn gedicht: ‚O weiter, stiller Friede! So tief im Abendrot. (Die weidse zwijgende vrede, zo diep gedompeld in het avondrood.)

Unieke ervaringen uit het niets. Wir genießen die himmlischen Freuden.

 

Vrijdag 19 juni 2020

De maandelijks nieuwsbrief dient verstuurd – met uitzondering van de jaarlijkse zomernieuwsbrief voor twee maanden, deze dus. Meestal niet zo moeilijk om een nieuwsbrief samen te stellen, er zitten altijd wel één of meerdere activiteiten in de pijplijn. Maar nu met de huidige Coronastagnatie valt deze pijplijn droog. Gelukkig was er in extremis nog Guido Dobbelaere die zijn volgende tentoonstelling aankondigde. Nieuw werk van deze blijvend jonge oude meester, zo te zien heeft de lockdown de schilder en de dichter geïnspireerd. Zeker gaan bekijken, liefst als de kunstenaar in persona in de galerij vertoeft. Vooraf had ik al twee filmpjes opgepikt. David Vergauwen, zoals steeds fonkelend, verfrissend en erudiet probeert de argeloze leek iets bij te brengen over abstracte en conceptuele kunst onder de titel ‘Dat kunnen wij ook!’ (wat inderdaad zo is, maar wij denken er niet aan, laat staan dat wij het doen). Verhelderend? Ik vond van wel. Intussen liggen mijn artistieke constructies stil (want dat kan ik ook). Geen concepten? Jawel, maar ik moet er eens ongestoord een tijdje over na kunnen denken. Mijn dagboekschrijven verhindert dat enigszins (echt waar). Misschien als de werkgroep pARTcours straks met een thema voor de manifestatie van volgend jaar aankomt, kan ik wat concreter en doelgerichter denken. Ik vrees alleen dat het weer zo’n braaf, gemakkelijk en ruim thema zal worden, zoals het thema ‘Water’ verleden jaar. Nu, moet ook kunnen, creatieve geesten moeten met alles kunnen wegkomen. Toch hou ik meer van een lichtjes cryptische titel, een wat filosofische, poëtische titel zeg maar, niet steeds een enkelwoordig thema. Voorbeelden? Ach, die liggen voor het grijpen. Eerste greep: ‘zoals een verlangen er is’ uit een gedicht van Kopland, nog een greep: ‘De gevleugelde warmte’ (zomaar uit het hoofd) en maar grijpen: ‘Een gewone maandag’ of ‘Eens zat ik in zeldene stilte van zomer’ (Henriette Roland Holst) of ‘We gaan baden in een zee van liefde’ (titel uit Filosofie Magazine van september 2018), of, of, of… grijpen maar. Ik heb gezegd, dus zwijg ik.

 

Zaterdag 20 juni 2020

Ik ben de speelbal van mijn zintuigen en het toeval’ noteert Louis Aragon in zijn Voorwoord bij een moderne mythologie, dat tevens het eerste deeltje van De boer van Parijs vormt. Verder beklemtoont hij dat de zintuigen en de rede nooit als gescheiden entiteiten mogen worden begrepen. Nu van rede is er niet veel merkbaar in De boer, van zintuigen des te meer. In het tweede deel - in feite het eerste substantiële deel – bevindt hij zich in de niet meer bestaande Passage de l’Opéra. Hij beschrijft er al de winkeltjes en andere zaken en hoe hij, of beter zijn zintuigen, op die ontmoeting reageren. Dat een en ander nogal surreëel overkomt mag ons niet verwonderen, samen met André Breton, die hij regelmatig vermeldt, vooral in het laatste deel Natuurgevoel in de Buttes-Chaumont, stond hij aan de wieg van het surrealisme. Kan de Passage aan surrealistische kronkelingen er nog door, in Natuurgevoel in de Buttes-Chaumont zitten wij er midden in. Zo wijdt hij een hele bespiegeling aan het woordje ‘dus’. ‘Het dus verjaagt de beklemmende schaduwen, het is een reusachtige straatveger met haren die tot de sterren reiken, met voeten die via lichtraampjes binnendringen in de kelders van de huizen der mensen. (…) En over de fiets van het dus heb ik het maar helemaal niet.’. Zo, dus. Maar alles bij elkaar is het geheel nog vlot leesbaar, zolang je er maar niet op uit zijt om er kop of staart aan te krijgen.

 

Week 7 - 13 juni 2020

Zondag 7 juni 2020

En wat hiervan te denken? Aan het woord is Norman Douglas, dandy, bi (al is hij meer homo, maar daarover heeft hij het slechts in zeer bedekte termen), rijk en ook weer arm (hij gooide alles over de balk) en schrijver, jawel van romans, verhalen en merkwaardige dagboeken, waaruit deze passage komt. ‘Tot voor kort, toen ik mijzelf overgaf aan een grootscheepse vernietiging van brieven en documenten en manuscripten, had ik alle brieven van Anyuta aan mij bewaard – want we hebben lang met elkaar gecorrespondeerd nadat ik uit Rusland ben weggegaan; ik heb er alleen een van vier pagina’s bewaard om het sentimentele genoegen, veronderstel ik, haar handschrift nog eens te zien, daar ik het tegenwoordig niet kan vertalen noch zelfs lezen.’ Om het sentimentele genoegen, nou, een geldige reden naar mijn gevoel (sentiment). Anuyta (Anette) was een zestienjarig Russisch meisje dat Douglas in Sint-Petersburg opgescharreld had tijdens zijn diplomatiek missie bij Engelse ambassade; Daarnaast had hij ook een geheime en ontoelaatbare relatie met de aristocratische Helen die zelfs tijdens intieme momenten enkel Frans wilde praten en omdat hij zijn Russisch wilde vervolmaken had hij een volksmeisje nodig. Tja, waarom niet? Alle middelen zijn goed om je taal aan te scherpen. De affaire met Helen is op een schandaal uitgelopen, waardoor Douglas Sint-Petersburg stante pede heeft moeten verlaten en Rusland voor Italië, Napels heeft moeten inruilen, maar daar had hij al vlug het gezelschap van Anetta, ook 16 en door haar moeder naar Douglas gestuurd. Op het einde van zijn dagboeknotitie vertelt hij ook dat haar vijftienjarige broer op hem verliefd was geworden, maar verder gaat hij er niet op in. O, die decadenten nietwaar? En toegegeven, ik voel er mij door aangetrokken, zonder in hun plaats te willen zijn. Ik zou het ook niet kunnen meen ik, te conservatief denk ik dan. Oscar Wilde, Norman Douglas, Baron Corve oftewel Rolfe, Charles Baudelaire en niet vergeten onze vriend Des Esseintes, maar deze laatste is een fictieve verschijning. Mario Praz (1896-1982) heeft er een bijzonder lezenwaardig en rijk gevuld boek over geschreven, alhoewel niet puur over decadentie of Dandyisme. De oorspronkelijke titel is Italiaans en klinkt bijgevolg, zeker als het zo’n uitgesponnen woordenrij is, heel zangerig: ‘La carne, la morte e il diavolo nella letteratura romantica’. Heel volgzaam vertaald als ‘Lust (carne?), dood en duivel in de literatuur van de Romantiek’, maar beter bekend in zijn Engelse vertaling als ‘The Romantic Agony’. Ik zie dat ik het boek gekocht heb in 1990 en in die periode waarschijnlijk ook gelezen, met inderdaad hier en daar onderstrepingen. Neem nu bladzijde 119, die ik toevallig opensla: ‘Romantici en decadenten wilden niets liever dan zich laten vergiftigen.’ Waarna Praz onmiddellijk overgaat op de waanzin van Baudelaire. Mario Praz, Italiaan, was een hartstochtelijke hater van Spanje en al wat Spaans is, zo erg zelfs dat hij een heel boek vol met negatieve aanmerkingen geschreven heeft (De mythe van Romantisch Spanje).

Mario Praz, toch een beetje jeugdsentiment (nou ja, in 1990 was ik wel 40!).

 

Maandag 8 juni 2020

Djuna Barnes’ Nachtwoud is uit en de goede raad van T.S. Eliot opvolgend, heb ik het onmiddellijk herlezen. Terecht meen ik. Bij een eerste lezing frons je nogal eens de wenkbrauwen, en eer dat je begrijpt hoe de vork – de drie vorken in dit geval – in de steel zit, ben je aan het slot aangekomen. Met die opgedane kennis in het achterhoofd is alles opnieuw lezen een verademing. Je gaat meteen alert zijn wanneer en hoe de personages voor het eerst verschijnen, je gaat oog hebben voor de voortekenen van een afgebroken en elders ontstane relatie. Een driehoeksverhouding tussen drie vrouwen (en één vrouw zit al zo complex in elkaar), daarbij moet je beslist geconcentreerd blijven en toch is het een man (die in een nachtelijke monoloog bekent dat hij een vrouw wou zijn) die de show steelt, dokter O’Connor. Bovendien is de eigenlijke hoofdpersoon Felix, met wie het boek begonnen is en ook eindigt, ook al verschijnt hij niet zo vaak op het toneel. Zeer merkwaardige (en zoals gezegd moeilijke) roman uit 1936. Om een mij onbekende reden hou ik van lectuur uit het interbellum. In die periode zijn trouwens de grote klassiekers van de XXe eeuw ontstaan. Kafka, Het Proces (postuum verschenen, 1925), Het Slot (postuum verschenen, 1926), Amerika (postuum verschenen, 1927). Proust, de zeven delen van A la recherche du temps perdu (1913-1927, waarvan drie delen postuum verschenen), Thomas Mann, De Toverberg (1924), Jozef en zijn broeders (1933-1944), Rilke, De Elegieën van Duino (1922), De sonnetten aan Orpheus (1922), James Joyce, Ulysses (1922), Scott Fitzgerald, The Great Gatsby (1925), … Ja, wat vind ik dan zo bijzonder aan die interbella? Ik zou het bij God niet weten, en toch hebben ze allemaal een soort je ne sais-quoi gemeen, iets houdt mij in de ban en verplicht, nee doet mij haast vanzelf lezen, ook al moet je je er soms echt doorheen kauwen. Van taaie literatuur gesproken. Hoe dan ook, een ding is zeker: je moet er je gedachten bijhouden, zin per zin soms.

 

Dinsdag 9 juni 2020

De Toverberg, zomereditie 2020 is af. Toch weeral iets waar we fier over mogen zijn. Zowel qua inhoud (met dank aan de talrijke medewerkers) als qua vorm, dit laatste is niet evident, ik spreek uit ervaring. De laatste stap, de verdeling kan beginnen. Dat worden dus een paar fietstochten in de vier windrichtingen, het grootse pakket gaat echter naar het postkantoor van Zedelgem. Ik probeer als het enigszins mogelijk is zogenaamde speciale postzegels op de omslagen te kleven. Dit keer was er de Jan Van Eyck-uitgave, mooi gepresenteerd in de vorm van het drieluik van het Lam Gods. Is Jan Van Eyck samen met Ludwig Van Beethoven (en misschien Multatuli) de grote verliezer van het jaar 2020? Volgend jaar worden ze al afgelost door andere iconen: John Keats (+ 1821), Fjodor Dostojewski (geb. 1821), Charles Baudelaire (geb. 1821) en niet te vergeten Alighieri Dante (gest. 1321 in Ravenna en er ook begraven, tot grote ergernis van de Florentijnen). Misschien dat ik in de volgende Toverberg nog een hommage breng aan Beethoven, dan hebben wij toch iets aan zijn nagedachtenis gewijd. En ja, als ik nu eens het integrale Heiligenstädter Testament zou opnemen? In vertaling natuurlijk. Een ongelofelijk waarachtig document humain. Beethoven die maar al te goed beseft dat hij zijn belangrijkste zintuig, het gehoor, verloren is. Natuurlijk kan hij dat niet aanvaarden, hij is pas 32 en heeft nog al die geweldige plannen. Je eigen muziek niet meer kunnen horten, dat moet vreselijk zijn. Op het einde van zijn leven was Bach zo goed als blind, maar compleet doof zijn… Op een gegeven moment kon Beethoven zelfs het applaus niet horen van een enthousiast publiek, de concertmeester moest hem bij de arm nemen en hem naar het publiek toekeren. Je zou voor minder misantropisch worden. Of hij al dan niet de groostte was – maar ook dat is eigenlijk relatief – zou ik niet durven zeggen, want er zijn natuurlijk nog Bach, Mozart en Schubert, maar wat ik wel zou durven poneren is dat de klassieke muziek bij Beethoven haar hoogtepunt heeft bereikt.

 

Woensdag 10 juni 2020

Ziezo, alle Toverbergen verdeeld. Eergisteren Zedelgem, gisteren Veldegem en de gefrankeerde nummers afgegeven op het postkantoor, vandaag Loppem en Aartrijke. Goed voor zo’n kleine honderd exemplaren, waarvan goed de helft met de post. De fietstocht was eveneens ontspannend, klein windje en de mogelijkheid binnenpaadjes te kiezen. Gisteren langs de rand van het Pleysierbos en de oude spoorwegroute van Loppem naar Vloethemveld, na de Tweede oorlog een krijgsgevangenenkamp waar vooral Letse soldaten opgesloten waren. Vandaag het smalle paadje dat Pierlapont met de Zeedijkweg verbindt, via de achterkant van het Klokhof, daarna de Rolleweg (niet te verwarren met de Rolleweg te Brugge, waar het Gezellemuseum zich bevindt, althans nog een tijdje, want gezien de geringe belangstelling heeft de Stad Brugge beslist om het te sluiten, eventueel een andere bestemming te geven. Tja, ook al mag Guido Gezelle Vlaanderens grootste dichter geweest zijn, wie is er nog in zijn poëzie geïnteresseerd? Temeer daar zijn gedichten vol staan met oude en verouderde woorden, ook vele neologismen of West-Vlaamse uitdrukkingen. Zeg nu zelf: wie kent er nog een averulle? Een verbastering van avondronker en wie of wat ronkt enkele ’s avonds en niet overdag? ’t Is de meikever. En zo zijn er nog tientallen voorbeelden te vinden bij Gezelle. Eerlijk gezegd, de figuur en het werk van Gezelle ken ik ook niet zo goed, ik weet zelfs niet meer of wij veel over hem vernomen hebben in de lessen Nederlands tijdens de humaniora. In Noord & Zuid zullen er wel nog gedichten van Gezelle gestaan hebben, maar ik vermoed dat de huidige handboeken voor het middelbaar onderwijs nauwelijks melding maken van deze priester-dichter.

En na de Rolleweg – ik vergat bijna dat ik nog aan het fietsen was – komen we in de dorpskom van Loppem, daar wonen de meeste leden van Het Beleefde Genot. Voor de terugweg kies ik dan wel om door Merkemveldbos te rijden, wel opletten voor de vele putten en plassen, ook al heeft het nauwelijks geregend de laatste dagen.

 

Donderdag 11 juni 2020

De diepzinnige eenvoud van Rutger Kopland.

 

Wie zal de vriend zijn van mijn vriendin,

de baas voor mijn hond, het kind in mijn jeugd,

de oude man bij mijn dood, wie zal dat zijn als

ik het niet ben?’

 

Dit is het begin van een gedicht zonder titel uit de bundel ’Al die mooie beloften’ dat eindigt met :

Iemand toch

zal toe moeten zien dat alles voorbij gaat’

 

Kan je je een simpeler waarheid inbeelden dan het besef dat alles voorbij gaat? Sic transit gloria mundi of Et in Arcadia ego? Wat zal ik kiezen (niet voor grafschrift, al zijn het beide serieuze kandidaten)? Het laatste natuurlijk. Ooit, ooit, voor mijn dood, was ik in Arcadia, de poëtische Hof van Eden. Tous les matins du monde sont sans retour. Zo is het als je achterom kijkt. En wanneer kijk je achterom? Als er geen vooruit meer is, of nauwelijks nog is. Niet dat ik veel aan de dood denk, ik denk er alle dagen aan en ’s morgens is de eerste gedachte doorgaans: hei, ik ben er nog. Maar tobben of kniezen, nee hoor, een zeker stoïcijns gedrag is mij eigen zou je kunnen zeggen. Het einde? So, what. ‘War das das Leben? Wohlan, noch einmal! Het voorbije leven overdoen, met alles erop en eraan: de vreugdes en tegenslagen, de heerlijkheden en de ontgoochelingen. Het klinkt wel geweldig. Dan denk aan de oever van de rivier: dat water zal stromen en blijven stromen per omnia sæcula. Of de wolken: kijk hoe ze komen en gaan en verdwijnen, en steeds weer komen ze aandrijven, lossen ze op. En wat is het leven van de mens tenslotte meer dan dit kleine golfje in de onmetelijke oceaan? Even richt het zich op en verdwijnt weer. Enkelen hebben het gezien vooraleer ze zelf verdwijnen. Maar het is er geweest, alleen de oceaan blijft. En mijn grafschrift dan? Geen gloria mundi, geen Arcadia, maar dit dieper dan diepzinnig gedicht van Giuseppe Ungaretti, slechts twee regels, twee woorden eigenlijk. Zelden is het existentiële zo kernachtig weergegeven:

 

M’illumino

D’immense’

 

Onvertaalbaar?

 

ik verlicht mij

met het onmetelijke

 

Wat zou ik op de dag van vandaag nog kunnen verlangen? Misschien dat ene: laat mij nog eenmaal naar Ispahan gaan.

 

Vrijdag 12 juni 2020

Telling of showing? Eerlijk gezegd, ik heb al altijd (nog altijd) moeilijk gehad met deze indeling. Het is mij niet stteds duidelijk. Teveel telling stond er onlangs in een recensie van het toneelwerk van Ilja Pfeijjer. Show, don’t tell! Tonen eerder dan vertellen dus. Meer interactie, dialoog, minder blabla. Niet helemaal akkoord, er zijn steengoede vertellers met weinig dialoog, en anderzijds geraak je met kleurloze toonkunstjes ook niet ver. Goede vertellers? Kafka in de eerste plaats, maar onlangs heb ik nog een tijdgenote van hem ontdekt: Regina Ullmann met prachtige verhalen in de bundel ‘De Landweg’, met nauwelijks dialogen maar wel vol breekbare schoonheid, puur telling dus.  Het artikeltje over Pfeijffer gaf mij wel een beter inzicht. Daarin wordt gesteld (het gaat over zijn toneelstukken) : “Veel woorden om uit te spreken, minder materiaal om te spelen  Pfeijffer is meer tell dan show. Dat is ook zo in zijn romans. (…) Bij toneel ontbreekt de verteller en moeten drama en conflict ontstaan uit dialoog” Maar dat tell meer beweren is en show meer bewijzen is…, tja, min of meer akkoord, want opletten: het mag niet de indruk wekken dat het louter vertellen per definitie haast (veel) minder waarheidsgehalte zou hebben. Lidewijde Paris wijdt er in haar boek ‘Hoe lees ik korte verhalen’ bladzijden en bladzijden aan, over telling en showing, zo erg dat het, bij mij althans, maar blijkbaar niet bij haar lezers (die zo te lezen bijna uitsluitend overenthousiaste lezeressen zijn) nog meer verwarring schept dan bij haar zakelijke definitie uit het eerste hoofdstuk. Maar misschien – en ik bedoel dit helemaal niet ironisch – ligt het vooral aan mij en zou ik Lidwijde’s boek eens rustig en oplettend moeten herlezen. Maar eerder dan dat wil ik een verhaal lezen, met veel telling voor mijn part, bijvoorbeeld Simpele Gimpl van  Isaac Bashevis Singer of een verhaal van Isaak Babel.

 

Zaterdag 13 juni 2020

De goden overwinnen, de demonen worden overwonnen’ of lees je het liever in de oorspronkelijke taal? ‘Lha gyalo! Dé tamtsje pam!’ Ik neem aan dat dit eerder de fonetische weergave is, trouwens met Tibetaanse karakters moet dat voor elke westerling Chinees zijn. Nee maar, het is de kreet die vrome pelgrims slaken op het ogenblik dat ze het hoogste punt van een bergpas overschrijven. En in Tibet zijn er nogal wat passen en ze zijn allemaal redelijk hoog, 5000 meter is zeker niet abnormaal. ‘De goden overwinnen, de demonen worden overwonnen’, ook Alexandra David-Néel (David was de naam van haar Franse vader, Néel de naam van haar eerste en enige man, een Franse ingenieur, haar moeder heette Alexandrine Borghmans en was afkomstig uit Oostende), ook Alexandra dus was 56 jaar als zij deze kreet talrijke malen heeft uitgeroepen. Als eerste westerse vreemdeling bereikte zij te voet vanuit de provincie Yunnan in China de heilige en verboden stad Lhasa in Tibet. Haar tocht, in 1924, samen met een jonge lama Yongden, die zij voor de gelegenheid liet doorgaan voor haar zoon, duurde zowat een half jaar. Vermomd als arme Tibetaanse pelgrim verbleef ze ruim twee maanden in Lhasa. Een paar jaar later schreef zij haar reisverslag van die onderneming neer in Voyage d'une Parisienne à Lhassa, in 1986 in het Nederlands verschenen onder de titel Een vrouw trekt door Tibet. Ondanks haar trefzekere en adembenemende beschrijvingen vol eerbied en meeleven voor de grootse natuur rondom haar, kunnen wij ons geen beeld vormen over die machtige besneeuwde bergtoppen, de dichte wouden onder de boomgrens, de klaterende watervallen en snelstromende rivieren. Je hoeft op Google Earth maar even in te zoomen op de bergketens ten oosten van Lhasa of daar de kronkelende rivier de Salween te volgen en je krijgt het al benauwd van deze goddelijke grootsheid van de natuur. Haar tocht was – hoe kan het anders – zeer avontuurlijk. Sneeuwstormen, slapeloze dagen en nachten zonder eten, onheilspellende ontmoetingen, een kabelbrug 50 meter boven een kloof die dreigt het te begeven, gastvrije onderkomens die oneetbaar voedsel aanbieden en weigerachtige bewoners van verlaten gehuchten, haar zoon die zijn enkel verzwikt bij een val, slapen in open lucht bij temperaturen onder het vriespunt… het hoorde er allemaal bij. Misschien toch een korte passage uit haar reisverslag: ‘Zo krachtig was, zelfs voor mij, de verleiding van die nacht met sneeuw, in het hart van de ongerepte bergen, dat ze zegevierde over mijn zorgen net als over de fysieke problemen die ik voelde. Lange tijd – bijna tot aan de dageraad – bleef ik zitten, onbeweeglijk, terwijl ik de heerlijkheid proefde van mijn isolement in volmaakte kalmte, de volstrekte stilte van dit vreemde witte land; de geest los van alles, ondergedompeld in een onuitsprekelijke sereniteit.

 

Week 31 mei - 6 juni 2020

Zondag 31 mei 2020

Bereikbaarheid is niet hetzelfde als nabijheid, lees ik hier in het nieuwe Filosofie-magazine van de maand juni. En ook al vinden we dat wat sneu omdat te geloven, in feite is het zo. Bereikbaarheid ruimtelijk bedoeld dan, nabijheid geestelijk bedoeld. En is het niet wat erover om nu te klagen? Wat moesten ze dan pakweg 200 jaar geleden zeggen? Als er de bereikbaarheid niet was, dan was alleen de postkoets met brieven die een week onderweg waren en waarbij het antwoord nog eens een week onderweg was? De dagen in het leven sijpelden toen natuurlijk veel trager weg en men wist gewoon van niet meer. Dat er ooit nog autowegen zouden komen of elektrische fietsen. Enerzijds heb ik wel wat heimwee naar de tijd van Madame Bovary, de tijd van de landauers met gordijntjes voor de ramen, anderzijds natuurlijk als je beseft wat voor comfort we nu hebben. Die goeie oude en terzelfdertijd slechte tijd, een mens is immers nooit tevreden, om dat te weten, daarvoor hoef je geen filosoof voor te zijn, of net wel, als je ervan uitgaat dat in elke mens een stuk filosoof schuilt.

Je kunt het natuurlijk ook net andersom bekijken, ik bedoel de tegenstelling bereikbaarheid en nabijheid. Je kunt stellen: nooit waren we zo bereikbaar als nu. Zelfs aan de onderkant van de wereldbol is het nog mogelijk om met elkaar te praten, te whatsappen, te chatten, te skypen (wat een woorden allemaal) en mekaar te zien. Nog nooit zo bereikbaar geweest dus. Maar lijfelijke nabijheid wordt dan weer als een quasi onmogelijke droom ervaren. Nabijheid/bereikbaarheid, het is zoals je het bekijkt.

 

Maandag 1 juni 2020

En dan is er nog het nietsdoen. Ook al een filosofisch kernprobleem: nietsdoen is niet niets doen, of zou dat niet mogen zijn. Laten we naar de specialisten ter zake gaan kijken. Kenkõ, een monnik uit de vroege 14de eeuw, schreef wat wij vandaag een traktaat zouden noemen. ‘De kunst van het nietsdoen’. Een kunst geen kunde, waaruit impliciet blijkt dat je het niet zomaar kan aanleren (al weet ik niet wat het oorspronkelijke woord in het Japans was en of dit woord dan überhaupt vertaalbaar zou zijn naar het moderne Nederlands, zonder niet al te veel van zijn bijbetekenissen te verliezen. (Zojuist gevonden op Internet: een preciezere vertaling van de oorspronkelijke titel is: ‘Overpeinzingen in ledigheid). Een kunst dus: je hebt het in je of je hebt het niet (het talent van de kunstenaar dus). Genieten van het nietsdoen is genieten van de schoonheid van de gewone dingen rondom ons (mijn definitie), al staat het woordje genieten mij niet echt aan, het klinkt mij te actief, in je opnemen of zoiets, dat lijkt mij een betere omschrijving. De omgeving zijn werk laten doen, of de omgeving toelaten, in je hart zullen de enen zeggen. Het wil ook zeggen: de werkelijkheid rondom je aanvaarden (ook al actief, te actief vind ik), gewoon de werkelijkheid te laten zijn wat ze is en daar genoegen mee nemen. Nu ja, de ene werkelijkheid is de andere niet. De werkelijkheid van een zelfs verlaten spoorweg is helemaal iets anders dan de werkelijkheid van een opwellende bron aan de rand van een bos (vind maar nog zoiets!). Ledigheid in je hoofd creëren of niet moeten moeten. Het ideale recept voor het geluk zou je kunnen zeggen. De (westerse) mens is er jammer genoeg niet op voorzien.  Coronatijd zou een ideale oefening in nietsdoen moeten zijn, en dat is hier ook wel een beetje het geval, althans bij mijzelf. Anderen gaan zichzelf opvreten, worden er humeurig, depri, agressief van… de aard van het beestje nietwaar. Een beetje afwisseling is misschien nog idealer. Zoals ik voor mezelf altijd voorhield op de (nooit gestelde vraag): waar zou je het liefste zijn? Dan had ik als antwoord: in de zomer in de stad, in de winter ion de steppe of een verlaten eilandje ergens tegen Scandinavië. Nee, niet andersom hoor. De drukte als het druk is, de kalmte als het compleet rustig is. Ik denk hierbij aan Suzanne Brøgger, een Zweedse (denk ik toch) feministische auteur, die inderdaad ooit het omgekeerde beweerde: in de zomer in een ijswoestijn ergens aan de poolcirkel en in de winter in een wereldstad als Parijs. We zouden elkaar dus nooit ontmoet hebben maar misschien wel van woonst gewisseld hebben. Nu ja, losse dromerijen uit mijn jeugdjaren (toen mocht je nog echt dromen, nu terugkijken op wat je ooit gedroomd en nooit verwezenlijkt hebt, en je daar ook in schikken. Voor die houding bestaat er een woord voor meen ik te weten, maar het ontsnapt mij nu, dat hoort ook ontegensprekelijk bij de ouderdom. Maar zolang ik mijn geliefde(n) nog herinner….

 

Dinsdag 2 juni 2020

Van onder het stof gehaald, letterlijk, want het boek was achter een rij andere boeken gesukkeld, dat gebeurt wel vaker. Het ‘Verzameld werk’ van de Poolse schrijver en graficus Bruno Schulz, of moet ik schrijven : de Pools-Joodse schrijver of de Joods-Poolse schrijver. Hij leefde inderdaad in het getto van Drohobycz, maar werd al vroeg in de oorlog, in 1942, doodgeschoten door de Gestapo. De ironie wil dat hij een paar weken vooraf opgevorderd werd door een of andere Duitse commandant om de muur van de kinderkamer te versieren. Eigenlijk heeft Schulz maar twee romans geschreven: De kaneelwinkels en Sanatorium Clepsydra en daarnaast enkele verhalen. ik leerde hem kennen via een vriendin die in de bibliotheek werkte: ‘De Kaneelwinkels, dit moet je zeker eens lezen’. Ik heb nooit getwijfeld aan de smaak van mijn vriendin, en dit keer was het ook raak. Onmiddellijk na De Kaneelwinkels heb ik ook Sanatorium Clepsydra gelezen. Zijn twee romans zijn verlucht met die typisch hoekige tekeningen van de auteur. Een vijftiental jaar geleden, toen het gastland van Europalia Polen was, was er in het Rode klooster een mooie tentoonstelling gewijd aan Bruno Schülz. Daar ervaarde ik voor het eerst een schokkende gebeurtenis. Ik was toen rond de 55 of daaromtrent, en toen ik een ticket bestelde vroeg de (Franstalige) medewerker aan de balie spontaan: sénior? Ik was verontwaardigd en spontaan antwoordde ik: mais non! Dom van mij natuurlijk, zo moest ik de volle pot betalen.

 

Woensdag 3 juni 2020

Een autobiografie op basis van visitekaartjes. Nog zo idioot niet. Norman Douglas, geboren in 1868, kreeg het voor elkaar. In een brûle-parfum, een Japans antiek stuk om wierook te branden, bewaarde hij zijn visitekaartjes. Toen waren het nog echte visitekaartjes. In het besef dat zijn leven er stilaan op zit  - ‘De winter van mijn dagen is aangebroken. Ik heb het grote climacterium bereikt. Wanneer het nog kan is het nu de tijd om die wandeling te ondernemen in het verleden, in gebieden die ik nooit zal terugzien…’ – laat hij zijn visitejaartjes door zijn handen gaan. Noot: climacterieum = periode waarin de functies der geslachtsorganen ophouden oftewel de penopauze. Hij tracht de persoon te herinneren van wie het kaartje komt, en dan beschrijft hij zijn ontmoeting met die persoon of een anekdote…, maar soms kan hij zich de man of de vrouw niet meer herinneren.

 

‘Di Constanzo Guiseppe, Negoziante di vini.

Ik heb heel wat wijnhandelaars gekend in mijn tijd, maar deze herinner ik mij niet.

 

Mrs. G.S. Saxton

Wij ontmoetten elkaar op Ceylon, meen ik.

 

Rear Admiral Folger, United States Navy

Hij is uit mijn geheugen geglipt

 

Mr. Boris Berliand

?

 

Harte de Tecklenburg, Ancien ministre des Finances

Klinkt Hollands. Ik heb geen herinnering van Zijne Excellentie.’

 

Bij niet weinig kaartjes zet hij vraagtekens. Een typisch staaltje van het Douglas-venijn noemt de vertaler Geerten Meijsing het. Maar meestal herinnert hij zich wel de naam die op het kaartje staat, wat dan aanleiding heeft tot enkele pittige details over hem of haar en soms een bladzijdenlange beschrijving van hun gezamenlijke wederwaardigheden. Wel boeiend en soms fascinerend. De kringen waarin Douglas zich van tijd tot tijd bewoog waren niet de minste: Johannes Brahms, Clara Schumann, Cosima Wagner, Joseph Conrad, D.H. Lawrence, Lytton Strachey, Oscar Wilde (Norman heeft toevallig dezelfde familienaam als de amant van Wilde, en dat leidt soms tot vewarring bij zijn omgeving), Pablo Casals, Eugène Ysaye, Arthur Rubinstein, Maxim Gorki …

 

Zelf heb en had ik hier ook een stapel naamkaartjes. Had: die talrijke kaartjes uit mijn ‘actieve loopbaan’, maar ik heb die onlangs met het oud papier meegegeven. Drie kwart van de namen zeiden mij niets meer. Heb: er liggen hier nog een pak van die kaartjes in een doos, ik vermoed twee derde van de kaartjes van restaurants of brasseries en de rest van haarkappers, tuiniers, boekhandels enz.

Misschien moet ik eens een greep doen in dat doosje en kijken wie of wat ik mij nog herinner, maar dat is voor een andere keer.

 

Donderdag 4 juni 2020

Een hele pak kaartjes heb ik gebundeld en bij een eerste oogopslag inderdaad nogal wat namen waarbij ik een ? moet plaatsen, en dat is geen staaltje van Douglas-venijn of van mijn eigen venijn. In tegenstelling met wat ik dacht, niet zo geweldig veel eet- en drinkgelegenheden, daarentegen nogal wat kaartjes van kunstenaars, vooral beeldende kunstenaars.

Het zou mij te ver leiden om bij elk kaartje wat commentaar te geven, misschien wordt dat een afzonderlijk document. Restairants en bistro’s zou ik zeker laten voor wat ze zijn, de commerciële firma’s eveneens, enkel de kaartjes met namen van personen zouden een verklaring kunnen gebruiken. We zien wel. 

Hé, wat vind ik hier?  Nog een doosje met kaartjes, en nu bevat het quasi uitsluitend namen van restaurants en eetgelegenheden, netjes alfabetisch geklasseerd.

Nu, bij die restaurants zijn er wel enkele die ik wil vermelden, louter omwille van de speciale naam, op wat ik daar gegeten heb of wat er daar geserveerd wordt zal ik uiteraard niet in gaan, ik zou het bovendien – behalve in een uitzonderlijk geval – niet meer weten ook.

Maar neem nu deze: ‘Komtuveu’ (de maaltijden worden inderdaad allemaal in keramieken kommetjes geserveerd), ‘Sans cravatte’ (de prijs was wel mét), ‘L’infini de vos rêves’ (bestaat jammer genoeg niet meer, was zeer kunstzinnig ingericht, de uitbaatster noemde zichzelf sculpteur de l’imaginaire), ‘Bis Art’ (de uitbater was voor de digitale revolutie fotograaf), ‘Le Péché Mignon’ (met zo’n Raffaëlengeltje op het kaartje), ‘Phare de Vie’ (niet verwarren met ‘Bistro du Phare’, aan de andere kant van de stad), ‘’t Klein Risico’ (dat groter wordt naarmate de avond langer duurt, ‘Kwizien Divien’ (alles behalve goddelijk), ‘De Lanterfanter’ (met dank aan vrienden die dit huis aangeraden hadden, ‘Dag & Dauw’ (goed gevonden voor een zaak die zich op ontbijt richt), ‘O’teur’ (een hoog gelegen Marokkaans restaurant, waar het lekker ruikt), ‘Café d’O’ (inderdaad aan het water, maar heeft het ook een histoire?), ‘Miss en place’ (waar twee lesbische vrouwmensen je menu’s aanreiken met namen als Brigitte Bardot enz.), ‘’t Suut Bekske’ (voor zo’n naam moet je in Antwaarpen zijn), ‘’t Stil Genot’ (om te beleven), ‘Vapiano’ (het is eens geen Calabria, Capri, Roma, La bella Italia,…), ‘’t Vagevuur’ (klinkt niet zo aantrekkelijk), ‘Het verschrikkelijke zoet leven’ (wat kan chocolade verschrikkelijk zoet zijn), ‘Adellijke Belofte’ (veel beloven en weinig geven, intussen gestopt),’Books & Brunch’ (ontbijt tussen de boeken, die je nog kunt kopen ook), ‘De Kalvarieberg’ (hoe kunnen ze nu zo’n naam geven?), ‘Sail & Anchor’ (ik vermeld deze omdat het zowat de enige Engels keuken is waar het ook lekker is, nou ja, ook prijzig),’I love Coffee’ (inderdaad koffie in alle maten en gewichten), ‘De Twijfelaar’ (in een studentenstraat, veel twijfelende gezichten passeren voor de vitrine), ‘Laissez faire’ (laat je maar doen, en laat je maar betalen) en tot slot ‘Art Fabrik’. Dit is ook een hotel en wat voor een hotel! Ondergebracht in een oud fabriekspand (zeepfabriek?) in Wuppertal. Er zijn geloof ik 27 kamers en de eigenaar heeft aan even zoveel kunstenaars gevraagd, doe maar op, maak er iets origineels van en zo is elke kamer anders ingericht en versierd, hetzelfde geldt voor het restaurant met een wat Hundertwasserachtige aanblik. De hotelhouder in persona komt zich ’s morgen met zijn koffietje aan je ontbijttafel zitten vraagt van waar je komt, wat je van plan bent hier te doen enz. Beneden een heuse kunstgalerij. Ik heb er mijn sjaal laten liggen.

 

Vrijdag 5 juni 2020

‘Het feit dat men een boek een aantal keren heeft gelezen, betekent niet dat men precies weet waarop men anderen, die het nog niet gelezen hebben, moet attenderen’. T.S. Eliot in zijn (beroemd) voorwoord op de roman Nachtwoud (Nightwood) van de Amerikaanse schrijfster Djuna Barnes (geen familie van). De schrijver Johan van de Woude (auteur van een biografie van Maria Dermoût) stelde het nog krachtiger: ‘Men moet (Nachtwoud) vaker dan eenmaal herlezen. Wie het vluchtig leest zal het wegleggen: wie er zich in verdiept zal het alsl een meesterwerk herkennen. Een superieur boek.’

Over herlezen. Hoewel ik hier een pak boeken ‘te lezen’ heb staan, valt het mij op dat ik elk jaar wel meerdere boeken herlees. Soms heel lijvige, zoals De Toverberg en Doctor Faustus van Thomas Mann of Mémoires d’Hadrien (Hadrianus’ gedenkschriften) en L’œuvre au noir (Het hermetisch zwart) van Marguerite Yourcenar. Van deze laatste is Alexis ou le traité du vain combat (Alexis of de verhandeling van de vergeefse strijd) wellicht het meest herlezen prozawerkje, zowat elk jaar haal ik het wel eens uit de rekken. In enkele uren is het trouwens uitgelezen. Een juweeltje! Een ander juweeltje dat ik meerdere malen herlezen heb, is van de Franse filosoof Julles Vuillemin: Le miroir de Venise (Venetië, een spiegel). En voor de rest? Goethes Leiden des jungen Werthers, Het kasteel van de kruisende levenspaden en De onzichtbare steden van Italo Calvino, De glazen stolp van Sylvia Plath, De meester en Margarita van Michail Boelgakov, A rebours (Tegen de keer) van J.K. Huysmans, Het eigen lot van Kenzoburo Oë, Moderato cantabile van Marguerite Duras, De laatste wereld (Die letzte Welt) van Christoph Ransmayr, en ja, ik zou het bijna vergeten: de drie romans van Franz Kafka: Het proces, Het slot en Amerika, al is het nu wel al een tijdje geleden dat ik Kafka ter hand nam (reden waarom ik er niet meteen aan dacht). En zo zullen er nog wel een paar zijn die mij nu niet te binnen schieten. Animal Triste van Monica Maron bijvoorbeeld, maar dit komt ook omdat ik ooit een toneelstuk geschreven heb, gebaseerd op dit prachtige liefdesverhaal van Maron (na de val van de Muur ontmoet een Oost-Duitse paleontologe een West-Duitse bioloog). En uiteraard, zou ik zo zeggen, mijn eigen roman Marmerluchten, als is het nu ook al meer dan tien jaar geleden dat ik dit boek herlezen heb.

Zal ik Nachtwoud van Djuna Barnes ook herlezen? Het zit er dik in als ik voortga op het voorwoord van Eliot (… aangenomen dat (de lezers) het voorwoord eerst lezen, als ze het al lezen -, merkt hij niet zonder wat fijne ironie op). Maar voor het herlezen komt toch altijd het voor de eerste maal (aandachtig) lezen.

 

Zaterdag 6 juni 2020

Find a grave. Intussen is dat al al een zeer uitgebreide website geworden. Ik dacht er aan bij het lezen over het bezoek van Norman Douglas aan het graf van Lord Byron (volgens Find a Grave ligt hij op drie plaatsen begraven: op het St. Mary Magdalene Churchyard in Hucknall, Nothinghamshire, op het kerkhof van Ayios Georgios op het eiland Corfu en zelfs in Westminster Abbey. Een beetje zoals Caroline van Habsburg, wiens hart te Wenen werd bijgezet in de Augustinerkirche, haar ingewanden in de Stephansdom en wat er nog overbleef in de Kapuzinergruft. Maar Lord Byron, hij of een deel van hem vertoeft in Westminster Abbey wel in select gezelschap. William Shakespeare, Christophert Marlowe, Geoffrey Chaucer, Charles Dickens, John Milton, John Dryden maar ook componisten zoals Georg Friedrich Händel, Henry Purcell, John Blow, Muzio Clementi en de wetenschap is vertegenwoordigd door Charles Darwin, Isaac Newton, Michael Faraday en enige jaren geleden nog Stephen Hawking en uiteraard ook beroemde vrouwen, ik pik er George Eliot uit en ja vele dames van koninklijke bloede Queen Mary (met hoofd?) en andere Stuarts... het zijn slechts enkele van de vele beroemheden die in Westminster Abbey hun laatste rustplaats gevonden hebben. Maar Norman Douglas bedoelde wel Ayios Georgios op Corfu.

Als hij in Menton verblijft bezoekt hij het graf van Aubrey Beardsley, in feite een tijdgenoot die onder meer Salomé van Oscar Wilde illustreerde. Zelf ben ik zo geen lijkenpikker, maar voor enkele graven heb ik toch wel een omweg gemaakt, ja soms was het wel een soort bedevaart. Dat was zeker het geval voor Franz Kafka, begraven op het Joods kerkhof van Praag. Hij ligt er samen met zijn ouders, drie plaquettes verwijzen naar zijn zussen, vergast in Łódz en Auschwitz. Meer dan eens bezocht ik het graf van George Sand, begraven naast haar woonhuis in Nohant, ook het graf van Richard Wagner heb ik bezocht, hij ligt er samen met zijn Cosima in de tuin van zijn Villa Wahnfried in Bayreuth, naast zijn graf ligt ook zijn hond onder een gedenkplaat begraven. Het graf of beter de grafkapel van Franz Liszt in Bayreuth heb ik in die dagen ook met een bezoek vereerd. Op 1 november 1990 of 1991 was ik in Wenen, op deze dodendag begaf ik mij naar het Zentralfriedhof om er het graf van Beethoven te bezoeken, meteen zag ik ook dat van zijn buren: Franz Schubert, Johannes Brahms en Johann Strauss. Er staat ook een monumentale zerk voor Wolfgang Amadeus Mozart, maar hij ligt er zoals wij weten niet onder. In Parijs maakte ik ooit een bijna obligate wandeling op père Lachaise, maar eigenlijk was het vooral om het graf van Fréderic Chopin te bezoeken, ook op het kerkhof van Montparnasse heb ik gewandeld, op zoek naar het graf van Charles Baudelaire. Op het kerkhof van Weimar vond ik broederlijk naast elkaar Johan Wolfgang Goethe en Friedrich Schiller, toevallig passeerde ik ook het graf van Johann Nepomuk Hummel. Een speciale herinnering heb ik aan mijn zoektocht naar de plaats waar Federico Garcia Lorca gefusilleerd werd. Bij navraag bij enkele (oudere) bewoners in Viznar gedroegen zij zich alsof ze van niets wisten. Lorca na meer dan 50 jaar nog altijd taboe. Fernando Pessoa is bijgezet in het klooster van de Heilige Jeronimos in Belem, mooie locatie. Voor Emile Verhaerens graf zou je voor het uitzicht alleen al naar Sint-Amands-aan-de-Schelde gaan – ook zijn vrouw, de schilderes Marthe Massin, ligt er begraven. Bijzonder indrukwekkend was de tocht naar het kleine kerkje van Raron, op een rots hoog boven het Rhonedal. Daar, tegen de gevel bevindt zich de eenvoudige grafzerk van Rainer Maria Rilke, met zijn zelf gekozen cryptisch opschrift: ‘Rose, o reiner Widerspruch. Lust. Niemandes Schlaf zu sein unter so viel Lidern’ (Roos, o, zuivere tegenspraak. Lust. Niemands slaap te zijn onder zoveel oogleden.) Die Lust nietwaar! Dacht Rilke aan het Middernachtslied uit Also sprach Zarathustra van Friedrich Nietzsche (Doch alle Lust will Ewigkeit, tiefe, tiefe Ewigkeit)? Op het graf van Paul Modersohn-Becker ben ik eerder toevallig gestoten toen ik die zomer in Worpswede was. In Tübingen ging ik op zoek naar het graf van Friedrich Hölderlin op het stedelijk kerkhof, daarna wou ik ook even tot bij het graf van Ernst Bloch (Das Prinzip Hoffnung) gaan, maar dat bleek op een later aangelegd parkkerkhof op een heuvel aan de rand van Tübingen te liggen. Het prachtigste ‘Friedhof’, die naam waardig, dat ik ooit gezien heb. Wel een uur lang was ik op zoek naar het graf van Bloch, om uiteindelijk te constateren dat het vlak bij de ingang gelegen was. In Leipzig uiteraard de Thomaskirche binnengesprongen, er lag één verlepte roos op het graf van de grote Bach. Door op een dag even vooraan op het kerkhof van Machelen aan de Leie te drentelen, stond ik plots oog in oog met de laatste rustplaats van Gerard Reve. Op de grafplaat de eenvoudige tekst: U heb ik lief. En ja, elk jaar tijdens de Poëziezomer van Watou kom ik wel eens in de weide waar de as van Eddy Van Vliet uitgestrooid is. Heb ik er nog vergeten? Wellicht wel. En kijk er staat nog zeker één graf op mijn verlanglijstje, dat van de choreograaf Uwe Scholz (1958-2004) Daarvoor zal ik naar Steinau in Hessen of naar Friedrichshain in de buurt van Berlijn moeten gaan. Ja, waar ligt hij nu begraven? Twee bronnen die elkaar dus tegenspreken. Find a Grave vermeldt Berlijn, maar de documentaire over Uwe Scholz ‘Soulscapes’ vangt aan met de begrafenis van Scholz op het kerkhof van Steinau. Nu merk ik het pas: de Uwe Scholz van Find a Grave is ook geboren in 1958, maar hij stierf in 2013. Het zal dus Steinau worden.

 

Week 24 - 30 mei 2020

Zondag 24 mei 2020

Het is een gewone gewoonte van mij geworden – al verschillende jaren – om elke dag tussendoor vier gedichten te lezen, of beter vier bladzijden uit een bundel, of vijf of zes, als het gedicht meerdere bladzijden telt. Zo heb ik al gelezen: het verzameld werk van Hugo Claus (toch wel 1500 bladzijden schat ik), Jorge Luis Borges (viel niet mee, Claus trouwens ook niet, maar ik had daar te veel van verwacht), Ida Gerhardt (mooi), Slauerhoff, Emile Verhaeren, Hans Faverey, Marina Tsvetaeva en nog wel enkele anderen van wie de namen mij nu ontsnappen. Momenteel is Rutger Kopland (weer) aan de beurt. Ik heb hem eenmaal live meegemaakt, in Antwerpen, maar dan wel als psychiater. Combinatie dichter-psychiater lijkt mij een zeer genadige combinatie. Ik pik één gedicht er (min of meer willekeurig) uit.

 

Dankzij de dingen

 

De ochtend dat de dingen weer ontwaken,

laag licht tevoorschijn komt uit het

mahonie, tafelzilver, porcelein,

 

het brood gaat ruiken naar brood,

de gebloemde theepot naar thee

en de lucht naar oude mensen,

 

waarop het in de doodstille kamer gaat

prevelen, Here, zegen ook deze

dag tot in eeuwigheid, amen.

Toch een aandoenlijke huiselijke nature morte vind ik. Een vroege-morgentafereel, geen wielertoeristische uitspattingen, zelfs geen déjeuner sur l’herbe (al zou dat toch heerlijk kunnen zijn in de zomer, in de Provence, onder de olijfbomen met een vriendin in Manetkostuum…), nee gewoon gewoon, een dag als de dagen tijdens een lockdown (tot in eeuwigheid, amen, alleluja), de dingen die ontwaken, de dingen die zich losmaken uit het tanende duister, ze moeten niet eens gegroet worden.

Ja, ik mag hem wel deze Rutger, naast Gerrit Achterberg is hij wel mijn favoriete Nederlandse dichter, maar ik ken niet van iedereen voldoende het werk. Over Vasalis bijvoorbeeld – ik heb 2 of 3 bundeltjes van haar – weet ik te weinig. Ik vermoed zo dat ik haar poëzie zal mooi vinden, maar ik ben nog zover niet geraakt.

Iets wat ik zeker bij Kopland apprecieer zijn de eenvoudige, alledaagse die hij gebruikt en dat hiermee zo’n poëtische zinnen kunnen gebouwd worden, nochtans komen dei zinnen niet vanzelf. In de TV-reeks uit 2000 (en het boek) van Wim Kayzer, Van de schoonheid en de troost is er ook een aflevering gewijd aan Rutger Kopland, waarin hij getuigt over de wordingsgeschiedenis van een gedicht, ik meen het gedicht Onder de Appelboom. Hoe hij zoekt naar de juiste woordkeuze, de geschikte volgorde van de woorden, het beste ritme, enz.

 

Maandag 25 mei 2020

Ik moet mij dringend eens gaan bezig houden met mijn lezing in november. Ik heb nog geen idee hoe ik het wil aanpakken. Ook niet welke bron ik als leidraad zou gebruiken, ik kan kiezen tussen vier teksten, ik kan ze natuurlijk ook combineren en zal dat wel gedeeltelijk ook zo doen, maar toch: wie volg ik in de eesrte plaats? Ik ben nogal gewonnen voor Carl Schorske, toch een autoriteit op het gebied van Wenen, Fin de siècle. Dit is trouwens ook de titel van zijn lijvig boek met daarin, heb ik gemerkt, een volledig hoofdstuk gewijd aan de Beethovenfries van Gustave Klimt. Ik heb ook nog een mooi (esthetisch mooi bedoel ik) boek Klimt-Beethoven uit de Skyra-reeks. Toch altijd garant voor kwaliteit, alleen – wat enigszins te verwachten was – nogal zware tekst en alles bij elkaar niet zo erg veel over het wat en waarom van de fries. Op Internet heb ik dan wel een tekstje gevonden, dit is zowat het tegenovergestelde van het vorige boek: erg licht en nogal oppervlakkig, maar wel wordt elk paneel van de (het?) fries even geduid. En dan is er nog een boek dat enkel over de (voorbereidende) tekeningen van Klimt gaat, dat heb ik nog niet van nabij bekeken, wel gemerkt dat desondanks alle geschilderde panelen erin afghebeeld staan. Ik ga beginnen met Schorske, denk ik en anders die tekst van Internet als rode draad kiezen en aanvullen met wat ik elders vind. De presentatie mag ook niet te lang duren – maximum 3/4 uur – want nadien is er de voorstelling van mijn boek. Nu, dat kan ik wel in een klein halfuurtje afhandelen, al moet ik rekening houden dat er nadien nog (hopelijk) enkele kopers gaan zijn die een gesigneerd exemplaar gaan willen. Wat ook nog te gebeuren valt, is een tekstje zoeken of verzinnen om in de opdracht te schrijven. ‘Aan X, veel leesgenot’, nou, dat vind ik wat te sober. Ik denk nu aan een tekst van Dante uit zijn Divina Comedia, het vagevuur als ik mij nog goed herinner. Eens opsnorren vandaag of morgen.

Intussen Schorske geraadpleegd, het gaat maar over enkele paragrafen in een hoofdstuk over Gustave Klimt. Dit is wel bruikbaar, maar nogal beknopt, ik zal dus sowieso verder moeten kijken. Nu ik heb wel al een idee hoe ik het aan boord zal legge. Beginnen met een korte situering van de tentoonstelling in het Seccesionsgebouw rond het standbeeld van Beethoven door Max Klinger en dan de fries van Klimt aflopen in klokwijzerszin – in feite drie delen op drie panelen - en bespreken wat hij ervan gemaakt heeft en wat hij bedoeld heeft. Tussendoor fragmenten uit Beethovens 9de, het laatste deel, de Ode an die Freude, want deze tekst van Schiller illustreren was de opzet van Klimt. Misschien tussendoor ook wat vergelijkingsmatertiaal met vroeger en later werk van Klimt en zelfs met werk van collega’s. Enfin we geraken er wel

 

Dinsdag 26 mei 2020

Vakantie? “Maar dan komen de zorgen weer, altijd dezelfde zorgen, zorgen die sinds een halve eeuw betrekking hebben op de rechthoekige vormen van het maagdelijk schrijfblok, het woordenboek, het manuscript. Ik mag ze dan wegmoffelen achter een boeket vlammende zinnia’s, ineens snijdt een zonnestraal zo blauw als de bliksem het vertrek in tweeën en verraadt hun aanwezigheid…” Dit schrijft een zestigjarige Colette in haar persoonlijk verhaal als ze weer eens in de Provence op vakantie is. Moet ik toch even glimlachen, zelfs terwijl zij dit stukje schrijft is het een en al zomerspettervuur van prachtige zinnen, schitterende adjectieven, verrukkelijke beschrijvingen van het gewoonste van het gewone in een zonovergoten tuin van waaruit ze dit schrijft. De poëzie die in de kelk van een trompetbloem verscholen zit, ze haalt het er uit met een schijnbare achteloosheid, maar met wat een rijkdom van kleuren, geluiden en zeker geuren overspoelt zij ons! Wat ben ik blij dat ik Colette ontdekt heb, quelle phénomène! Vroeger dacht ik altijd dat zij eens soort Edith Piaf was van de literatuur, pas op, met alle respect voor Piaf hoor. Piaf kende ik vooral van mijn moeder van wie ik als kind de dag door ‘Non, je ne regrette rien’ vanuit de keuken hoorde schallen, naast liedjes van Maurice Chevalier, Emiel Hullebroeck en Armand Preud’homme. De heide was soms dagen naeen donkerpurper gekleurd, tot vervelens toe. Maar nee, geen Edith Piaf, maar zoals ik al eerder schreef: een vrouwelijke Proust en dan een die nooit de tijd verloren heeft.

 

Woensdag 27 mei 2020

De voorbije nacht, als een riedeltje, kwam plots dit tekstje bij mij op: “So blau wie Schnee, so Paul wie Klee“. Van waar had ik dat? Tonight, that was the question. In mijn ene hersenhelft bleef het maar riedelen, in de andere was er de speurtocht naar de herkomst: waar in ’s hemelsnaam heb ik dat ooit gezien, gelezen, gehoord? Gelezen zal het wel geweest zijn en in het Duits… ik kon om te beginnen al mijn Franse bronnen afvoeren. Mijn Duitse dan? Kafka? Niet kafkaesk genoeg.Goethe? Klee was toen nog niet geboren. Thomas Mann? Niet ernstig genoeg. Herman Hesse? Nja, een flikkerend lichtje begon te schijnen, maar het was de vroeg ochtend die mijn nachtelijke beslommeringen onderbrak. Sowieso ben ik dan op zoek gegaan, gegrasduind - (grasduinen, niet het woord verwondert mij, maar de betekenis: zich verlustigen, naar hartenlust toetasten, van : in grazige duinen gaan’, voor het eerst opgedoken in 1574 - Van Dales Etymologisch Woordenboek, een schat van informatie hoor - nou, dat weten wij nu ook weer).Deze voormiddag ben ik dus gaan grasduinen in mijn Hessetjes. In zijn romans (Demian, De Steppenwolf, Gertrud, Narcis en Goldmund, Siddharta en zeker Het Kralenspel, allemaal pareltjes in het al zo rijke snoer van de Duitse literatuur) zou dat wel niet gestaan hebben, dan zijn ander werk. Voordeel was dat ik zoiets wel zou aangestreept hebben – dat vermoedde ik althans, dus volstond om snel de Hessetjes te doorbladeren en bij elke onder- of aanstreping even stil te staan (en dat zijn er nogal wat). En jawel, Eureka! In De reis naar het Morgenland (weer zo’n verrukkelijke titel om bij weg te dromen), daar staat het, op bladzijde 70: “So blau wie Schnee, so Paul wie Klee“. En Paul Klee dat was mijn grote favoriet van in mijn late jeugd, alles van Klee verzamelde ik toen, vooral postkaarten met reproducties van zijn schiderijen. Hoe moet ik zijn stijl beschrijven? Naïef abstract surrealisme? Vaak licht humoristisch of ironisch. Ik mag hem nog altijd graag.

 

Donderdag 28 mei 2020

Eergisteren de toekomst van Het Beleefde Genot besproken of beter het einde. Alle activiteiten van het najaar geannuleerd en in theorie (gedeeltelijk) doorgeschoven naar volgend jaar. Maar zelfs zonder de Coronacrisis zouden althans de lezingen van Het Beleefde Genot dit jaar gestopt zijn op 15 november. Niet dat ik geen kandidaten of themalezingen meer in het achterhoofd had, maar de leeftijd gebiedt mij een tandje minder te schakelen. Zo had ik wel nog twee lezingen (of meer) willen organiseren rond de figuur van Zarathoestra, de echte en die van Nietzsche. Voor Nietzsche zou ik de keuze laten vallen hebben op Roland Duhamel uit Gistel of Oostende, gepensioneerd Nietzschespecialist en auteur van Nietzsches Zarathoestra – mysticus van het nihilisme. Titel van zijn lezing: ‘Zo sprak Zarathoestra’. Als tegenhanger, en dat als eerste lezing: ‘Zo dacht Zarathoestra’, over de leer en het denken van de authentieke Zarathoestra, die van 1500 voor onze tijdrekening (meer dan duizend jaar vòòr Plato cum suis !). Zijn ideeën staan beschreven in de Ghata’s, een van de oudste verzamelingen geschriften van ons wereldpatrimonium. Wie komt in aanmerking om die lezing te brengen? Wel, de auteur van ‘Ainsi pensait Zarathoustra – un philosophe avant la lettre’, Ann Van Sevenant, een gewaardeerd filosofe, afkomstig uit Torhout maar intussen voldoende bekend en erkend in academische en filosofische kringen. Blijkbaar goed meertalig, ze publiceerde al werk in het Frans, het Italiaans en het Nederlands. Van haar onder meer ‘Kleine filosofie van het vrijen’ maar ook ‘Wat zou de wereld zijn zonder filosofie?’ – dit laatste boek samen met Samuel Ijsseling - , geef toe toch twee verleidelijke titels. In maart verscheen de Engelse vertaling van ‘Ainsi pensait Zarathoustra’, ‘Thus replied Zarathustra’, de voorstelling zou plaats vinden aan de ULB, ik had ook een uitnodiging gekregen, en was van plan om er heen te gaan, maar… we weten het intussen al. Verleden week bericht ontvangen dat er geen voorstelling meer zou plaats vinden. En voor Het Beleefde Genot ook geen lezingreeks rond de figuur van Zarathoetsra. Haar boek van 400 bladzijden heb ik nog niet gelezen, wel haar eens gehoord over de historische Zarathoestra en de Ghata’s.

 

Vrijdag 29 mei 2020

In haar voorwoord op ‘Ainsi pensait Zarathoustra’ – haar avant-propos – schrijft Ann Van Sevenant het al: ‘La pensée occidentale perpétue un malentendu, une construction historique concernant la naissance de la philosophie. Le célèbre ouvrage de Friedrich Nietzsche “Ainsi parlait Zarathoustra”, qui a bouleversé la philosophie du -XXe siècle, y a contribué.’. En de Zarathoestra van Nietzsche is altijd een van mijn favoriete boeken geweest. Oorspronkelijk had ik enkel de Duits-Franse editie van Flammarion en in die tijd – studentenjaren – kon mijn Duits er nog een beetje door, intusssen is dat volledig geërodeerd, ik durf mij nauwelijks nog aan Duitse literatuur te wagen in de oorspronkelijkea taal. Later heb ik mij dan toch de Nederlandse vertaling van Endt en Marsman aangeschaft. Jaren geleden, begin de jaren negentig, heb ik eens een installatie gebouwd, met als uitgangspunt de opdracht die Herman, de landgraaf van Thüringen aan de bijeengekomen minnezangers stelde: ‘Könnt ihr der Liebe Wesen mir ergründen?’.

Als mogelijke antwoorden had ik in mijn tuin aan de straatkant zeven ongelijke ‘zuilen’ opgericht (houten staketsels met zwart plasticfolie omzwachteld) met vooraan op A4-formaat, telkens een citaat uit Nietzsches ‘Also sprach Zarthustra’. Welke teksten dat waren weet ik niet meer, ze moeten hier nog wel ergens liggen, maar het is duidelijk dat de Zarathoestra van Nietzsche vol staat met rake passages. Al vanaf het begin, Zarathoetsra’s voorrede, kan je lezen hoe hij de zon toesprak: ‘Du groszes Gestirn! Was wäre dein Glück, wenn du nicht die hättest, welchen du leuchtest!’, ‘Gij groot gesternte! Wat zou uw geluk zijn, wanneer ge niet hen hadt, die gij verlicht’. De Übermensch kondigt zich al aan.

 

Zaterdag 30 mei 2020

Zomer in de (late) lente. Rust en vrede alom, toch hier bij ons. Ik durf me nauwelijks voor te stellen hoe het er in de vluchtelingenkampen aan de Turks-Griekse grens er aan toegaat of in Syrie of in de Gazastrook. En jammer genoeg kan ik zo nog een eindje doorgaan. Commentaar omtrent de Coronatijd wil ik met opzet niet geven, daarover hebben wij al meer dan voldoende vernomen van onze experten-journalisten. Ik haat dat zootje die het altijd beter weet en sensatievol en breed uitstrijkt. ‘Van onze expert ter zake’ (ik klap dubbel van het lachen). Something is rotten in the state of Denmark, in dit geval medialand. De publieke media moeten heus niet onderdoen voor de sociale media (zeg maar asociale, meer zelfs antisociale media), integendeel soms. Daar doen we dus niet aan mee. Conservatief tot in de kist? Et alors? Behalve dat legertje poepjournalisten is er nog een andere groep aan wie ik mij erger, al is ergeren hier niet het juiste woord. Ik erger mij inderdaad aan het journalsitieke volkje, maar schaam mij, vind het zelfs verschrikkelijk dat er zo weinig steun komt uit de academische wereld – akoord de uitzonderingen bevestigen de regel, ik ga maar geen namen noemen. De meeste (lees: nogal wat) academici sluiten zich op in hun gespecialiseerde cocon en hebben enkel oog voor het aantal voetnoten waarin naar hun werk gerefereerd wordt en ja, ook de voetnoten die over het werk van hun tegenstanders gaan, want die lusten ze meestal rauw. Zij, de academici, zouden het geweten van de wereld moeten zijn, zouden luider en vooral krachtdadiger en gebundeld hun stem moeten verheffen.

 

Week 17 - 23 mei 2020

 

Zondag 17 mei 2020

Een zondagse zondag. Zonet fietstochtje tot in Vloethemveld en dan langs wiegelwaggelende wegjes terug. Doordat ik lang geslapen heb, nog niet veel gelezen in Eribon, hooguit één hoofdstukje. Over de benoeming van Foucault tot hoogleraar. De periode ervoor was hij in Uppsala, Warschau en Hamburg. Het langst (twee jaar) in Uppsala. Een werkbeest was hij. Hij werkt er aan zijn dissertatie die tot zijn benoeming moet leiden, het zal ook zijn eerste belangrijke boek worden: de Geschiedenis van de waanzin – Gallimard vertikte het om dit werk te publiceren, Plon deed het later wel, en het heeft de uitgeverij geen windieren gelegd. De waanzin is geen natuurlijk, maar cultureel gegeven, beweert Foucault. Dat kan logisch klinken, maar dat heeft nogal wat repercussie gehad in het omgaan met waanzin en waanzinnigen. Rede tegenover redeloosheid. In Zweden woont en werkt hij in een klein appartementje - in december is het al om twee uur in de namiddag donker, om nog maar te zwijgen over de koude, niet bepaald een gunstig klimaat voor kandidaat depressievelingen. ’s Avonds, als hij zit te schrijven, speelt er altijd muziek (33-toerenplaten). ‘Er gaat geen avond voorbij of hij luistert naar de Goldbergvariaties’ schrijft Eribon. Inderdaad een van de weinige werken waar je voortdurend naar kan luisteren zonder het beu te worden, altijd is er wel een nieuw facet te ontdekken. Dat kan van weinig muziekstukken gezegd worden, luister maar eens uren aan een stuk naar Eine kleine Nachtmusik, om er horendol van te worden. Dat is feitelijk de hoofdreden waarom ik mij in de Kerstperiode ver buiten de winkelstraten van een stad houd. Ik vraag mij af naar welke versie hij dan geluisterd heeft. Wellicht al de spraakmakende uitvoering van Glenn Gould uit 1955 (we zijn in 1956) of de clavecimbelversie van Wanda Landowska uit 1931 – de eerste grammofoonopname van de variaties.

 

Maandag 18 mei 2020

Tja, het kon niet anders. Bij het opruimen vind je wel eens het dubbel van een boek, maar dit keer vind ik hier drie exemplaren van David Copperfield, in vertaling wel te  verstaan. Een uitgave uit 1978 (eerste druk 1953) in de reeks PrismaKlassieken, 836 blz., vertaling André Noorbeek, een uitgave uit 2004 (eerste druk 1953) in de reeks Dickens Bibliotheek, 834 blz., vertaling André Noorbeek, dat is de identiek aan de vorig genoemde uitgave en een uitgave uit 1980 (eerste druk 1949) in de reeks Amstel Klassieken, 927 blz., vertaling J.B. Van Amerongen, maar met een voorwoord van 26 bladzijden. Dus alles bij mekaar twee vertalingen die al van een tijdje dateren: 71 jaar en 67 jaar oud. Laat ik even de eerste (toch wel beroemde) zin nemen, en kijken hoe die vertaald werd. Whether I shall turn out to be the hero of my own life, or whether that station will be held by anybody else, these pages must show.” Van Amerongen, 1949: “Of ikzelf de held van mijn leven zal blijken te zijn, of dat die functie zal worden vervuld door iemand anders, zullen de volgende bladzijden aantonen.” André Noorbeek dan (1953): “Of ikzelf de held van mijn levensgeschiedenis ben, of dat die plaats door iemand anders wordt ingenomen, zal uit deze bladzijden moeten blijken.”. Nou, ik kies – prima vista - voor de tweede versie. Leven staat wel dichter bij levensgeschiedenis, doet ook niet zo kunstmatig aan, maar functie klinkt dan weer wat kunstmatiger dan plaats voor ‘station’. Maar na herlezing, misschien toch de eerste versie, want dichter bij het origineel (de vertaling van ‘station’ wringt wel een beetje), ik hou namelijk nogal van letterlijke vertaling, vertaling dicht bij de oorspronkelijke tekst.

En wat met de slotzin? O Agnes, O my soul, so may thy face be by me when I close my life indeed; so may I, when realities are melting from me, like the shadows which I now dismiss, still find thee near me, pointing upward!”

Bij Van Amerongen: “Nu hij dood is en zij bij ons inwoont, moeten we maar ons best doen haar er overheen te helpen.” Pardon? En bij Noorbeek: “O Agnes, mijn ziel, mijn alles, moge ik je zo vinden als ik mijn leven inderdaad besluit, moge ik je naast mij zien, opwaarts wijzend als steeds, wanneer de werkelijkheid voor mijn ogen verdoezelt, gelijk de schaduwbeelden, die ik hiermee voorgoed vaarwel zeg!” Bestaan er dan verscheidene versies van David Copperfield? Nee, bij nader inzien, laat Van Amerongen de hele laatste paragraaf weg. Vertaler? Uitgever? Drukker? Voor de Engelse brontekst baseer ik mij op de versie die opgeslagen is in het Gutenberg-project, toch een onverdachte bron zo lijkt mij. Besluit: was ik eerst van plan de compacte PrismaKlassieken nr.6 te behouden, dan verkies ik nu de uitgave van de Amstel Klassieken. Besluit 2: ik zal David Copperfield toch nooit lezen, tenzij… (maar je weet maar nooit)

 

Dinsdag 19 mei 2020

Nulla dies sine linea. Boven het grote venster in het Lijsternest, met uitzicht op de velden, staat de tekst geschilderd (of gebeiteld). Maar er zijn dagen, zoals deze waar zelfs die ene regel niet lukt. Er was eens …, ja er was eens iemand, misschien wel een schrijver, die deze regel ter harte nam en elke dag één regel schreef. Ik kan natuurlijk gaan grasduinen in mijn lectuur van vandaag (nog altijd Ebiron over Foucault) maar ik verkies de rust. Nu tot nu toe valt Ebiron wel mee, hij schetst een goed en ik veronderstel ook een juist beeld van Foucault, niet teveel filosofische uitweidingen, valt wel mee.

Nu ja vannacht liggen denken aan wat of wie mijn favorieten zijn. Criterium: minstens 10 boeken over het onderwerp of over of van de persoon.

Nummer 1 is ongetwijfeld Kafka (wat is het lang geleden dat ik nog iets van of over hem las!), op de voet gevolgd, misschien zelfs al voorbijgestoken door Rainer Maria Rilke. Toevallig (?) twee Duitssprekende lettermensen uit Praag en uit dezelfde periode. Drie wellicht George Sand, ook van nabij gevolgd of voorbijgestoken door Richard Wagner. Verder Friedrich Nietzsche (17 boeken, toevallig verleden week nog geteld), Etty Hillesum, Geerten Meijsing (allemaal begonnen met Erwin door Joyce & Co) het oriëntalisme, Fin de siècle Wenen, de Prerafaëlieten, de Camino de Santiago, Paula Modersohn-Becker, Thomas Mann, Jeanette Winterson, Marguerite Yourcenar, Marina Tsvetaeva, Artemisia Gentileschi, Martha Nussbaum, John Ruskin, Marcel Proust, Virginia Woolf, Ferando Pessoa, Herman Hesse, Ton Lemaire, al durf ik niet beweren dat ik bij Lemaire aan 10 boeken geraak, het zal er in elk geval niet ver van zijn. Hetzelfde kan gezegd van Levinas, Emile Verhaeren, Sylvia Plath, Susan Sontag, Marguerite Duras, Goethe…

 

Woensdag 20 mei 2020

De maandelijkse Nieuwsbrief van Het Beleefde Genot is de virtuele deur uit. Al onmiddellijk twee reacties. Eentje met een verwijzing naar een gesprek met Dirk De Wachter over Borderline op één of andere Nederlandse zender en het tweede met suggesties om lezingen op afstand te houden, niet vanop afstand, maar met een tussenruimte tussen de stoelen van 1,5 m. Ik vraag aan het bestuur om over de nabije toekomst van Het Beleefde Genot eens van gedachten te wisselen middels een videoconferentie.

Intussen bracht de postbode ook een CD die ik een paar dagen geleden besteld had. Nog maar eens een Requiem. Van Simone de Bonefont, « chainon manquant de la tradition franco-flamande ». Google Maps kent Bonefont niet, wel Bonnefond en Bonnefont, maar die liggen bij lange niet in Noord-Frankrijk of Frans-Vlaanderen. Over de figuur van Simone de Bonefont is weinig gekend, geboren rond 1500? Evenmin over zijn composities. Deze Missa pro mortuis mag er nochtans zijn en zeker als het Huelgas Ensemble voor de uitvoering zorgt. Wel een mooie uitzondering op de gangbare CD-releases: behalve het klassieke Frans en Engels, staat er ook een verklarende tekst in het Nederlands in het bijhorende boekje. Naast het Requiem van de Bonefont staan er ook nog vier versies van het middeleeuws antifoon “Media vita in morte summus”, “Midden in het leven staan wij in de dood”. “Media vita in morte sumus. quem quærimus adjutorem nisi te, Domine? Qui pro peccatis nostris juste irasceris Sancte Deus, sancte fortis, sancte misericors Salvator, amaræ morti ne tradas nos” “Midden in het leven staan wij in de dood, wie zoeken wij als onze Helper tenzij U, Heer, die terecht om onze zonden vertoornd zijt? Heilige God, heilige sterke, heilige, barmhartige Verlosser, lever ons niet over aan de bittere dood.”. Een weeklacht heel passend in deze tijd en ook tijdens de middeleeuwen in periodes van pest en hongersnood.

Het is bijzonder stil buiten als dit Requiem op de achtergrond klinkt. Hoe vluchtig de wolken ook zijn, ze ademen een sfeer van oneindigheid en eeuwigheid.

 

Donderdag 21 mei 2020

Vanmorgen de biografie van Michel Foucault uitgelezen. Altijd jammer als een (goed) boek uit is. Met boeken is het als met het leven: ze eindigen, met dit verschil dat je een boek kunt herbeginnen. Die uitspraak komt van mijzelf, niet van Foucault, die het doorgaans wat ingewikkelder verwoordde, ook de simpele zaken of wat volgens de meesten simpele zaken waren, nooit voor Foucault. Hij zag in elk fenomeen de complexiteit en zocht naar de oorsprong en de waarheid, zelf sprak hij graag over archeologie ervan. Veel citaten van Foucault zijn er niet verwerkt in de biografie van Didier Ebiron, ik wil er toch eentje tegen het licht houden, een fragment uit het voorwoord van L’usage des désirs, Het gebruik van de lust het tweede deel van zijn Geschiedenis van de seksualiteit: “Er zijn momenten in het leven waarop de vraag of je anders kunt denken dan je denkt en anders waarnemen dan je ziet, essentieel is om te blijven kijken en nadenken.” Ik zou dat in mijn eigen woorden formuleren: blijf vooral kritisch in al wat je denkt en ziet. In tegenstelling met wat we zouden denken ligt Foucault niet bergraven op Père Lachaise of Montparnasse en al helemaal niet in het Panthéon, maar in het kleine plaatsje Vendeuve in de Poitou, een eenvoudige gespikkelde marmeren zerk met een kitscherig porseleinen roosje erop. Zijn biograaf Didier Eribon, heb ik ook eens gegoogeld. Hij komt uit een arbeidersgezin uit de streek van Reims, daarover schreef hij een autobiografisch boek “Retour à Reims” (Terug naar Reims).” Als hij na dertig jaar terugkeert naar zijn milieu, dat vroeger heel loyaal stond tegenover het communisme, merkt hij dat ze zo goed als allemaal fan geworden zijn van het Front National. Is dat ook niet een beetje wat hier gebeurd is? Als de sp.a nu zo weinig leden en sympathisanten telt, is dat toch ook omdat de onderkant van de partij massaal naar het populistische Vlaams Belang is overgewaaid en de bovenkant naar Groen!

 

Vrijdag 22 mei 2020

Doktersbezoekje. Nja, veel wijzer ben ik niet geworden. Dezelfde medicatie verder blijven nemen en een paar keer in de week de bloeddruk controleren. Gezien het feit dat de bloeddruk een momentopname is, niet zo eenvoudig te interpreteren, tenzij het voortdurend té zou zijn. Enfin, wij doen voort. Intussen al even mijn eigen boek gelezen, dat op 15 november officieel verschijnt en voorgesteld wordt, maar eigenlijk al dateert van 2004. Hier en daar nog wat tikfoutjes, dus die moeten recht gezet. Op mijn laptop is de tekst in A4 opgeslagen, dat breng ik dus naar A5. Negen hoofdstukjes. Bij het begin van elk hoofdstuk zou ik een (abstract, minimalistisch) tekeningetje plaatsen –een paar fijne streepjes, niet meer – samen met een drietal versregels. Alles samen worden dat ongeveer 130 bladzijden vermoed ik. Bij één hoofdstukje moet ik ook een overgangsparagraafje toevoegen, want ik heb gemerkt dat de twee personen die de ik-figuur eerder ontmoet heeft en die hun weg gegaan waren, plots weer ex nihilo verschijnen. Allicht was dit hoofdstuk voor het vorige geschreven, maar goed met een korte verklarende paragraaf is dat weer snel aan elkaar gelijmd. De vrijheid van de schrijver, nietwaar. Ik was wel wat verwonderd over de inhoud, zo helemaal religieus-filosofisch. Nu ja mijn eerste titel of ondertitel die in mijn hoofd zat was in die tijd: “Een hedendaags omcirkelen van de theodicee”, nou erg intellectualistisch als je ’t mij vraagt, maar gelukkig heb ik dat wat poëtischer kunnen benoemen. Titel: “Een psalm tot het laatst”, (verklarend)e ondertitel: “Lijden en hoop in een tijdloze samenleving”. Met opzet gekozen voor ‘tijdloos’ want erg dubbelzinnig in de context, de lezer(es) moet het maar ontdekken. Negen hoofdstukken, negen liefdesbrieven aan een vrouw, Kassandra (uiteraard niet toevallig die naam, Kassandra in de Ilias de zieneres die alles voorzag, onder meer de val van Troje, maar er was niemand die haar geloofde). Die brieven vormen als het ware het kader voor de belevenissen van een ridder uit 16de eeuw – de eeuw van Montaigne en een knipoogje naar deze essayist zit er ook in verweven, en dat verhaal is tegelijkertijd ook een (om)kader(ing) voor 9 essays (Montaigne is daar al!) over vooral de vraag naar het waarom van het kwaad in de wereld. De dialogen moeten het puur beschrijvende en abstracte van de essays wat temperen.

 

Zaterdag 23 mei 2020

Colette, een vrouwelijke Proust? Ik weet niet wie dat gezegd heeft of misschien heeft niemand dat gezegd, maar ik kan mij best in die uitspraak vinden. Neem nu deze passage: “Het is puur de magie van het verleden die me daar naartoe brengt en me daar met dichte ogen laat staan – het verleden waarover ik me buig als over een dampende zwarte kop waaruit in blauwige kringels een mengeling opstijgt van herinneringen, slaap, illusies en spijt…”. Een kop koffie in plaats van een tas thee, en daar komen dan je kinderjaren terug! Magie ! A la recherche du temps perdu? Ja, maar wel twintig jaar voor de fameuze passage uit Du côté de chez Swann. Colette kreeg de eerste staatsbegrafenis voor een vrouw in Frankrijk. Dat was in 1954. Waren er dan geen vrouwen die in aanmerking kwamen? Of zijn die vrouwen misschien onsterfelijk? Colette is 81 geworden. Iconen als Simone de Beauvoir en Virginia Woolf waren unaniem over haar kwaliteiten als schrijfster. (“Niemand in Engeland kan zo schrijven” – V.W.) Alleen mis ik soms die heerlijke lange, rond zichzelf wentelende, nooit eindigende zinnen van Marcel, maar voor de rest: ja, wat een talent, die Colette!

 

Week 10 - 16 mei 2020

Donderdag 14 mei 2020

Doeschka Meijsing, een vrouw van mijn hart, al zou het niet gauw tot een toenadering gekomen zijn tussen ons. Het is niet omdat ik haar jongste broer bewonder, vereer dat het tussen ons zou moeten klikken. Maar ze schrijft prachtig. Bijvoorbeeld over de liefde in Over de liefde. Veel heb ik in haar roman niet onderstreept, in romans onderstreep ik trouwens zelden, tenzij prachtige zinnen, mooie woorden enz., maar geen diepzinnige ideeën, dat is voor essays of meer filosofische werken.

In leesvolgorde: “’What a piece of work is man’ prevelde ik Hamlet na.” (p.57) Hamlet, die naam alleen al, hoeveel keer heb ik dit stuk van Shakespeare gelezen? Vijfmaal? Zesmaal? Geen idee, maar nu is het toch een flinke tijd geleden. En dat Doeschka het niet zo op mannen begrepen had, weten wij al lang. Bladzijde 122 dan: “Wenen was een monolithische stad, met vele honderden mijlen land eromheen, geen zeekust die de geest liet waaien. Een opgesloten stad die zich de Turken van het lijf moest houden, een stad met kwijtgeraakte wingewesten vol grondstoffen, een stad van vergane glorie, slechts bewoond door ambtenaren en violisten.” Wat een rake beschrijving van Wenen. Een paar regels verder citeert ze ook een uitspraak van Clemenceau uit 1919: “L’Autriche, c’est ce qui reste.”. Ik denk dat ik nog één zin onderstreept heb (naar het schijnt is onderlijnd geen goed Nederlands, ik zou niet weten wat er aan mankeert, maar goed dan: onderstreept). O, toch eerst deze hier, toch een diepzinnige terloopse opmerking: “Waarom zou er geen waarom moeten zijn?” (p. 125). Zelf zou ik moeten vervangen door mogen, maar in de context is moeten hier wel op zijn plaats. En eentje voor de romantische ecologisten of de ecologische romantici. “… per vliegtuig, wat geen reizen is, maar verplaatsen.” (p. 151).

Ik merk nu dat mijn vorige aantekening al van tien dagen geleden dateert, ik had nochtans de bedoeling om elke dag wat neer te tikken in mijn dagboek, het is zelfs geen weekboek meer. Maar ik laat mij drijven door mijn eigen wispelturigheid. Mijn vorig boek dat ik uitgelezen heb, was van een heel andere orde. Ja ik let er wat op fictie af te wisselen met zogenaamde non-fictie, tot nu toe lukt dat aardig, als ik mijn lijstje van dit jaar tot op vandaag bekijk kom ik aan 22 non-ficties tegen 16 ficties. Bon, net vóór Doeschka Meijsing was er ook een Nederlandse schrijfster, een geleerde professor aan de Rijksuniversiteit van Groningen, Rebecca Hellemans. Het valt mij ook op dat er nogal wat vrouwelijke auteurs in mijn leesmandje zitten, bij non-fictie was dit zeker niet zo bedoeld, bij fictie doorgaans wel. Rebecca Hellemans dan: Cultuur. Zo heet haar boekje: Cultuur. Daarin legt ze niet echt uit wat cultuur is, dan wel wat anderen vonden wat cultuur is. In haar inleiding al citeert ze de onverbeterlijke Marcel Proust :”… dat kunst ons echte leven is, de realiteit zoals we die hebben gevoeld.” (p.7) en op de volgende bladzijde voegt zij eraan toe: “Het gaat Proust erom hoe we de werkelijkheid herinneren.” (p. 8) hoe we de werkelijkheid herinneren staat bij haar in italic, maar omdat ik geciteerde passages al in italic zet, heb ik dit even onderstreep (onderlijnd) hier. Op dezelfde bladzijde, iets wat min of meer een besluit kan zijn: “Zonder perceptievermogen of kritisch vermogen zijn we nergens, of zijn we terug waar we al waren: in de platte realiteit van alle dag.” Ik haat die platte dagen, maar gelukkig kan ik stellen dat ik nog nooit (zeg nooit nooit) een platte dag gekend heb. Zoals te verwachten heb ik heel wat zinnen onderstreept, bijvoorbeeld wanneer ze het over haar onderwerp Cultuur heeft en hoe dat af te bakenen, haar opmerking slaat trouwens niet enkel op cultuur, er is wel meer afbakeningsvervaging (en vaak hierdoor normvervaging) over een begrip. “… dat cultuur een containerbegrip is geworden waar allerlei vormen van kunst, muziek of literatuur in worden gegoten.” (p. 11). Ach, ik merk dat ik maar beter ophoud met overtikken, nu ik zie dat er op bijna elke bladzijde iets onder- of aangestreept is. Nochtans, als ik alles weer overlees (de streepjespassages bedoel ik) dan is er toch steeds weer die (h)erkenning en beaming. Omdat ze veel denkers over het fenomeen cultuur aanbrengt, heb ik ook hun namen onderstreept, telkens ze voor het eerst opdoken, de meesten waren mij wel bekend (beaming dus), over anderen hoorde ik voor het eerst, ook al noemde zij hun inbreng essentieel of cruciaal. Een van die crucialen is bijvoorbeeld Michel Foucault. Ik kom die nu al zoveel malen herhaaldelijk tegen in mijn boeken dat het hoog tijd wordt wat nader kennis te maken met de man, daarom ligt zijn biografie van Didier Eribon hier al klaar. Het grote gevaar loert al om de hoek: er zal om de haverklap verwezen worden naar werken van andere schrijvers, en die wil ik dan ook lezen. Alweer eens een bijzonder hoge besmettingsgraad in het vooruitzicht.

 

Vrijdag 15 mei 2020

Zojuist Tijd van Rüdiger Safranski herontdekt, ik wist niet eens meer dat ik het uitgeleend had. Straffe kost, dat wel en naar goede Safranskiaanse gewoonte bestaan de ondertitels van zijn hoofdstukken uit halve paragrafen. Het overtikken van alle onderstreepte passages zou me weer te ver brengen, ik pik er enkele uit. Om te beginnen al iets uit het voorwoord. Voorwoorden worden vaak overgeslagen, een truuk om dat te vermijden is: maak van je voorwoord een eerste hoofdstuk, dan wordt het beslist gelezen. Enfin, hier gaan we dan: “We staan onherroepelijk onder het bewind van de tijd. Des te beter dat we er op zijn minst mee kunnen spelen. In verhalen kunnen we ons vrij in de tijd bewegen – vooruit en weer terug. Misschien is dit wel het eigenlijke geheim van de aantrekkingskracht van literatuur.” (p. 15)En nog eentje uit dat voorwoord, een echte blikopener voor mij, niet dat ik worstelde met het doorgaronden van het idee Eeuwigheid, maar hier krijg ik toch een afdoende antwoord. Safranski: “Eeuwigheid is geen eindeloze tijd, maar iets anders dan tijd.” (p. 16) Wat mij doet denken aan de omschrijving van God door de Zwitserse theoloog Kart Barth: “Gott is der ganz Andere.”, waarmee volgens mij alles gezegd is: pieker niet verder, breek je hoofd er niet over: God is toch altijd anders dan zoals je Hem/Haar tracht voor te stellen. Een mooie quote over de romantici: “(De romantici) hebben de verveling, zoals al het afgrondelijke, met literaire betovering begiftigd.” (p. 26). Zoals al het afgrondelijke? Graag wat meer respect voor de verveling meneer Safranski. Maar die literaire betovering? Hm, dat wel natuurlijk: Baudelaire & Co (ik ben zo’n beetje een post-co). Verder heeft S. het ook over “die granieten mistroostige levenssleur”, kom, kom, niet overdrijven zeker? “De tijd is schaars. Hoe kan tijd eigenlijk schaars worden? Tijd zelf kan niet schaars worden, hij wordt alleen schaars in relatie tot bepaalde voornemens.” (p. 90). Op het eerste gezicht een open deur intrappen, maar een fundamentele waarheid die men niet kan weglachen. Al wat je doet vraagt tijd, een dagboek bijhouden bijvoorbeeld (en nog niet zo weinig tijd ook!), alles wat je daarnaast doet of wilt doen (brieven schrijven, tuinieren, boeken lezen, …) vraagt eveneens tijd, maar samen concurreren ze: schaarste is dan de term uit de econome. Kiezen dus. Lijkt simpel, maar wat te zeggen over de schaarse levensduur die de mens toegemeten krijgt? Hier heb je niet te kiezen, in het beste geval aanvaarden, want ook als je het niet aanvaardt ga je dood.

 

Zaterdag 16 mei 2020

Het begin van een coronadag bestaat uit een aantal regelmatige rituelen, je zou haast van een ceremonie kunnen spreken. Na opstaan en klaarmaken, hond buiten laten, gordijn in de keuken optrekken, Senseo aanzetten, boeter uit de frigo halen (niet voor mij), hond binnen laten, andere gordijnen optrekken, pillen uithalen, momenteel ook bloeddruk meten, krant uithalen met handschoenen, krant, handschoenen en sleutels, ontsmetten, CD opzetten (achtergrond), ontbijtje, stukje lezen in boek, dan krant doorbladeren, al naargelang de tijd, de raadsels oplossen. Tegen dan is het 10 uur, tijd om mij af te zonderen, laptop aanzetten, nieuws, mails en (losse) dagplanning opmaken.

Bij het kiezen van CD’s laat ik mij leiden door het toeval, ik neem telkens een willekeurige CD uit telkens een ander rek – er zijn14 rekken/laden. Vandaag had ik dan Schubert’s Winterreise vast, een heel oude opname uit 1954 met de bariton Hans Hotter en aan de piano Gerald Moore, een monument dus. Met Didier Eribons Foucault op de voorgrond lukt het allerminst om Schubert op de achtergrond te houden, dus regelmatig opgehouden met lezen om te luisteren naar het verhaal van die ongelukkige, afgewezen jongeling die in de koude winternacht ronddoolt. Ondanks de oude opname, heel mooi vertolkt. Sehnsucht neemt dan bezit van mij of noem het nostalgie: herinneringen aan prachtige uitvoeringen, aan prachtige opnames (Dietrich Fischer-Dieskau spant m.i. nog altijd onbetwistbaar de kroon), maar ook dat in gedachten dwalen in dat onbestaande dromenlandschap van de romantiek: de bron voor de stadpoort met de lindenboom, de postkoets met al zijn brieven, maar niet meer voor hem… En toch nog een hoofstukje opgeschoven in de biografie van Fouks, zoals sommige van zijn vrienden Foucault noemden, Fouks of Fuchs, de Duitse vos. Een hyper-intellectuele driftkikker die met weinigen overeen kwam (ik zit nog maar in zijn jonge jaren, hij is nog een twintiger), een volmaakt sarcast heb ik de indruk die met zijn ongenuanceerde opmerkingen anderen de bomen in kon jagen. Leuk is wel om al die andere namen die je zo links en rechts wel eens tegen komt, daar nu verzameld te zien: Sartre, Merleau-Ponty Blanchot, Lacan, Derrida, Barthes, Lyotard, Garaudy, Le Roy Ladurie (die van Montaillou, een verwoed communist, dat wist ik niet), Althusser (Foucault noemde zijn leermeester Thusse), René Char, de piepjonge Pierre Boulez, intussen ook al vier jaar gestorven en ik vergeet er nog wel een paar, want ik heb het boek hier niet bij me. Geen vrouwen in dit rijtje, al waren die er wel, maar voor mij wel onbekend, nu ja Foucault zelf was een notoire homoseksueel die niet zozeer sukkelde met zijn gevoelens (dat deed hij juist niet), dan wel met het niet mogen of kunnen uiten of beter met het onbegrip dat toen nog bij velen - intellectuelen en communisten – heerste. Dominique Fernandez – een nog notoirdere homofiel verweet Foucault trouwens zijn zwijgen daarrond. Althusser wond er geen doekjes om: Foucault is – na drie jaar actief lidmaatschap - uit de Communistische partij gestapt omwille van zijn geaardheid. Homoseksualiteit in het communisme was nu eenmaal not done en verwerpelijk. Straks vertrekt ik met hem naar Zweden, maar dat is voor morgen.

 

Week 3 - 9 mei 2020

Maandag 4 mei 2020

Het was zomer. Dat klinkt al behoorlijk voorbij. Het was. Die zomer behoort dus al tot het verleden, maar als wij over die zomer schrijven, zitten wij er nog midden in. Eigenlijk had ik liever geschreven: het bleef zomer, want iets dat bleef is er nog, want het blijft ook. Het bleef zomer is met andere woorden net hetzelfde als zeggen: het blijft zomer. Weinig werkwoorden hebben in de verleden tijd dezelfde betekenis als in de tegenwoordige tijd. Hoe dan ook: het was zomer en dat is ook de eerste zin, of beter het begin van de eerste zin uit het verhaal De Landweg van Regina Ullmann.

 

 

© Copyright 2020  ALLE RECHTEN VOORBEHOUDEN   hetbeleefdegenot.be

Contact: info@hetbeleefdegenot.be - tel. 0498/73.58.73

Laatst bewerkt: 18 oktober 2020

a