HET

BELEEFDE

GENOT

 vzw

hetbeleefdegenot.be
Home
    Even voorstellen
Wie is wie?
    Abonnement
Te beleven
Beleefd
Toverberg
Publicaties
Fotogalerij
Kunstenaars
 
Links
Contact
    Dagboek


HET BELEEFDE GENOT vzw

Coronadagboek Bart

 

      

 

Dagboek 2020 Dagboek 2021
   
  Februari 2021
  Maart 2021
  April 2021
Mei 2020 Mei 2021
Juni 2020 Juni 2021
Juli 2020 Juli 2021
Augustus 2020  
September 2020  
Oktober 2020  
   
   

 

Februari 2021

Maandag 8 februari 2021

Uit een vroeger essay van mij (Mijn tijd):

“'Het sneeuwde overal op de donkere vlakte in het midden van het land, het sneeuwde op de boomloze heuvels, sneeuw viel zachtjes over het Allen-moeras en meer naar het westen, waar ze zachtjes viel in de donkere, opruiige golven van de Shannon. Ze viel ook op het eenzame kerkhof op de heuvel waar Michael Furey begraven lag. Sneeuw lag hoog opgewaaid tegen de scheve kruisen en stenen, op de spiesen van het hekje, op de kale doornstruiken. Langzaam bezwijmde zijn ziel terwijl hij hoorde hoe de sneeuw lichtjes neerviel door het heelal en neerviel, lichtjes, als het einde der tijden, over al de levenden en doden.'

Heb je het gemerkt? Nee? Herlees het misschien nog even. Zie je dan hoe 'viel zachtjes' overgaat in 'zachtjes viel', en daarna als een echo 'lichtjes neerviel' en 'neerviel, lichtjes'?

Een subtiele en tegelijk sublieme retorische stijlfiguur, die allicht wel een naam zal hebben, maar daar gaat het hier niet om. De tekst komt uit een verhaal van James Joyce, De Doden.

Een van de briljantste intellectuelen van onze tijd, George Steiner, beweerde dat hij bij deze passage zijn 'absurde tranen' (sic) moest proberen te onderdrukken in het bijzijn van zijn studenten. Wat kun je anders doen dan zwijgen?

Ik denk dat ik vanaf nu stiltes ga verzamelen, te beginnen met de prachtigste seconde stilte die ik ken, de stilte na de laatste noot van Bartok's zesde en laatste strijkkwartet.”

 

Dinsdag 9 februari 2021

Misschien moet ik mij voor mijn dagboek beperken tot het citeren (en eventueel becommentariëren) van een passage die mij onder mijn ogen kwam en waarvan ik goeddunkend geknikt heb. ‘Fraai!’. Passages genoeg natuurlijk, wie leest met het potlood cq. bic (ooit kogelpen genoemd) in de hand kan wel genoeg onderstrepen, (het belangrijkste) aanstrepen (de moeite waard, maar doorgaans niet om in steen te beitelen, eerder iets wat specifiek tot het boek behoort).

Mijn laatst gelezen boek was Een doodgewoon leven van Karel Čapek. Hieruit, bladzijde 51: “Uiteindelijk zijn het vooral twee krachten die de levensloop voorwaarts schuiven: gewoonte en toeval.” Spreekt eigenlijk voor zich. Toeval en noodzakelijkheid, de menselijke wil en het determinisme en soms lopen ze in elkaar over.

 

Woensdag 10 februari 2021

"Ik moet zeggen dat ik niet zo blij ben met dit 'ontbladeringsproces'. Het ouder worden betekent niet, zoals Goethe schreef, 'een langzaam terugtrekken uit het openbare leven' - waar ik helemaal niets op tegen heb - maar een langzame (of, eigenlijk een plotselinge) verandering van de wereld van een plek bevolkt met bekende gezichten tot een plek die bewoond wordt door vreemden. Met andere woorden, ik ben niet degene die zich terugtrekt uit de wereld, maar de wereld verdwijnt voor mijn ogen." Hannah Arendt in een brief aan haar Amerikaanse vriendin Mary Mc Carthy.

Zo stelde ik mij ooit de ouderdom voor. Wanneer mag je je oud noemen? Als je meer doden onder je vrienden kent dan levenden. Ik maak geen optelsommetjes, maar ik vermoed en vrees dat ik zo stilaan de kaap van 50% nader. De helft van mijn vriendenkring is er straks niet meer, de andere helft dunt zienderogen uit.

Dat terugtrekken uit het openbare leven, dat heeft al een fikse aanvang genomen, ik aanvaard het gemakkelijk, zolang er nog die intimi zijn.

 

Donderdag 11 februari 2021

"Op de gezondheid van alle mooie vrouwen en hun minnaars!" Een welgemeende (en welgemikte) toost van Dolochov (Fedja) in Oorlog en Vrede.

Zie zo’n toost wil ik ook wel eens uitbrengen, uiteraard in het bijzijn van al die mooie vrouwen en in aanwezigheid of afwezigheid, maakt niet uit, van hun minnaars. En meemaken hoe ze zich dan, rood aangelopen, verslikken in hun Cava. ‘Gezondheid’ voeg ik eraan toe en trek een oogje naar een van hen.

 

Vrijdag 12 februari 2021

Vraag van Filip, voorzitter van de plaatselijke Davidsfondsafdeling, om twee gedichten uit te zoeken met de bedoeling die in een soort streaming van een online activiteit voor te lezen. Hij stelde de vraag ook aan vier anderen, twee ervan schrijven ook gedichten, de twee anderen misschien ook maar dat weet ik dus niet. Mijn criterium was: voorleesbaar zijn (dus geen cryptische kronkels, hoewel ik dit soort poëzie wel goed kan smaken) en klassiek, in die zin dat ze tot de canon behoren of er toch toe zouden kunnen behoren. Lang heb ik niet gezocht: De Taag is mooier dan de rivier die stroomt door mijn dorp van Fernando Pessoa en Een bijdrage tot de statistiek van Wislawa Szymborska. Het gedicht van Pessoa is nu wel niet cryptisch maar bezit toch een wat ik een metafysische ondergrond zou durven noemen, zeker in de laatste twee regels:

De rivier van mijn dorp doet denken aan niets.

Wie aan haar oever staat, staat enkel aan haar oever.

Wat kan het leven toch eenvoudig (en mooi!) zijn als je aan de oever van een beekje staat. Een perfecte Szene am Bach.

 

Zaterdag 13 februari 2021

"Realisten beschouwen de idealistische liefde als de sublimatie van frustratie." beweert Jeroen Vanneste in zijn overigens voortreffelijke studie over de roman: De wijsheid van de roman. Natuurlijk is dat soort dichotomieën alles behalve waar (u merkt het misschien: ik vermijd hier het woord realistisch), elke mens en zeker elke schrijver, dichter, kunstenaar is zowel realist als idealist, afhankelijk van de periode in je leven en allicht nog meer afhankelijk van de gemoedsgesteltenis waarin je je op het moment bevindt. Los daarvan vind ik dat er in die bemerking van Jeroen wel wat waarheid zit.

 

Zondag 14 februari 2021

Valentijnsdag. Straks zijn er geen dagen meer over om die te wijden aan een of andere (gecommercialiseerde) gedachtenis: vrouwendag, Halloween, dag van de arbeid, dag van dit, dag van dat. Elke dag is zo stilaan 'een dag van' geworden. Dag van de gewone dag ontbreekt nog, maar ik vrees dat er straks geen dagen meer resten in het jaar.

 

Maandag 15 februari 2021

Momenteel lees ik (zeer gedreven) het verhaal van Françoise Sagan, of beter het verhaal van een passie tussen de genoemde Françoise en de schrijfster van dit passioneel verhaal Annick Geille (met twee ll”en, al zou je het niet altijd denken). Reeds op de eerste bladzijde, bij het open graf van Françoise (zij is 69 geworden en had de laatste jaren al heel wat van haar pin-up voorkomen verloren) vinden wij: “Vriendschap heeft een dikke huid, terwijl de liefde zo broos en breekbaar is.” Wat ik kan beamen. Geille vergelijkt liefde zelfs met murano of dun Saksisch porselein. “Ja meid, (tot zichzelf dus) vriendschap slikt alle misverstanden, maar de liefde vergeeft niets”. Nu ik zowat over de helft ben van haar relaas valt het mij op dat ze hier met ervaring spreekt. Peggy Roche zat (bijna) altijd in de weg, vaak heel letterlijk. Liefde een bikkelharde leerschool, Flaubert wist het al.

 

Dinsdag 16 februari 2021

Nog eens Annick Geille. “Omdat geen man perfect is, had een vrouw twee minnaars, de een jong, de ander niet, hun gebreken en kwaliteiten vulden elkaar prachtig aan.” Zou dat, mutatis mutandis, ook gelden voor de onvolmaakte vrouw? Dat komt wel meer voor vermoed ik: een jonge maîtresse voor het spel, en de niet zo jonge, voor de ervaring en vooral de gemoedsrust, dit laatste des te belangrijker naarmate die man ouder wordt. Wat zei Faust ook weer in Goethe”s drama? “Zu alt um nur zu spielen, zu jung um ohne Wunsch zu sein”. De speelvogel in mij zegt (kwinkeleert) dat ik nog niet “zu alt” ben, maar ook speelvogels verouderen.

 

Woensdag 17 februari 2021

This is the way the world ends

This is the way the world ends

This is the way the world ends

Not with a bang but a whimper.

T.S. (Thomas Stearns, wie weet dat?) Eliot, de laatste regels van zijn monumentaal gedicht The waste Land, dat ergens in april begint, zoals iedereen weet (of zou moeten weten). De huidige pandemie zou ik nu niet bepaald een “whimper” noemen, anderzijds, wat is een hoge golf in de onmetelijkheid van de oceaan? Wat betekent een mensenleven tegenover de miljoenen, miljarden mensenlevens van nu en vroeger en misschien zelfs van later? Begrijp me niet verkeerd, hieruit straalt geen pessimisme of Weltschmerz van af, het leven dient in de eerste plaats ten volle geleefd te worden (al zijn er die miljoenen die dat eenvoudigweg niet kunnen), dan denk ik: wat maakt het leven het leven waard? Onze T.S. heeft er een al even simpel als diepgaand antwoord op: "Cultuur kan eenvoudigweg omschreven worden als datgene wat het leven de moeite waard maakt.” Cultuur dus, beschaving, cultiver son jardin.

 

Donderdag 18 februari 2021

“… frappeert het hem hoe onooglijk en smal het riviertje de Vivonne is en hoe weinig hij er terug kan vinden van vroeger.” Grootsheid en nederigheid in één enkele zin, het is de verteller uit Op zoek naar de Verloren tijd die tot deze gedachte komt. Marcel Proust als Heraclitus, de eeuwige terugkeer die echter nooit terugkeert. Ik kan het mij zo goed voorstellen: terugkeren naar de Vivonne in de hoop daar je jeugd of een glimp ervan terug te vinden. En ja, met je ogen dicht én staand aan de Vivonne, een fractie van een seconde moet dat mogelijk zijn. De rest zal stilte zijn, maar zo’n ontzettend mooie, gruwelijk liefelijke, door merg en been gaande stilte.

Nostalgie nietwaar. Soms ga je beter niet terug naar plaatsen die je je jeugd verloren hebt, mischien zijn die plaatsen er nooit geweest en denk je het maar. Where are all the flowers gone?

 

Vrijdag 19 februari 2021

Als ik even mijn voorbije dagboeknotities bekijk, dan merk ik nogal wat half uitgesproken nostalgie – wat voorbij is, is voorbij -, neigend naar grote melancholie. Nochtans zou ik dat willen tegenspreken, maar hoe, zonder in weer een nieuwe nostalgie te vervallen? Ondanks, of beter dankzij mijn leeftijd en levenservaring wil ik zoeken naar het mooie, het verhevene in een mensenleven. Zoeken wij het niet te ver? Is het “dat” niet belangrijker dan het “wat”? Het komt er toch op neer dat we beminnen, we dat we leven, dat we zijn en niet wat we liefhebben, wat we (be)leven, wat we zijn? Nu ja, het is weinigen gegund dit ter harte te nemen en meestal besef je dit pas als je leven zowat voorbij is.

War das das Leben?- Wohlan, noch einmal!. Met alles erop en eraan en eraf weliswaar: blijheid en droefenis, ontmoeting en afscheid, vreugde en pijn. Ik teken ervoor!

 

Zaterdag 20 februari 2021

“Rustig leven, vaste gewoonten van een gepensioneerde. Al dat dikke gemak moest ooit een keer begonnen zijn met een dag zonder schrijven, gevolgd door nog een dag, zo verliepen er drie, vier weken zonder het gekras van zijn pen op het ruitjespapier…” Tja, hoe herkenbaar voor deze gepensioneerde. Struikel één dag en je geraakt niet meer recht, of pas na veel moeite en uitstel. Een zelf verkozen dood die een leven duurde, schrijft Annick Geille enkele regels verder. Zover is het hier (nog) niet gekomen, dat is te merken aan de dertiende dagboeknotitie van dit jaar (intussen zijn we al de twintigste van deze kortste maand van het jaar). “Schreiben wie ein Form des Gebetes” noteerde Kafka ooit in zijn dagboeken (doet mij eraan denken dat ik die ook nog eens zou moeten herlezen om weer in the mood te komen). Ja, laten wij bidden. Maar het is die tijd hé! Le temps mange la vie en watndoe je eraan ? A la recherche du temps perdu, om in de Franse literaire sfeer te blijven.

 

Zondag 21 februari 2021

Nog een maand en het is weer lente, la primavera, al krijg je de indruk dat alles een maand naar voor is opgeschoven. Vivaldi heeft zich onsterfelijk gemaakt met zijn Lente, al hou ik meer van zijn Winter, zijn L’inverno, meer bepaald van dit ontroerend tweede deel, het Largo. Ontroerend maar ook grenzend aan de melancholie, wat doe je daar tegen? Andere muziek beluisteren al is juist Vivaldi de ideale kuur tegen zwartgalligheid en depressiviteit. Of lezen, de juiste boeken dan. “Colette lezen is een dosis antidepressivum.” Beweert Margot Dijkgraaf in haar bijzonder geslaagde (maar niet uitgediepte) studie over rebelse schrijvers in de Franse letteren, titel: Zij namen het woord. Tien rebellen van Madame de Sévigné, geboren 1626 tot Lydie, Salvayre, geboren 1948. Colette, geboren 1873, bengelt er ergens tussenin. Wel ik ben het volkomen eens met de uitspraak van Dijkstra: Colette lezen helpt tegen het zwarte beest. “Bega domheden”, schrijft Colette, “maar doe het met enthousiasme”. Kan ik perfect inkomen. En ook van haar: “Je schrijft geen liefdesroman terwijl je de liefde bedrijft”, al helpt het ene wel om het andere naar behoren te doen. Je mag zelf kiezen wat je voor het ene en wat je voor het andere neemt, maar geef toe het ene en het andere zijn inwisselbaar. Doet mij eraan denken dat ik de biografie van Colette door Judith Thurman nog klaar liggen heb om te lezen.

 

Maandag 22 februari 2021

Ik mag mijn dagboek dan wel een Coronadagboek noemen, opzettelijk heb ik nog weinig allusie gemaakt op deze pandemische tijden. In de eerste plaats omdat anderen dat in mijn plaats met veel gretigheid en vaak beschamende onkunde doen. De meesten ontpoppen zich als eerstelijns moraalridders (of, godbetert, tot experten). Wir haben es gewüsst, maar meer wij ‘weten’ het en vooral: beter dan de rest van het plebs. En dan zijn er ook die zielige pietluttige lieden die ons na elke mail overtuigend “blijf gezond” toewensen en besluiten met een rij hartjes-emoticons. En (ik citeer!) “gele hartjes, want de rode gebruik ik voor mijn familie (sic)”. Eigen familie eerst dus, geïnterpoleerd: eigen gezin eerst, dan eigen vrouw eerst en uiteraard eigen ikzelf eerst. Nee, geen Coronapraatjes van mij, maar – eerlijk is eerlijk – soms kom ik wel een goed artikeltje of een rake bespiegeling tegen over dit onderwerp. Zo de (korte) bijdrage van professor emeritus Rob Devos in het laatste nummer van de Uil van Minerva, onder de titel: Leren van Corona? Zelf citeert Devos het enfant terrible van de Franse literatuur, Michel Houellebecq: “Post-corona zal identiek zijn aan pre-corona, alleen erger”. Na een passage over de besparingen in de culturele sector, besluit Rob Devos met de volgende uitspraak: “Uit de crisis en zijn aanpak valt wellicht iets te leren voor een algemeen gezondheidsbeleid, voor het omgaan met vergrijzing en de strijd tegen sociale ongelijkheid, voor politiek beleid in het algemeen. Onder die voorwaarden zullen deze maanden geen pure ellende geweest zijn.” Ja, wat een gezever al over die Corona en de vooral over de immer verkeerde aanpak van de politici, virologen… de commentatoren weten het altijd beter. Begrijp je nu waarom ik nooit televisie kijk?

 

Dinsdag 23 februari 2021

Na het artikeltje van Rob Devos, is het de beurt aan dat ander, maar minder gekend enfant terrible, Lieven De Cauter die zich waagt aan een analyse van wat hij De biopolitieke uitzonderingstoestand noemt. Zoals het past en enigszins te verwachten is gooit hij er zijn favoriete namen tegen aan: Foucault, Agamben, Achterhuis (en zichzelf natuurlijk). Zijn uitlating: “Het uiteindelijke doel van de politiek is het algemeen belang, het goede leven voor alle burgers.” Het is alsof we hier (de ware) Machiavelli horen. In hoeverre zijn besluit dan realistisch is, durf ik niet beoordelen: “Dus in alle ellende is er hoop: de afgang van het neoliberalisme, de terugkeer van de verzorgingsstaat en de ondergang van het populisme.” Maar zijn laatste zin nuanceert die boude uitspraak dan weer: “Het hangt van de luciditeit en de actiebereidheid van alle burgers af welke richting het uiteindelijk zal uitgaan.”

 

Woensdag 24 februari 2021

“In hoeverre is een feministe geloofwaardig als zij haar ideeën niet waarmaakt in haar privéleven?” het komt van Katie Roiphe, een notoire feministe (uiteraard), journaliste, auteur en intussen ook professor aan een van die vele private universiteiten in de Verenigde Staten. Beroemd of misschien beter berucht geworden met haar eerste boek The Morning After: Sex, Fear and Feminism on Campus, haar andere boeken betreden zowat analoge paden: veel seks en aansluitende moraal. De meeste – ik druk mij beter iets voorzichtiger uit – nog al wat feministen zijn in datzelfde bedje ziek of toch wat onwel. Nu om terug te keren naar haar uitspraak over het privé leven. Ik denk dat dit waar is, maar dat is tevens waar op de andere domeinen van je openbaar respectievelijk privéleven. Geen twee maten en twee gewichten. Word wie je bent en wees daar niet te selectief in. Anderzijds is het zeker zo dat de (normale) mens doorgaans tegenstrijdige karakters of hoedanigheden in één persoon kan verenigd hebben. Een realist kan bijwijlen heel romantisch zijn, een progressieveling kan soms heel conservatieve standpunten huldigen, dat lijkt in tegenspraak, maar vaak is dat verenigbaar of althans begrijpelijk.

 

Donderdag 25 februari 2021

Madame de Staël (1766-1817), feministe avant la lettre die volgens Lord Byron een overdonderende persoonlijkheid bezat, had ook zo haar eigen ideeën. “In een monarchie worden vrouwen belachelijk gemaakt, in een republiek worden ze gehaat.” En in een democratie? denk ik dan. Om wat stout te zijn (zoals Madame de Staël) zou ik stellen: en in een democratie worden ze gedoogd. Begrijp mij niet verkeerd, ik wil onze Madame de Staël niet belachelijk maken, integendeel ze had een heldere en voor haar tijd erg vooruitstrevende geest, visionair zelfs, want ik onthoud van haar ook: “Il faut dans nos temps modernes, avoir l'esprit européen”, uit haar in Frankrijk verboden boek De l’Allemagne. Hiermee schopte ze namelijk Napoleon tegen de schenen die haar prompt zou verbannen. Hoe dan ook: Il faut dans nos temps modernes, avoir l'esprit européen” is mijns inziens vandaag nog steeds heel waar (en waardevol).

 

Vrijdag 26 februari 2021

Wat is normaal? Vroegen Ignace De Visch en Jean-Paul Van Bendegem zich af en De Visch gaf de aanzet: normaal veronderstelt altijd een abnormaal. Dit vanuit de gekende zegswijzen: ‘doe eens normaal’ en ‘de uitzondering bevestigt de regel’. Eigenlijk ben ik niet akkoord, het omgekeerde is volgens mij eerder waar, het abnormale veronderstelt een normaal. Het abnormaal heeft het normale als referentiepunt en niet (noodzakelijk) omgekeerd. Normen (want daar gaat ten slotte om) worden toch niet opgesteld om het potentiële abnormale te beteugelen maar eerder om een aanvaardbare status vivendi te legaliseren en ja, wie niet aan de norm voldoet, mag je abnormaal of eerder ‘innormaal’ (maar dat woord bestaat niet) noemen. En natuurlijk is al wat normaal genoemd wordt zowat een grootste gemene deler, toegepast op (alle) mensen: niemand is normaal of kan normaal zijn, de grootste gemene deler is één, het individu. De ideële stoel van Plato bestaat niet (maar is wel een leuke metafoor die een bepaalde logica kan vergemakkelijken). Op de gekende, vaak geafficheerde uitspraak – ik herinner mij dat zo’n affiche in de wachtkamer van een psychiater hing – “Ooit een normaal mens ontmoet?” kan je niet anders antwoorden dan met “Neen” want mocht je een normale mens ontmoet hebben, dan moet die juist door zijn uitzonderingspositie heel abnormaal zijn.

 

Zaterdag 27 februari 2021

Marcel Proust als idealist: “Het belangrijkste in het leven is niet wat je liefhebt, maar dat je liefhebt.” Heel zijn Op zoek naar de verloren tijd is ervan doordrongen. Dit leidt onvermijdelijk tot het afwijzen van de liefde als een illusie, maar dan wel een illusie die het proberen én de moeite waard is. Om het met Don Quichot (of Cervantes) te zeggen: “De weg is altijd beter dan de herberg”. Wat is het leven anders? Een voortdurend onderweg zijn. Waarheen? Speelt eigenlijk geen rol, zeker als je weet dat de eindbestemming hoe dan ook de dood is. Dus let’s make love. En dat zoiets liefdespijn veroorzaakt (Albertine disparue), ja dat hoort er nu eenmaal bij, kan ook tot op zekere hoogte (!) gecultiveerd worden. Van elkaar gescheiden brengt de liefde geen voldoening, samen lukt het ook niet, wat dan? Finaal de Liebestod natuurlijk, die bewustwording schept fenomenale drama’s, maar voor de gelieven is het maar niets. Romeo en Julia, Tristan en Isolde, wondermooie muziek, maar je gaat maar Isolde zijn.

 

Zondag 28 februari 2021

Helder weer. (Uit het dagboek van Thomas Mann, bij hem terwijl de wereld in brand stond, bij mij terwijl de Coronapandemie honderdduizenden slachtoffers maakt).

Is het dat wat mij bezig houdt? Natuurlijk niet, maar het is een bijzonder probate manier om eens naar frisse adem te happen, stoom af te blazen zoals dat heet. Beginnen over het weer, en als het dan nog eens helder weer is, des te beter.

 

Maart 2021

Maandag 1 maart 2021

Ik ben al een tijdje bezig met Susan. Sue Rosenblat. De tweede man van haar moeder heette Sontag en dus werd het Susan Sontag, S.S. meer dan een icoon van de tweede helft van de XXe eeuw. Ik heb hier nog niet expliciet naar haar leven of werk verwezen. Wachten tot die erg gesmaakte biografie over haar van Benjamin Moser uit is, duurt misschien te lang, alhoewel het boek leest ‘als een trein’, een sneltrein uiteraard, maar zo’n 700 bladzijden lees je ook niet in één ruk na elkaar. Daarin staan aardige passages en ook interessante oneliners, die laatste zijn niet zonder risico, zeker als ze van Susan zelf komen aangezien ze tijdens haar leven 1) nogal eens compleet veranderde van opinie 2) fijnzinnig liegen een veel voorkomende slordigheid was, een beetje haar handelsmerk. Maar als stevige uitspraak kunnen ze soms tellen. De eerste zin die ik onderstreept heb staat al in de inleiding en dekt al een aardig stuk van haar leven: ‘Kunst maakte de teleurstellingen in haar leven misschien niet goed, maar was wel een onmisbare pijnstiller.’ Pas bij het verder lezen besef je hoe onmisbaar dat woordje ‘onmisbaar’ wel is, en ik ben nog niet eens aanbeland bij haar bezoek aan Sarajevo!

Morgen meer over Susan.

 

Dinsdag 2 maart 2021

Al die zielsverwanten - nou ja misschien is dat wat te sterk uitgedrukt, laat ik hen beter als gemeenschappelijke kennissen aanduiden - die ik ontmoet in de biografie van Susan Sontag, waardoor Susan ook een zielsverwant is natuurlijk (wat ik in feite al vermoedde, meer zelfs al zeker van was). Om te beginnen die geheimzinnige Djuna Barnes en haar Nightwood (Nachtwoud). Een van die zo goed als vergeten cultboeken die echter heel veel zeggen over het toen heersende tijdsgewricht en wat er zich zoal roerde in bepaalde kringen. Ja, te herlezen (al heb ik dat verleden jaar al gedaan).

Nachtwoud verscheen in 1936, Susan was toen drie jaar. Nightwood gaat in sé over de lesbische relatie tussen Djuna en de kunstenares Thelma Wood (vandaar Nightwood) midden in het Parijse (nacht)leven van het interbellum. Sex, drugs and rock and roll en daarbij een (over)dosis André Breton… vlot leesbaar zou ik het niet noemen, maar het beklijft wel. En dan zijn er nog Walter Benjamin, Joseph Brodsky, Camille Paglia, Andy Warhol (die oplichter), Hannah Arendt etcetera. Ook enkele interessante fotografen ontmoet die ik niet met name kende, maar wel (een deel van) hun werk, enkele beroemde foto’s van hen, zoals dat jongetje met zijn afgezakte bretel en een speelgoedgranaat (waar halen ze het, die ouders?) van de fotografe Diane Arbus of Peter Hujars (details van) (mannelijke) naakten en zeker de reeks van foto’s van een liggende Sontag met gebreide trui aan.

 

        

 

Woensdag 3 maart 2021

De strijkkwartetten van Henryk Górecki – tot nu toe stonden ze daar meer omdat het strijkkwartetten waren en dat Górecki mij wel ligt, maar echt ernaar geluisterd had ik nog niet, ten onrechte heb ik nu vastgesteld. Niet meteen licht verteerbaar – hiermee voldoet hij aan het beeld dat ik van zijn landgenoten heb, Krzysztof Penderecki en Karol Szymanowski: weerbarstig en nogal gesloten. Maar als je de moeite doet even te stoppen met lezen of schrijven en je oor ‘te luisteren legt’ naar de strijkkwartetten van Górecki, dan ontdek je wel een zekere schoonheid, een esthetiek die dicht bij ethiek staat (of beeld ik mij dat in?). Zie Susan Sontag en Joseph Brodsky en nog een paar anderen: ‘Esthetiek is de moeder van de ethiek.’ De (soms Poolse) bijnamen die Górecki aan zijn kwartetten geeft dragen, uiteraard zou ik zeggen, weinig bij tot een beter inzicht of het smaken van de muziek. (Vertaald) luiden die voor zijn eerste strijkkwartet uit 1988 ‘Het schemert al’; zijn tweede kwartet uit 1991 ‘quasi una fantasia’ en zijn derde strijkkwartet, begonnen in 1995, afgerond in 2005 ‘liederen zijn gezongen’.

 

Donderdag 4 maart 2021

Zopas bij Boekwinkeltjes.nl (een schat aan tweedehandsboeken) vier werken van Susan Sontag besteld. Over fotografie, een standaardwerk; Over interpretatie, laatste exemplaar, nog standaarder misschien; Onder het teken van Saturnus en haar eerste echte roman De weldoener (voor een prikje: 3 euro, de verzendingskosten zijn duurder dan het boek). Ja allemaal in vertaling, ik geef toe dat een originele versie in het Engels misschien wel zou lukken, maar dat ik toch veel zou missen en ik wil ook niet vastgekluisterd zitten aan een woordenboek, wat weinig bevorderlijk is voor de verstaanbaarheid omwille van die onderbrekingen. Bestellen is een zaak, ontvangen is ook een zaak, op een paar uitzonderingen na is dat altijd gelukt – soms vraagt men het bestelde te beoordelen nog voor ik het ontvangen heb – lezen is een heel ander paar mouwen, vooral dat ze dan meestal terechtkomen in een steeds langer wordende rij van wachtenden en dit geprojecteerd op een steeds korter wordende levensverwachting…, geen tijd te verliezen dus. De traditie wordt weer eens bevestigd: bij elk boek dat ik lees-, dienen er zich vier, vijf, zes andere aan die ik dan ook wil lezen, zelfs het Coronavirus vermenigvuldigt zich niet zo snel. Intussen zal ik dan meer dan tien Sontagse boeken hebben, twee van haar drie postuum uitgegeven (en vertaalde) dagboeken wil ik eerst lezen (na de biografie van Moser), het eerst verschenen dagboek heb ik (heel graag) gelezen. Maar we zullen nog zien.

Doet mij ook eraan denken dat ik mijn boeken niet louter alfabetisch moet ordenen, maar volgens clusters en buiten die clusters dan alfabetisch naar auteur. Een notitie voor morgen.

 

Vrijdag 5 maart 2021

Mijn boekenclusters. Eerst criteria opstellen voor wat in een cluster hoort. Ik zou zeggen: elk onderwerp of auteur waarvan of over wie ik tien of meer boeken bezit horen tot een cluster. Even nadenken (in willekeurige volgorde) welke clusters dit zouden kunnen zijn. Kafka, ongetwijfeld de sterkst uitgebouwde cluster (anderhalve meter boeken denk ik), Friedrich Nietzsche, een dertigtal denk ik, waarvan ik de meeste werken van de filosoof zelf nog moet (wil) lezen, George Sand, een oude liefde (omwille van haarzelf en haar streek, de Berry), Rilke, Richard Wagner, Paula Modersohn-Becker en bij uitbreiding Worpswede, Marina Tsvetaeva, Oriëntalisme (meer bepaald in de ogen van de Westerlingen uit de XVIIIe en XIXe eeuw), Thomas Mann, Susan Sontag (daar is ze), Spinoza, Machiavelli, Wenen Fin-de-siècle, Goethe, Johann Sebastian Bach, Etty Hillesum, Herman Hesse, Hannah Arendt, Jeanette Winterson, Virginia Woolf (en de Bloomsburygroep), Maarten Luther, John Ruskin en de Prerafaëliten, Marcel Proust, Fernando Pessoa, James Joyce, Marguerite Yourcenar, Marguerite Duras, Martha Nussbaum, Geerten Meijsing en Richard Powers wellicht net niet… dat zal het stilaan zijn zeker? Tja, veel Duitsers zo te zien, het Angelsaksische luik is duidelijk minder vertegenwoordigd.

 

Zaterdag 6 maart 2021

Wat maakt een kunstwerk tot een kunstwerk? Of beter gezegd: wat maakt een kunstwerk van dit (kunst)werk? Maar dan vanuit het oogpunt van de kunstenaar. Je hebt iets in je hoofd, maar dan heb je je handen en hun gewoontes. Daar kan je niet vanuit. Wat je tenslotte schept heeft zelden gehoorzaamd aan de gewoontes van je handen, brengt iets anders voort en ja, je moet bekennen, er zit iets in (vaak ook niets), het kan doorgaan voor een kunstwerk, al is het soms ver van het beoogde (gedachte) werk dat je in je hoofd had. De kleuren zijn anders, de vegen van je borstel draaien anders uit op het doek om van de uiteindelijke vorm maar te zwijgen. De Franse schrijfster Lydie Salvayre beweerde ergens: ’De mislukking is het principe van ieder kunstwerk. Er zit een onmogelijke coïncidentie tussen het gedroomde project en zijn voltooiing’, wat dus mijn voorgaande redenering enigszins tegenspreekt, want bij mij is er geen sprake van een mislukking, tenzij je het anders uitvallen van een gedachtenconstructie een mislukking wilt noemen. Over die ‘onmogelijke’ coïncidentie tussen gedroomde, gedachte, vooraf ingebeelde project en het uiteindelijk resultaat, daar zit wel iets in, maar dat ligt niet aan een mislukking, eerder aan het toeval, het noodzakelijk toeval eigenlijk. Ik denk dat er weinig, zelfs geen, durf ik stellen, kunstwerken beantwoorden aan het vooraf in het hoofd van de kunstenaar uitgewerkte model, meer zelfs heel wat (de meeste?) kunstwerken ontstaan in de loop van het tot stand komen, zelfs met literatuur is dat zo. Welk schema je ook in je hoofd hebt, desnoods uitgetekend hebt (met daar al ‘schematische’ aanpassingen, nooit zal je verhaal of je roman er zo uitzien, onderweg ontmoet je onvoorziene aftakkingen waarbij het zonde zou zijn die niet te exploreren. Hierbij is zeker niet gezegd dat inspiratie gekoppeld aan intellect en associatievermogen nutteloos zijn bij het vervaardigen van een kunstwerk of roman, integendeel. Het enige wat ik wou zeggen is dat er tussen het beeld en de uiteindelijke realisatie een discrepantie zal bestaan, waarvan de toeschouwer of lezer niet op de hoogte is of kan zijn (en niet hoeft te zijn). Dit voorafgaand beeld is evenwel noodzakelijk – geen wit blad mag wit blijven –, meer zelfs het is misschien niet noodzakelijk maar toch welkom als je over een aantal kapstokken beschikt, zoals dat in deze dagboekaantekening was met het citaat van Lydie Salvayre, en daar dan op voortborduren, zonder te weten waar je gaat uitkomen.

 

Zondag 7 maart 2021

Nog eens Susan Sontag – intussen is Mosers biografie over haar al een tijdje uit, ben ik al begonnen aan In Amerika van Sontag. Een anekdote die niet in de biografie staat maar die Moser mij zelf verteld heeft bij de voorstelling van zijn boek, goed anderhalf of twee jaar geleden in Boekhandel De Reyghere. Tijdens een interview voor een of ander televisiestation steekt Susan haar vierde sigaret op, en ‘Ja’ zegt ze ‘ik ben ook opgehouden met roken.’ Kan niet typischer Susan Sontag zijn. Opvallend is ook dat ze zonder blikken of blozen – sterke persoonlijkheden kunnen zich dat veroorloven – niet alleen van mening verandert, maar soms frontaal ingaat op wat ze een paar jaar eerder had geschreven. Nu, zo buitengewoon is dat wel niet, een mens, en zeker een wijs mens, komt wel eens terug op wat hij vroeger heeft beweerd. Levenservaring heet dat en levenservaring heeft ze stellig opgedaan, zeker toen ze naar Sarajevo trok om daar tussen de puinen van een te gronde gerichte stad en het voortdurende gevaar van sluipschutters en Servische bombardementen, Samuel Beckets Waiting for Godot op te voeren, met plaatselijke hongerige (letterlijk) acteurs en actrices. In Amerika  is trouwens opgedragen ‘Voor mijn vrienden in Sarajevo’.

 

Maandag 8 maart 2021

In haar Dagboeken laat Susan Sontag desalniettemin haar onzekerheid omtrent zichzelf doorschemeren en is ze vaak bijzonder kritisch omtrent haar houding. Benjamin Moser zegt het zo: ‘In haar dagboeken spaarde ze zichzelf niet – al was ze daarin altijd op zichzelf gericht. Dat is natuurlijk ook waar dagboeken voor bedoeld zijn.’ Is dat zo? Dat dagboeken bedoeld zijn om je zelf aan te spreken? Zoals pubers hun dagboekaantekeningen vaak beginnen met ‘Dag dagboek?’. In die zin schrijf ik niet echt dagboekfragmenten, eerder losse notities, mijmeringen, persoonlijke beschouwingen. Blog zou ik het moeten noemen, maar ik verafschuw dat woord, klinkt zo log(boekachtig), zo digitaal (pejoratief bedoeld dus). Nu, in een van de dagboeken van Susan Sontag lezen we: ‘Een van de belangrijkste (sociale) functies van een dagboek is juist dat het heimelijk door andere mensen kan worden gelezen.’ Ook typisch Susan hoor. Is schrijven niet altijd bedoeld als een communicatie met de ander? En heeft Susan niet uitdrukkelijk aan haar zoon gevraagd om haar dagboeken na haar dood te publiceren, mits hier en daar wat op te schonen?

Ook van haar, maar niet in haar dagboeken, maar in een essay: ‘Waarom de dagboeken van schrijvers zo interessant zijn? (..) dat we in het dagboek de schrijver in de eerste persoon meemaken; we maken kennis met het ego achter de maskers die het draagt.’ De maskers van het ego, het zou een titel van een essay kunnen zijn. Ik begin er niet aan, wellicht wel uit schrik mijn onappetijtelijke zelf tegen te komen.

 

Dinsdag 9 maart 2021

‘Fotografie is de inventarislijst van de sterfelijkheid.’ en ‘Fotograferen is in essentie een daad van niet-ingrijpen.’ Tweemaal Susan Sontag in On Photography. Terwijl je spontaan zou denken dat fotografie juist iets is om een werkelijkheid te vereeuwigen of in elk geval een ooit bestaande werkelijkheid, en in dat bestaande ligt de link naar die inventarislijst. Hoe vol nostalgie kunnen ze niet zijn, die kiekjes van oude gebouwen met kleine mensjes op de voorgrond, die intussen allemaal gestorven zijn. Verleden tijd en zo gaat het met elke foto, hoe fris de afbeelding er ook mag uitzien, er zit een forse dosis vergankelijkheid in die al begint vanaf het ogenblik dat de foto genomen is. En dan die daad van het niet ingrijpen. Ja natuurlijk, alleen al omdat de je het huidige ogenblik van de opname overgeeft aan een voorbij verleden. Maar kun  je wel ingrijpen? Misschien in je geheugen en daar een eigen verhaal van maken – ook dat is immers ingrijpen, niet wat het was, maar hoe je het in je geheugen gekneed hebt.

 

Woensdag 10 maart 2021

Zopas mijn installatie voor de kunstroute pARTcours 2021 voltooid. Een eye catcher noemde Valerie van de cultuurdienst het. Tja, als het dat inderdaad zou zijn, dan verwacht ze blijkbaar niet veel van de anderen. Persoonlijk vind ik het ook wel geslaagd, maar niet meer dan dat, zeker niet het meest originele kunstwerk. Wie daar een Aha-Erlebnis bij krijgt heeft nog niet veel meegemaakt, denk ik. Bedoeling was op dat ergens binnenskamers te installeren, maar aangezien die optie nu wegvalt zal ik moeten uitkijken om dat ergen buiten neer te poten. Het probleem zal dan de verankering zijn, want het geheel valt nogal licht uit, het minste briesje zou er voor zorgen dat heel de installatie het op een rollen zet.

 

Donderdag 11 maart 2021

Een gesprek kan niet altijd beginnen met ‘Hoe gaat het?’, zeker niet in deze halfslachtige lockdowndagen. Wat bijvoorbeeld te denken van: ‘En, hoe voelt het leven dezer dagen?’, klein detail, maar onverwacht belangrijk: het kleine woordje ‘En’ aan het begin van de zin. Zoals Isolde bij de stervende Tristan zingt:

 

Doch unsre Liebe,
heisst sie nicht Tristan
und - Isolde?
Dies süsse Wörtlein: und,
was es bindet,
der Liebe Bund,
wenn Tristan stürb,
zerstört' es nicht der Tod?

 

Maar onze liefde,
Is haar naam niet Tristan
en Isolde?
Dit lieve woordje: en,
wat het bindt
het liefdesverbond,
wanneer Tristan sterft
vernietigt de dood het niet?

 

Het kleine woordje ‘en’ dus. Nou ja, hoe voelt het leven? Wat kun je daarop antwoorden? Als je er niet dieper wenst op in te gaan zeg je gewoon ‘goed’, waarmee het gesprek gesproken is. Je kunt natuurlijk antwoorden en de woorden van Isolde citeren, in de veronderstelling dat de vraag van je geliefde komt, maar ik heb reden (en ervaring) om aan te nemen dat je dat soort vragen niet aan je geliefde stelt, zeker niet in het begin van de relatie. Zo’n antwoord geef je dan ook niet, tenzij misschien geschreven liefst in een brief dan, geen mail of nog erger een Whatsapp.

Over die begin ’en’ nog eens. Die ‘en’ doet dus dienst als pre-ijsbreker (ja, ik zoek het wat ver hoor), de eigenlijke ijsbreker is dan ‘hoe voelt het leven dezer dagen?’. Zelfs die ‘deze dagen’ voelt wat verzachtend aan, minder existentieel dan ‘hoe voelt het leven?’ tout court, want dan belanden we steevast in een filosofische kwestie. Interessant, dat wel, maar niet aan dat terrastafeltje als je net twee koffies besteld hebt.

 

Vrijdag 12 maart 2021

Zopas Het lied van de onbeminde (La chanson du mail-aimé) van Guillaume Apollinaire gelezen. Ik geef grif toe, ik zou het nog een tweede maal moeten lezen, met onmiddellijk  de aantekeningen van de vertaler Paul Claes naast mij (die heb ik nu pas achteraf gelezen). Ik ken geen werk dat meer tot het Symbolisme behoort als dit hier, zelfs bij Baudelaire niet. Symbolisme, surrealisme… de twee stromingen firten hier met elkaar. Een probleem bij dat soort symbolische poëzie is natuurlijk het feit dat wij nu in een totaal andere tijd leven, veel van wat toen bon-ton of (voor kunstenaars) gesneden brood was, is nu totaal vergeten, neem nu de achtste strofe uit het eerste deel: ‘L’époux royal de Sacontale / Las de vaincre se réjouit / Quand il la retrouva plu pâle / D’attente et d’amour yeux pâlis / Caressant sa gazelle mâle’ In de vertaling van Paul Claes: ‘Sjakoentala’s vorst en gezel / Was moegestreden maar verlijd / Haar weer te zien met bleker vel / En blikken vol begerigheid / Streelde zijn meisje haar gazel’. Noch ervoor, noch erachter enige toespeling op die strofe. Sacontale/Sjakoentala? Zegt ons nu niets meer – op het eerste gezicht althans. Maar wacht eens even. Camille Claudel maakte toch ooit een beeld dat ze Sakountala doopte?

 

En, vertelt Paul Claes, Apollinaire schreef ooit een gedicht Sakountala, dat hij opdroeg aan Pablo Picasso, bovendien schreef die andere dichter, Théophile Gautier een libretto voor een (vergeten) ballet L’anneau de çacountala van de (eveneens vergeten) componist Ernest Reyer. En wie is die Sjakoentala nu eigenlijk? Zij was de protagoniste van een vijfde-eeuws Indisch drama van de dichter Kalidasa. Zij was de geliefde van koning Doesjanta, van wie zij een liefdesring kreeg. Maar zij verloor de ring en vluchtte naar het woud waar ze leefde in gezelschap van een tamme gazelle. Als de koning haar na lang zoeken vindt, neemt hij haar alsnog tot vrouw. Verwachtte Apollinaire, le mal-aimé, ook zoiets? Zijn geliefde, de Engelse gouvernante Annie Playden, was er vandoor gegaan naar Londen en liet Guillaume verweesd achter en dus ging hij (tevergeefs) naar haar op zoek in die stad.

 

Zaterdag 13 maart 2021

De zeven zwaarden, zo heet de zesde sectie uit Het lied van de onbeminde van Guillaume Apollinaire. Weer zo’n uitermate gecondenseerde symbolische poëzie, een sectie die even obscuur als obsceen is, schrijft Paul Claes. Het is niet te verwonderen dat die zwaarden een seksuele connotatie hebben, hoef je geen symbolist voor te zijn. Zoals in de Middeleeuwen gebruikelijk was hebben de zwaarden namen gekregen. de eerste strofe van Les sept épees vangt aan met ‘La première est toute d’argent / Et son nom tremblant c’est Pâline’, door Claes vertaald als ‘Het eerste zwaard is zilverwit / Zijn bevende naam is Balein’. Daarover zegt hij dat Pâline het verkleinwoord is van pâle, bleek dus en volgens een Franse commentator een anagram van la pine (pik). Dus komt Claes met de volgende uitleg: omdat de geliefde elke seksuele toenadering afwijst, blijft het lid van de minnaar bleekwit, bevend en kil. De rest van de verzen zijn al even cryptisch voor wie er geen achterliggende commentaar bij heeft, en je moet al behoorlijk thuis zijn in de middeleeuwse legenden en de antieke wereld met zijn fantasierijke mythologie om zelfs die commentaar naar waarde te snappen. Maar met die commentaar, bezorgt een (trage) lezing je een verbluffende poëtische ervaring. Die symbolisten toch, nou ja het waren mannen nietwaar, allen uit hetzelfde hitsige hout gesneden. Anderzijds, het moet niet altijd doodnuchter en hyperreëel zijn, heerlijk om toch af en toe te (dag)dromen.

 

Zondag 14 maart 2021

Nog eens Górecki. Zijn bekendste werk, de derde symfonie. Sinfonie der Klagelieder / Symhony of Sorrowful Songs. Volledigheidshalve: Symfonia Pieśni Żałosnych, de symfonie van de klaagliederen dus. De muziek dringt door tot op, nee tot in je merg en zeker het tweede deel, Lento et Largo – Tranquillissimo , traag en breed – zeer stil. De tekst van de liederen doet hier en daar denken aan de Mauthausenliederen (tekst van Iakovos Kambanellis): Vertel me toch waar m’n liefste is; bij Górecki: Kajze mi sie podzioł mój synocek mił? / Waar is hij heen, mijn liefste zoon? Maar het schrijnendst is natuurlijk de tekst die Henryk Górecki gebruikte voor dit huiverende tweede deel: ‘Nee, moeder, huil niet. Allerzuiverste moeder Gods, bescherm mij altijd. Ave Maria.’ De tekst die gegrift stond op de wand van cel. Nr. 3 in het hoofdkwartier van de Gestapo (‘het Paleis’) in Zakopane – by the way, Zakopane was het dorpje waar de zangeres Maryna Zalevska uit In Amerika van Susan Sontag op vakantie placht te gaan -. Onderaan die woorden staat ‘Helena Wanda Błażusiakówna, 18 jaar oud, gevangen sinds 26 september 1944’. Het is dan ook de muziek van Górecki en de stem van de sopraan die het geheel zijn zeer ontroerend en striemend karakter bezorgt. Welke uitvoering? Momenteel de London Sinfonietta onder leiding van David Zinman met als sopraan de Amerikaanse Dawn Upshaw. Nog altijd een referentie-opname en die betekende ook de doorbraak van Upshaw in 1993. Ja die Górecki hé, daar word je niet goed van. Naar dat soort muziek moet je heel gedoseerd luisteren, heel af en toe eens. En je moet ook alleen zijn, vind ik, om een beetje die eenzaamheid van dit meisje (mee) te kunnen voelen.

 

Maandag 15 maart 2021

Vivian Gornick in Een vrouw apart en de stad (zeer zeker, ze is een vrouw apart en de stad is New-York).

“Er bestaan twee soorten vriendschap: die waarin mensen elkaar stimuleren en die waarin mensen zichzelf moeten stimuleren om bij elkaar te kunnen zijn. voor de eerste soort vriendschap zet je dingen opzij; voor de tweede zoek je een gaatje in je agenda.

Vroeger dacht ik dat dit onderscheid vooral te maken had met de chemie tussen twee mensen. Tegenwoordig zie ik het meer als een kwestie van temperament. Wat ik bedoel is dat sommige mensen van nature snel gestimuleerd worden zijn en dat het voor anderen hard werken is. De eerste voelen zich graag expressief, de laatsten zijn ontvankelijker voor melancholie.

New Yorkse vriendschappen zijn een les in de tweestrijd tussen je overgeven aan melancholie of aan de aantrekkingskracht van het expressieve. De trottoirs stikken van de mensen die ernaar verlangen te ontsnappen uit de gevangenis van het ene naar de belofte van het andere. Er zijn tijden dat de stad er haast onder lijkt te bezwijken.”

 

Dinsdag 16 maart 2021

Over fotografie. Susan Sontag schrijft er veel over, ook heel boeiende zaken, toch heb ik iets gemist in haar op- en afgaande redeneringen, met name over die blijkbaar eeuwige (nu ja de fotografie bestaat hooguit nog geen 200 jaar) twist tussen Wahrheit und Dichtung. Foto’s ja, omdat het kunst is, omdat het schoonheid (Dichtung) oplevert, een esthetisch genoegen of (waarom niet en?) foto’s ja omdat het echt is: what you see is what you get (WYSIWIG), waarheid dus. Schoonheid ook, misschien vooral, zeker van het banale, het alledaagse – en dat is meestal niet proper, er hangt altijd een luchtje aan: armen in een slopenwijk, mijnwerkers in het zweet, grimmige guerillero’s of de paprika van Edward Weston, de handen van de poppenspeler van Modotti. En hier al een eerste kanttekening: nergens in haar essays vermeldt Sontag de naam van Tina Modotti, nochtans een vrijgevochten vrouw, revolutionaire én fotografe, en niet eens een doordeweekse pionier van de fotografie, terwijl er vaak wordt ingegaan op de foto’s en kritieken van haar minnaar (later ex-minnaar) Edward Weston. Merkwaardig. Maar waarheid? Nooit ofte nimmer (vind ik, geen fotograaf maar kijker zijnde), gewoon al door de kadrering dat aan elke foto eigen is, wat je ziet op de foto zit in die rechthoek, maar je ziet immers ook wat buiten het kader is, je handen, de tekst errond, je scherm de wand van het lokaal… Over die kadrering, geen woord bij Susan. Wel heb ik heel wat fotografen bij naam leren kennen, sommige kende ik al maar niet direct hun foto’s, van andere kende ik beroemde foto’s maar niet wie ze genomen had. Ja, ook dat: een foto neem je niet, een foto maak je. De fotograaf-kunstenaar die spreekt. Over de vraag of fotografie een schone kunst is, daar gaan we maar best over zwijgen, zelfs de meningen bij (beroemde) fotografen staan wat dat betreft soms diametraal tegenover elkaar en dan de relatie schilderkunst-fotografie… een discussie die, zo heb ik de indruk, wel stilaan achter de rug is.

       

 

Woensdag 17 maart 2021

‘Maar foto's verklaren niets; ze constateren alleen maar’ beweert Susan Sontag in één van haar essays over fotografie. Dat lijkt wel te kloppen, maar wat als er onderschriften bij staan? Werkt dat niet een beetje zoals met een titel en een schilderij? Zelfs als je bij een abstract schilderij een (concrete) titel plaatst, zal dat toch heel anders overkomen dan als je gewoon het schilderij zonder titel ziet (niet met als titel ‘Zonder titel’ als je begrijpt wat ik bedoel), meer zelfs ik durf te stellen dat onderschrift meestal meer zegt dan de foto zelfs of anders gezegd dat de ondertitel je anders naar de foto doet kijken, je andere (bij)gevoelens geeft.

Neem nu de onderstaande foto van William Eugene Smith (1918-1978). Ik vind het een van de aandoenlijkste foto’s die ik ken, misschien wel de aandoenlijkste. Twee kinderen – meer kind kunne ze niet zijn ! – op stap, naar het licht. En dan? Waar gaan ze heen? W.E. Smith nam deel aan het project van Edward Steichen (1879-1973), The family of man, een groots opgezette tentoonstelling voor het MOMA in New-York, in 1955, momenteel niet zover van hier permanent te zien in Clervaux, Luxemburg. Met haar meer dan 10 miljoen bezoekers de grootse fototentoonstelling ooit (meer dan 500 foto’s van gekende en minder bekende fotografen van ver de hele wereld). Ja waar gaan die peuters naartoe? Wel, de ondertitel die men op de tentoonstelling eraan gegeven geeft, verklaart alles, al is het natuurlijk (net als elke ondertitel) een interpretatie van de (afgebeelde) werkelijkheid. Het is een regel uit een lang gedicht van de Franse dichter Saint-John Perse (1887-1975).

 

 

     A world to be born under your footsteps.

Saint-John Perse

De oorspronkelijke regel luidde : ‘un monde à naître sous vos pas’ (uit : Saint-John Perse, Vents)

Die kinderen gaan hun toekomst tegemoet! Onbevangen, naïef, kinderlijk, onschuldig… en wij volwassenen, ouders moeten ze uit handen geven.

Een kleurfoto zou dat nooit kunnen weergeven, maar dat is een andere discussie.

Maar wat de ondertitel betreft, er kon geen betere ondertitel geselecteerd worden en omgekeerd, er kon geen betere foto bij deze regel gekozen worden. Het is nog altijd één van mijn absolute lievelingsfoto’s. Ja, een zwaar stuk nostalgie komt hier naar boven. De catalogus met alles foto’s uit de tentoonstelling koester ik al heel lang (sinds mijn jeugd, vanwaar dat boek komt weet ik niet eens meer) en later heb ik ook de gelegenheid gehad de tentoonstelling in situ te bezoeken. Wie weet keer ik er ooit terug.

 

Donderdag 18 maart 2021

“Goede gesprekken zijn geen kwestie van gedeelde interesses, belangen of idealen, maar van temperament.” Een fijn doordenkertje, geoffreerd door Vivian Gornick. Op het eerste gezicht zou ik nochtans gedacht hebben: laat mijn gesprekspartner maar liefst mijn interesses hebben (kunst, literatuur, muziek…), liefst aan dezelfde kant van het maatschappelijk-politiek spectrum staan, al vind ik dit minder belangrijk. Nee dus, zo’n gesprek kan ook, wel stilvallen, maar praten (en luisteren!) met hetzelfde temperament? Toen ik die zin las en nog eens herlas, moest ik bekennen dat dit cruciaal is voor een (langdurige) vriendschap: laat de meningsverschillen maar komen dan, we praten ze immers weg, niet het onderwerp maar de persoon (het temperament) bepaalt de goesting, de zin naar meer, naar voortduren. Spontaneïteit, zorgeloosheid, “Je loopt niet op eieren” zoals Gornick aangeeft. Ergens anders schrijft zij ook: “De meest wezenlijke vorm van verbondenheid buiten seks is conversatie.” Conversatie als een manier om seks te beleven? Neen, conversatie én seks als vormen van verbondenheid: spontaneïteit, zorgeloosheid…, ik zei het reeds. Het moet in beide vormen kunnen.

 

Vrijdag 19 maart 2021

Al die korte stukjes bij Gornick. In het begin dacht ik: komt er nog wat van? Maar eens je door een aantal van die stukjes heen bent, valt je de verscheidenheid en vaak het puntige ervan op. Eentje wil ik nog eens volledig overnemen, ze zijn nergens gedateerd en dat hoeft ook niet. Wat zou daar de meerwaarde van kunnen zijn? De locatie is wel bepaald: New-York en vaak de plaats in de stad: het noordeinde van Broadway, op de hoek van Fifth en Fourteenth,…

Hier gaat het: “Door het onbewuste te ontdekken en verkennen kwam Freud tot de belangrijke conclusie dat ieder van ons, van zijn geboorte tot aan zijn dood, een vat vol tegenstrijdigheden is. We willen volwassen worden en we willen niet volwassen worden; we hunkeren naar seksueel genot en we vrezen seksueel genot; we haten onze eigen agressie – onze woede, wreedheid, de drang anderen te vernederen – als is die afgeleid van de grieven die we het minst graag opgeven. Ons lijden is een bron van zowel pijn als geruststelling. Wat Freud het moeilijkst te genezen vond in zijn patiënten was de onwil om genezen te worden.”

 

Zaterdag 20 maart 2021

Vaak oogstrelende zinnen bij Gornick, neem nu: “Ook mijn vrienden moeten de caleidoscoop van dagelijkse beslommeringen heen en weer schudden om tot een patroon te komen waarbinnen ze de pijn van intimiteit, het rumoer van de openbare ruimte en de verrukkelijke tussenkomst van vreemden een plaats kunnen geven.”

Niet alleen een mooi en treffende beeld van die caleidoscoop en het patroon dat ontstaat bij het schudden – wie heeft er als kind nooit in verwondering gestaan bij dat schudden aan zo’n kleurrijke verrekijker, dichtkijker eigenlijk? Maar ook scherpe inhoud: de pijn van intimiteit! De verrukkelijke tussenkomst van vreemden!

Tja, de pijn van intimiteit, maar ook de pijn van niet-intimiteit (die eigenlijk al in de intimiteit besloten ligt), de pijn van nog niet vervulde intimiteit, die eerder een zoete pijn is, want we mogen nog hopen. Eigenlijk een mengeling van pijn en gelukzaligheid. Wat heeft de overhand?

 

Zondag 21 maart 2021

Is dat vandaag niet de lente die officieel aanvangt? Overal begint het te bloeien en te groeien. De natuur wordt in de meest verscheidene kleuren gegoten. Zou dat geen prachtige foto’s kunnen opleveren? En toch prefereer ik de zwart-wit fotografie. Uit principe? Nee, omdat het mooier is. Kleuren dat is voor de schilderkunst, zwart-wit is voor de fotografie. Zwart-wit of kleur? Wat verkies je: Dichtung oder Wahrheit? Zwart-wit dat zijn foto’s, kleur dat zijn prentjes.

Veel gekende fotografen geven de voorkeur aan zwart-witbeelden omdat ze die ‘subtieler en decoratiever vinden dan kleurenfoto's, of minder voyeuristisch, minder sentimenteel en minder grof natuurgetrouw’ dixit Susan Sontag. Denk maar aan Henri Cartier-Bresson, altijd gezworen bij zwart-witfoto’s.

 

Maandag 22 maart 2021

Op aarde schitteren we even van Ocean Vuong uitgelezen. Een prachtige roman, een krachtig boek! Wat iets anders is dan een boek graag gelezen hebben. Het (lichtjes) experimentele karakter heeft mij zeker geboeid. Die (on)regelmatige verandering van stijl en van onderwerp. Oud naast jong, Vietnam Amerika, peuter tiener, grootmoeder moeder… je zou denken, dat loopt door elkaar en stort op een bepaald moment ineen, maar neen, die voortdurende en terugkerende tegenstellingen zijn mooi gedoseerd en verpakt. Behalve misschien het citaatachtige geschrijf van bladzijde 169 tot bladzijde 187. De Green apple van bladzijde 184 was een leuke vondst, maar die vondst nog eens herhalen op het einde van het hoofdstuk, was dan weer een mineurtje (vond ik). – vondsten moeten bij voorkeur eenmalig blijven.

Wel mooie zinnen, of vaker zinsdelen, als sprankelende vonken die er wel niet in slagen de hele vertelling in vuur te zetten. Hier een daar zowel hilarische en tegelijkertijd ontroerende passages, zoals bij die dame met haar kunstbeen, zij wou dat Rose haar kunstbeen ook masseerde.

De keuze van een brief is altijd wel dankbaar voor een schrijver, wat je vertelt krijgt zo een tegelijkertijd direct en een echtheidskarakter. In een brief kun je slaan maar ook zalven, en zeker met dat laatste eindigen. Diplomatie is eigen aan de briefvorm. Een brief is een verkapte vorm van spreektaal, maar dan wel eenrichtingsverkeer.

En dan die expliciete neukscenes tussen de twee homoseksuele jongeren. De thematiek is in (over-in vind ik), maar was dat wel nodig voor de roman? Met andere woorden heeft dat toegevoegde waarde? Lees: kan het niet wat subtieler misschien? In het begin kwam het mij wat gekunsteld over, zeker toen ik de zin of het zinsdeel op bladzijde 94 las:’ … alles wat ik van de zomer wist zou veranderen…’ , niet dat ik op die zin zat te wachten, maar toen ik hem las (heel ver in de roman) dacht ik onmiddellijk: ha, daar hebben we het. En inderdaad daar hadden we het of hem, Trevor, ‘De jongen van wie ik leerde dat er iets bestond wat nog genadelozer en totaler is dan werk: begeerte’. Overigens een prachtzin.

Conclusie na al de sterrenregens die deze roman gekregen had, heb ik die onverwijld gekocht - voor later, de leesgroep verstoorde echter mijn (niet ernstig) vooropgezette planning.

Nja, nja, hier en daar was ik toch wat ontgoocheld of beter: ik had er iets meer van verwacht, maar al bij al een sterk relaas, tussen de regels lees je zelfs de kroniek van zowel een historisch als een persoonlijk drama..

 

Dinsdag 23 maart 2021

Franz Kafka, Brieven aan Milena. Dat was mijn eerste contact met Kafka, ik was zestien en vond het boek in de bibliotheek van Oostkamp. Ik was er meteen weg van. Wat een document humain! Sindsdien heeft Kafka mij nooit meer losgelaten. Daarna alles lezen van Kafka, dat was doenbaar, drie romans, een pak verhalen, zijn dagboeken en zijn brieven. Alles lezen over Kafka? Vergeet het, geen bibliotheken maar straten van bibliotheken zijn er gevuld over de man en zijn werk. En zo heb ik ook al het werk van Kafka in mijn bibliotheek staan, zo ook de Briefe an Milena, maar wel in het Duits dus. Maar ik wou per sé die Brieven aan Milena, de Nederlandstalige uitgave van de brieven, mijn intrede tot het oeuvre van deze grote schrijver. Nog verkrijgbaar? Al lang niet meer. Antiquariaten? Jawel, gezocht en gezocht en ook op boekwinkeltjes.be waar je zowat alles kunt vinden van wat er ooit verschenen is. Nou ja, alles behalve de Brieven aan Milena. Ooit werden daar alle brieven van Kafka aangeboden, maar met een kleine voetnoot: ‘behalve de Brieven aan Milena’. En ja, af en toe, zoek een mens naar die Brieven aan Milena. Maar steeds was het ‘niets gevonden’. Verleden week echter, tijdens een slapeloze periode ’s nachts, het was 3 uur, toch nog eens gezocht op Boekwinkeltjes. En, nee, geen exemplaar van de Brieven aan Milena, maar twee exemplaren! Twee dan nog! De een ‘lichtjes gekreukt met scheurtje in de rug’ , de andere ‘gebruikt exemplaar, riekt naar tabak’. Maar goed, stante pede of beter iacentem ad pedes (of zoiets) mijn bestelling geplaatst, zoals meestal met die boeken uit Nederland waren de verzendingskosten hoger dan de prijs voor het boek zelf. Intussen is het boek gearriveerd, het stond op een middag heel Kafkaans aan de voordeur.

 

Woensdag 24 maart 2021

Beeldbank Brugge bestaat 20 jaar! Sinds enkel jaren werk ik een halve dag per week als vrijwilliger voor het Stadsarchief Brugge waar ik mij voornamelijk bezig houd met het inventariseren en beschrijven van foto’s uit de zeer uitgebreide collectie. Naar aanleiding van die verjaardag werd mij gevraagd mijn favoriete foto uit de Beeldbank te kiezen en te vertellen waarom. Heb ik geprobeerd, een quote van Susan Sontag in het achterhoofd: ‘Men kan de geschiedenis van de fotografie samenvatten als de strijd tussen twee verschillende opdrachten: de dingen mooier maken; en de waarheid vertellen.’ Ziehier de foto:

 

 

Oorlogsvluchtelingen uit Cambrai tijdens WO I

En dan mijn commentaar: Er is bij foto’s blijkbaar zoiets als een eeuwige twist tussen ‘Wahrheit’ en ‘Dichtung’, vorm en inhoud, wat niet helemaal hetzelfde is natuurlijk. Foto’s ja, omdat het kunst is, omdat het schoonheid oplevert, een esthetisch genoegen (Dichtung) of foto’s ja omdat ze echt zijn: what you see is what you get (WYSIWIG), waarheid dus. Schoonheid ook, misschien vooral van het banale, het alledaagse – en dat is meestal niet zo proper, er hangt altijd een luchtje aan: armen in een sloppenwijk, mijnwerkers in het zweet, grimmige guerillero’s of de handen van de poppenspeler van Modotti.

Je zou kunnen stellen dat het materiaal van een beeldbank in de eerste plaats de werkelijkheid zou moeten weergeven: kijk zo zag het er vroeger uit. Waarmee je eigenlijk meteen zegt: dit is helemaal niet werkelijk, het is immers een afbeelding van wat ooit werkelijk geweest is. Een foto is een afbeelding - in Platoonse termen zelfs een afbeelding van een afbeelding - gewoon al door de omkadering en het mogelijk repetitieve karakter en het feit dat het afgebeelde niet meer kan zijn wat het (even) was (panta rei !). En eigenlijk zou je kunnen zeggen dat elke foto in zijn verstarring een rigor mortis is of op zijn minst een memento mori.

Maar weten en nog meer beseffen hoe het vroeger was, het mag niet alleen voor geïnteresseerden in de geschiedenis belangrijk zijn, het kan ook een reflectie betekenen op de hedendaagse maatschappij.

Neem nu de foto die ik uit de Brugse Beeldbank gekozen heb, niet eens een van Brugge: Oorlogsvluchtelingen uit Cambrai (foto  ZB_FO_280). Een waar document humain! Van vluchtelingen uit Cambrai naar de immigranten in Calais, de stap is vlug gezet. Cambrai/Calais.

Kamerijk heeft het doorheen de geschiedenis hard te verduren gehad: tussen 1340 en 1477: belegerd door Edward II van Engeland, ingenomen en vernietigd door de Bourgondiërs en de Fransen, een tijdje onder Duits bewind, ingelijfd door Louis XI, begin XVIe eeuw veegde de pest 80% van de bevolking weg, in WO I plat gebombardeerd door de Engelse luchtmacht, de bevolking op de vlucht (zie foto, eigenlijk een propagandafoto van de Duitsers) en nu kraakt de stad zowat onder de Corona pandemie. Zit dit allemaal in die foto? Neen en ja, je staat er wel bij stil. Is dat echt? Neen, het is niet meer, het was. Is dat een mooie foto? Hier zou nu een (oeverloze) discussie kunnen volgen over wat schoonheid is. Welnu, voor mij zit er menselijke schoonheid in die foto. Zeker als je naar de man en de vrouw op de voorgrond kijkt, moedig op weg naar een (onzekere) toekomst, ook al weet je dat beiden al lang gestorven zijn.

Wie meer wil te weten komen, raadplege: erfgoedbrugge.be.

 

April 2021

Donderdag 1 april 2021

Ik ben gehecht geraakt aan de jaarlijkse Imago-kalender of de kalender van het Nederlands Klassiek verbond (NKV dus). Elk jaar een ander thema en dit jaar: ware vrienden, vriendschap in de oudheid. Steeds verzorgd met mooie foto’s en op de keerzijde een goed gedocumenteerde uitleg door een specialist€ ter zake. 1 april, er mag weer een blaadje omgedraaid en zo verdwijnen Theseus en Heracles ten voordele van het paar Harmodius en Aristogiton, twee Atheense tirannendoders (en elkaars minnaars). Het beeldenpaar van de beeldhouwers Critius en Nesiotes komt mij niet onbekend voor, maar het is eer de houding van het paar dat mij aan een ander stel doet denken. Elly Jans die de commentaar bij de beelden geschreven heeft verhaalt een typisch avontuur van de beeldengroep: aanvankelijk geplaatst op de agora van Athene, gestolen door de troepen van Xerxes (de man van Ombra ma fui bij Händel) en neergepoot in Susa, een van de Perzische hoofdsteden, maar terug gehaald door Alexander de Grote en opnieuw in Athena. Een Romeinse kopie bevindt zich momenteel in het archeologisch museum van Napels.

 

 

Vrijdag 2 april 2021

Vandaag bijeenkomst van de leesgroep (of wat er nog van overblijft). Op het menu: Op aarde schitteren we even van de Amerikaans-Vietnamese schrijver Ocean Vuong. ‘Hartverscheurend verhaal van duizelingwekkende genialiteit’ De Standaard der Letteren. Kom, kom, DSL, niet overdrijven zeg. ‘Grandioos verwoord’ in De Morgen, daar kan ik al beter mee instemmen.

Zoals ik verwachtte is het boek door iedereen (we waren met vijf) goed onthaald. Wat mij nog het meest opviel was dat ik al veel vergeten was, maar door de anderen te horen, kwamen de beelden toch weerom. Ik was van plan om zoals de vorige keer, de roman te herlezen, maar ik heb er van af gezien omdat ik zo nodig andere lectuur verkoos, in casu de (meesterlijke) essays die Susan Sontag in de jaren 60 (the roaring sixties!) bijeen schreef en die gebundeld zijn in Against Interpretation genoemd naar het eerste essay uit de bundel. Ik las ze in het Nederlands Tegen interpretatie, de meeste essays vertaald door die oude rot Pé Hawinkels. Wat mij ook opviel tijdens de bespreking was dat men wel eens vergat dat het hier om fictie ging, weliswaar met een sterk autobiografische ondertoon (welke fictie is dat niet?). De roman staat vol met passages over homoseksualiteit en drugsgebruik, en zogenaamde ‘typisch’ Amerikaanse mores, maar dat is toch allemaal geen mainstream.

 

Zaterdag 3 april 2021

Paaszaterdag, stille zaterdag, maar dat geldt niet voor mijn buurman die zijn wekelijkse rondjes met zijn grasmaaier aan het draaien is. Je zou verlangen om in Sint-Martens-Latem te wonen, maar toch liever niet in die opgeblazen gemeente. Maar met gesloten ramen (en een muziekje op de achtergrond – Organa antiqua Italica, in casu: Bologna) valt het al bij al best mee. Mijn gewild ritme nog altijd niet gevonden, de tijd tikt ongenadig vlug vind ik. Ik verlies nog te veel tijd aan indutten, neerliggen, nietsen ed. En ’s nachts dan wakker liggen, de verkeerde wereld. Nochtans broedt ik nog op een paar projectjes: mijn te lezen boeken (maar dat staat apart), een verhaal/novelle schrijven, maar ik geraak daarmee niet van de grond, dagboek, ja ben daar mee bezig, experimenteren met schilderen, ik heb al iets in het hoofd, maar kwestie van te beginnen en het eeuwige rangschikken van mijn boeken – over buitenwerk wil ik nog niet hebben: mijn regenton eens recht zetten omdat die schuin inzakt, mijn schutting met wilgentakken voltooien, informeren voor een extra parkingplaats naast mijn oprit, … en zo zijn er nog wel een paar. Maar zaterdag is kruiswoorddag en daar zijn we momenteel nog niet aan begonnen.

 

Zondag 4 april 2021

Alleluja! Waar deze kreet vandaan komt is mij een raadsel. Even een etymologisch woordenboek erbij nemen. Ik citeer: alleluja tw – of tussenwerpsel -. als lofkreet; zn. 'loflied. Mnl. als allelua is gheseghet 'wanneer het alleluja is gezegd' [ca. 1350; MNW tract], halleluja [1637; Statenbijbel].

Via christelijk Latijn alleluia en Grieks allēlouīa ontleend aan Hebreeuws halləlū-yāh 'loof de Heer'. De vorm met h- is rechtstreeks op het Hebreeuws gebaseerd.

De Statenvertaling nam halleluja als onvertaald Hebreeuws woord op. Dit is dan ook de gebruikelijke vorm gebleven binnen de protestantse kerk. In de katholieke eredienst is daarentegen de op het christelijk Latijn gebaseerde vorm zonder h- het gangbaarst. Bij uitbreiding betekent (h)alleluja ook 'loflied (waarin dit woord gezongen wordt)'.

Ja, ja, als allelua is gheseghet, heeft het in het Osten gedaeghet. zijn de bocken bronstig, zijn de tijden gonstig, allelua!

 

Maandag 5 april 2021

Documentaire bekeken (DVD). Lascaux, Prähistorische Kunst in der Höhle. Duits gesproken, maar dat viel nog mee. En waar is mijn mooie boek over Lascaux? Lascaux ou la naissance de l’art? Straks even zoeken, ik zou niet weten waar eerst te beginnen. De begeleidende tekst is van Georges Bataille, dat zou je misschien niet verwachten van hem, of als je even verder denkt juist wel: oervormen, het natuurlijke, het ongekunstelde in de mens. Gezocht en nog tamelijk vlug gevonden dit prachtig geïllustreerd boek uit de Skira reeks van Flammarion, uitgegeven in 1955, herdrukt in 1980. Aan mijn handtekening te zien (erg leesbaar) moet ik dit boek al lang in mijn bezit hebben, momenteel teken ik mijn boeken niet meer, ik voorzie ze wel van een Ex libris in reliëf: een ginkgo bilobablad met ernaast mijn initialen B. M. ook al herinner ik mij niets van de aanschaf of de inhoud, ik herinner mij wel dat ik de teksten van Bataille gelezen heb, aan de enkele onderstrepingen merk ik het ook. Lascaux daterend uit de Leptolithische periode, maar zoals Bataille mooi aangeeft ‘la phase de l’âge à laquelle il arrive encore de donner parfois le nom moins précis, moins scientifique, mais plus heureux, d’ « Age du renne ». En ook een paar typisch Bataillaanse ideeën. ‘Si les animaux se distinguent clairement de l’homme, c’est peut-être le plus nettement en ceci : que jamais, pour un animal, rien est interdit; le donné naturel limite l’animal, il ne se limite de lui-même en aucun cas. L’interdit, het verbodene, het domein bij uitstek van Bataille, zeker op seksueel gebied.

En ja, prachtige foto’s (zoals we dat bij Skira gewoon zijn), met het voordeel dat je wat langer kunt vertoeven bij een van die details van deze prehistorische Sixtijnse kapel, iets wat je ontzegd wordt als je een DVD bekijkt, maar je je moet aanpassen aan het ritme van de film.

   

 

Dinsdag 6 april 2021

Susan Sontag, wat een fenomeen! Wel volledig ondergedompeld in de cultuur van de hevige sixties, maar ze blijft zeer leesbaar, genietbaar en vooral herkenbaar (voor soixante-huitards toch). Neem nu de essaybundel Tegen interpretatie (Against interpretation). Allemaal essays uit het midden van de jaren ’60. Ik kom er hier even op terug. Akkoord, sommige ervan zijn erg Amerikaans en gedateerd, maar de meeste krijgen toch een meer universeel (qua tijd en plaats) karakter. Grosso mode berust de indeling op twee inleidende essays over kunst in het algemeen (Tegen interpretatie en Over stijl), daarna enkele essays over literatuur, daarna enkele over toneel (hier vooral worden Amerikaanse uitvoeringen geanalyseerd en besproken) en nog een paar over Film. Zij eindigt weer met een paar opmerkelijke essays, eentje over de (toenmalige) nieuwe trend van de happenings en een belangrijk essay over camp, een moeilijk te omschrijven verschijnsel, Sontag doet het in 58 puntjes. ‘De campmanier wordt niet uitgedrukt in termen van schoonheid, maar in termen van een bepaalde graad van kunstmatigheid, van stilering’; ‘camp ziet alles tussen aanhalingstekens’ (camp, ook aan het begin van een zin wordt bij Sontag altijd met een kleine letter geschreven); ‘De eerste sensibiliteit, die van de hoogstaande cultuur, is in de basis moralistisch. De tweede sensibiliteit, die van de extreme gevoelstoestanden (…) ontleent haar kracht aan een zekere spanning tussen morele en esthetische hartstocht. De derde, camp, is geheel en al esthetisch.’; ‘camp is het antwoord op de vraag: hoe word ik een dandy in het tijdperk van de massacultuur’; ‘Joden en homoseksuelen zijn de meest in het oog lopende creatieve minderheden in de hedendaagse grotestadscultuur’. Ik ben noch het een, noch het ander, maar die zin over die dandy trekt mij wel aan. Een mengeling van Des Esseintes, Baudelaire en Walter Benjamin… ik zie het wel zitten.

 

Woensdag 7 april 2021

‘Het dagboek biedt ons het atelier van de ziel van de schrijver. En waarom zijn we geïnteresseerd in de ziel van de schrijver? Niet doordat we zo geïnteresseerd zijn in schrijvers op zich. Maar door de onverzadigbare moderne preoccupatie met de psychologie, de recentste en krachtigste erfenis van de door Paulus en Augustinus in het leven geroepen christelijke traditie van introspectie, die de ontdekking van het zelf gelijk stelt aan de ontdekking van het lijdende zelf.’ Een behoorlijke brok levenswijsheid van Susan Sontag in haar essay over Cesare Pavese, die zelf ergens schrijft (wellicht in zijn dagboeken, in het Nederlands verschenen onder de titel: Leven als ambacht): ‘Leven is pijn en het genot van de liefde een narcoticum’. Het zelf dat dus steeds het lijdende zelf impliceert, althans in onze westerse en dus christelijke traditie. Het lijkt soms wel alsof lijden een feest is (gevaarlijke uitspraak, uiteraard in de oren van de lijdende medemens, maar als je eens de woorden van verschillende Bachcantates analyseert dan kun je niet anders dan er zo over denken: Ich freue mich auf meinen Tod (cantate BWV 82, Ich habe genug, met die overigens onwerelds mooie aria voor alt Schlummert ein, ihr matten Augen). En in haar essay over Albert Camus is het van ‘Het dagboek is de plaats waar een schrijver voor zichzelf de held uithangt.’ Even op mijn lauweren rusten, toch niemand die het zal merken.

 

Vrijdag 9 april 2021

Rode komeet, de biografie van Sylvia Plath, 1343 bladzijden – eigenlijk maar 1145 bladzijden tekst, de rest aantekeningen, eindnoten – samen goed voor meer dan 1,6 kg. Van een pil gesproken, een pil met bijna de hele tekst door een bittere ondertoon. Het leven van Sylvia Plath was niet meteen een opeenvolging van gelukkig momenten, al zijn die er zeker vele malen geweest, soms geluksmomenten die als een roekeloze draaimolen rondtolden, die niet stop te zetten was.

De biografie is bijzonder, maar dan ook bijzonder gedetailleerd, hoe heeft Heather Clark dat allemaal kunnen verzamelen en nagaan? Al haar dates, met naam en toenaam, bijna avond na avond (en dat waren er een massa), soms bijna uur na uur staan er beschreven en passeren de revue. Wat mij dan de wenkbrauwen doet fronsen: Sylvia is al die tijd maagd gebleven. Kom nou. ZE is nog maar 23 jaar terwijl ik dat schrijf en heeft inderdaad haar maagdelijkheid verloren, maar dat ze al de tijd voordien heel kuis en met haar dates zal omgegaan hebben? Geloof ik geen snars van, want integendeel de ‘colleges’, de universiteiten worden daar afgeschilderd als huizen doordrongen van promiscuïteit. Enfin, ze is nu juist gearriveerd in Cambridge, Ted is op komst, ben benieuwd.

 

Zaterdag 10 april 2021

Wat gebeuren moest, is gebeurd (ik heb er een half boek op zitten wachten). Sylvia heeft Ted in zijn wang gebeten op het lanceringsfeestje van een nieuw literair tijdschrift Saint Botolph’s Review (eenmalig verschenen, achteraf gezien). Sylvia was stoned (van als ze arriveerde) and so was Ted. Dan doe je gekke dingen natuurlijk, meer zelfs ze sliep de nacht na het feestje met een andere student. Wat een decadente boel moet het daar geweest zijn, niet zonder gevolgen weliswaar: veel schade (te vergoeden uiteraard), nadien uitsluiting van sommige warhoofden… en de atletische Ted Hughes (een studente noemde hem steeds Ted Huge) die een maand lang met een gekwetste wang rondliep moest hem vanwege de inrichtende macht ook gedeisd houden. We zijn bijna halfweg het boek, Sylvia toen 24 is al een flink stuk over de helft van haar leven. Hoe tragisch toch. De ontmoeting met Ted is in het boek wel voorafgegaan door een heuse snelbiografie van Ted Hughes. Een echte Heathcliff, uit dezelfde streek afkomstig zelfs. Ik ben er ooit geweest en heb nog altijd mooie (en één slechte) herinneringen aan de Wuthering Heights. Een pracht van een purperen wandeling op die door heidekruid begroeide hoogten gemaakt, geen struiken, enkel loeiende wind en deinende heuvels zover je kijken kon. In al mijn overmoed even niet naar de grond gekeken en onzacht kennis gemaakt met die grond, gevolg: verzwikte voet die mij nog lang last heeft bezorgd bij het stappen. Maar de streek en de vergezichten, ook vanaf de kant van de weg, waren onvergetelijk.

 

Zondag 11 april 2021

De hertog van Edinburgh is gestorven. Bijna honderd is die man geworden, betekent dat hij in 1956 er 34 was. Tijdens een receptie voor de Fulbrightbursalen ontmoette hij (onder meer) Ted Hughes en Sylvia Plath, beiden nog dronken van hun prille liefde (na de receptie zou Sylvia door  de talrijke sherry’s compleet onderuit gaan). Zoals het protocol het voorschrijft moest de hertog een gesprekje aanknopen met alle gasten, aan Ted vroeg hij wat zijn beroep was, waarop Ted antwoordde: ‘chaperon van Sylvia’. ‘’Ah’ antwoordde de hertog laconiek, ‘de ledige rijken’. Sylvia en Ted hokten de weken nadien samen in Sylvia’s kamer, zeer tegen de zin van de medebewoonsters van het huis, waar de twee dag en nacht wilde seks hadden – Sylvia noemde seks in haar agenda echter altijd liefde.

Ze zijn kort erna in het geniep getrouwd, Sylvia had schrik dat ze hierdoor wel eens haar Fulbrightbeurs zou kunnen kwijtspelen. Doet mij denken aan Susan Sontag: love at first sight en dan onmiddellijk trouwen. Bij Sylvia zou haar huwelijk iets langer stand houden.

 

Maandag 19 april 2021

Birthday Letters dan. Nu ik er weer wat door blader(en door het lezen van de biografie van Sylvia Plath) merk ik hoe nauw die gedichten aansluiten bij het leven van Sylvia zelf (gezien door het oog van Ted). Met een beetje achtergrondkennis van Sylvia’s leven zou je die Birthday Letters al evengoed als een biografie van Sylvia (en Ted) kunnen bestempelen. Bovendien zijn het gespierde gedichten vind ik die de harde woorden niet schuwen. ‘Je was van plan me te verpletteren / Met je opgewektheid.’ of ‘de Rohrschachspetters van dat bloedvergieten besmeurden / De bladzijden van je dagboek.’ of 'Roem zal komen. Roem vooral voor jou. / Zij is onafwendbaar. En als zij komt / Zul je ervoor betaald hebben met je geluk, / Je echtgenoot en je leven.' of ‘Dat blauwe pakje, / Een krankzinnig executie-uniform, / Overleefde je vonnis.’ of ‘Een gedicht ontplooide zich uit je / Als een losse haarstreng uit je nek / Om geknipt en bewaard te worden in een boek.’ Die laatste regel doet me denken aan Georges Rodenbachs Bruges-la-morte waar Hugues (sic!) Viane de haarstreng van zijn gestorven vrouw ook bewaart en er dan zijn minnares Jane mee wurgt.

Verder heeft Ted het in het gedicht De God over ‘Je zat over je bureau gebogen en huilde / Boven het verhaal dat weigerde te bestaan.’ Een mooie omschrijving van een writers block, heel goed gekend bij schrijvers en dichters.

 

Dinsdag 20 april 2021

De vertalingen van de ‘windgedichten’ zitten erop. Ik wist niet dat er zoveel bij kwam kijken, maar goed het staat op papier of beter in pdf. Het moesten er tien zijn, het zijn er tien geworden. De verdeling is wel stukken minder evenwichtig dan de eerste versie, maar ja dat soms ver gezochte copyright mag je niet achteloos van je afgooien. Drie Nederlandstalige, uit min of meer dezelfde periode dan nog (Gezelle, Swarth, Gorter), twee Engelstalige (Dickinson en Wordsworth) en dan een Italiaans (Stampa), een Frans (de Ronsard), een Duits (Hölderlin), een Portugees (Pessoa) en een Spaans (Lorca), en zo te zien: zeven mannen en slechts drie vrouwen en dat had vooral te maken met die verplichte wind, de maximum lengte en het feit dat ik voelde dat ik genoeg gezocht had; ik had wel nog een aantal vrouwelijke dichters op het oog (Sappho, Edna St. Vincent Millay, Louise Labbé, Christine de Pisan, Hadewych, enzovoort), nu ja op het oog is niet uit het hart.

 

Woensdag 21 april 2021

Nu ik stilaan het einde van Rode komeet, de biografie van Sylvia Plath, nader, kan ik mij toch een goed beeld vormen van de complexe persoonlijkheid van Sylvia. Inderdaad heb ik nu meer begrip gekregen zeker voor wat haar karakter en haar positie betreft, anderzijds is mijn sympathie voor haar wel verminderd. Een zeer wispelturig iemand met soms onberekenbare trekjes, iemand die steeds in de knoop ligt met zichzelf: haar vele brieven aan Aurelia, haar moeder en anderen (Dit is de gelukkigste periode uit mijn leven, enzovoort), spreken nog niet weinig haar chaotische zelfvernietigende dagboeknotities tegen. Een heel moeilijk iemand om mee samen te leven en dan moet je nog juist iemand als Ted Huges zijn. De breuk zat er van bij het begin aan te komen, trouwens de breuk met wie het dan ook zou geweest zijn.

 

Donderdag 22 april 2021

Gisteren een ‘webinar’ (waar halen ze het) van Liberales – wat die inrichten doorgaans zeer goed en dat is volgens mij vooral te danken aan Dirk Verhofstadt (broer van, ja). Onderwerp: Dames voor Darwin – over feminisme en evolutietheorie. Verzorgd door de schrijfster van het gelijknamige boek : Griet Vandermassen, jong, speels, op en top zenuwachtig en darwinist tot in de …. (‘Feministen, doe niet zo krampachtig over gendergelijkheid’ (sic)).

Haar conclusie - en die van ernstige wetenschappers (M/V) - in enkele woorden: Simone (‘On ne naît pas femme, on le devient’) had ongelijk, vrouw(elijk) of man(nelijk), het gebeurt allemaal al in de baarmoeder, dankzij de aan-of afwezigheid van dat fameuze chromosoom Y. De mens, naaktgeboren, is dus geen onbeschreven blad, zoals (veel) feministes blijven beweren. Vrouwzijn gesocialiseerd? Cultureel bepaald? Niets van of toch want juist door dit inherente verschil wordt dit maar gretig aangewend om het (ideale) vrouw- en mannenbeeld te bevestigen. Nochtans niet alleen in alle culturen en van alle tijden, maar ook bij andere zoogdieren merken wij dit aangeboren verschil. Proef: er wordt speelgoed uitgezet in een kolonie van chimpansees (mannetjes en vrouwtjes), speelgoedautootjes en poppen of knuffels. Resultaat: de mannetjes grijpen spontaan naar de autootjes (waarvan ze niet weten wat het is, maar het beweegt en maakt geluid), de vrouwtjes wiegen de pluchen beestjes in hun armen. Nu dat is maar één facet natuurlijk. En nog zo een: equal work / unequal pay! Voor elke euro die de man verdient, krijgt de vrouw slechts 79 eurocent. Niet waar, of toch wel als je ALLE werkende vrouwen uitzet tegen ALLE werkende mannen, maar wat is het geval? Vrouwen kiezen (niet moeten!) doorgaans voor minder betaalde en deeltijdse jobs (zorgsector), vrouwen zijn vlugger tevreden met het voorgestelde loon (geen harde loononderhandelaars). Nochtans: in landen waar de gendergelijkheid heel sterk is (Scandinavische landen) is het percentage van zogenaamde STEM-graduates (Science, Technology, Engineering, Mathematics) bij vrouwen beduidend lager dan dat in landen met grote genderongelijkheid (Algerije, Turkije), dit is de zogenaamde Gender Equality-paradox. Ook iets merkwaardigs en interessants: als we naar het IQ van mannen en vrouwen kijken dan zien we een veel grotere spreiding bij mannen (meer echt domme mannen dan echt domme vrouwen, maar ook meer extreem slimme mannen dan extreem slimme vrouwen) en natuurlijk zijn de wetenschap en vooral de media in de eerste plaats geïnteresseerd in genieën en Nobelprijswinnaars enz. (Een) voorzichtige eindconclusie: wij (= de mensen, inclusief de feministes) moeten kiezen voor de principes van morele gelijkwaardigheid en gelijkheid van kansen, ondanks de reële ongelijkheid van man en vrouw. En zei Grietje op het laatst (subtiele zelfverdediging tegen allerlei neo-suffragettes): feminisme en een evolutionair mensbeeld sluiten elkaar dus geenszins uit. QED.

 

Vrijdag 23 april 2021

Zopas geprikt geweest en Rode komeet beëindigd. Nee, er is geen enkel verband. Omdat je na de prik een kwartier moet zitten wachten, had ik De glazen stolp mee om te (her)lezen. Ik ben maar een paar bladzijden ver geraakt, maar alles was ineens zo herkenbaar, van in het begin al, dankzij de biografie van Heather Clark natuurlijk. Maar goed, de meer dan 1300 bladzijden zijn er door (in feite ‘slechts’ 1145 bladzijden, want wat er verder staat zijn de vele aantekeningen en een uitgebreide index.

Is het boek samen te vatten in enkele zinnen? In twee zinnen bijvoorbeeld? Wel laten we dan letterlijk de eerste en de laatste zin eens bekijken, bijna een surrealistisch experiment à la Breton. Eerste zin, blz. 15 – op de bladzijden ervoor staan er een opdracht (‘Voor Natam, Isabel en Liam en ter nagedachtenis van Jon Stallworthy), een citaat uit een brief aan Sylvia’s moeder Aurelia, een gedicht van Plath (Stings) en een uitgebreide inhoudsopgave.(35 van titels en van jaartallen voorziene hoofdstukken), waarna dan de Proloog die begint op bladzijde 15. De eerste zin daar is dus: ‘In december 1962 betrok Sylvia Plath het voormalige woonhuis van William Butles Yeats’. (we zijn dan meteen al twee maand voor haar dood) en de laatste zin ‘Laat ons haar niet in de steek laten’. Voor zover ik mij herinner gebrekkig Nederlands voor ‘Laten wij haar niet in de steek laten’. Heel Plaths leven wordt beheerst door haar dood. In elk geval een geweldige prestatie van Clark, vreselijk (te?) nauwkeurig gedocumenteerd met – hoe zou het anders kunnen – veel sympathie en begrip voor Sylvia. Ik moet eerlijk zeggen dat ik in de gedichten van Plath, niet dat vernieuwende, overdonderende, alle andere poëzie wegblazende gelezen of gevoeld heb. Eerstdaags wil ik zeker (met mondjesmaat en met de kennis die Clark mij verschaft heeft) enkele gedichten geconcentreerd herlezen. Dat zal zeker bij mij een ander licht werpen op haar poëzie. Ook de Birthday Letters van Ted Hugues wil ik nog een leesbeurt geven. Maar eerst het ‘korte leven en de vlammende kunst’ van Sylvia Plath wat laten bezinken.

 

Zaterdag 24 april 2021

Groene vingers, nooit gehad, ook al had ik dat altijd wel gewild. Vandaag (en ook de vorige dagen) mij wat in de tuin beziggehouden. Vooral sloopwerk (klimop verwijderen, wat snoeiwerk etc.) maar ik mag ook enkele constructieve daden aan mijn lijstje toevoegen. Geplant: drie bamboestruikjes (Fragesia – niet woekerend!), drie rode Camellia’s (wat eigenaardig die dubbele ll), en drie kruiden (Citroenmelisse, rozemarijn en peterselie – die laatste is erg onzeker). Nou ja, al stevig van water voorzien, ze gaan alleszins niet droog staan. Ook de grote parasol weer uitgehaald en het gras aan de straatkant afgereden, in mijn tuin zelf probeer ik het vol te houden om niet te maaien. Verder moet ik stilaan dringend het onkruid op mijn oprit bestrijden, zoals dat heet, maar het ideale (ecologisch én efficiënt) middel heb ik vooralsnog niet op de kop kunnen tikken en dat verbranden is nog erger dan een processie van Echternach, het duurt een eeuwigheid en als je het laatste toefje tot as gereduceerd hebt, schiet het eerste al weer op. Mijn scheefgezakte (nog nooit gebruikte) regenton moet ik ook nog eens stabiliseren en recht zetten. En dan is er nog een serieus karweitje vooraan: mijn wilgenschutting voltooien, dit werk lag stil bij gebrek aan wilgentakken, maar sedert de snoei heeft de tuinman op mijn vraag al die gepaste twijgen op een hoopje laten liggen (wat moet ie blij geweest zijn omdat hij al dat getak niet mee moest nemen). Toch is dat tuinieren een plezante bezigheid. Je verstand staat op nul, het is gezond in de buitenlucht en je wordt er fitter van (maar eerst moet je over de stijfheid heen natuurlijk). Maar ik geef toe: ik kruip liever in mijn boeken, en geef nog meer toe: wat is er zaliger dan in de buitenlucht van de tuin een boek zitten lezen. Wel, in de buitenlucht van de tuin een boek zitten lezen met een Campari orange binnen handbereik is wezenlijk nog zaliger.

 

Zondag 25 april 2021

Na de biografie, de roman (De Glazen stolp) nog eens hernomen. Ik wist er eerlijk gezegd zo goed als niets meer van, ook al heb ik hem tweemaal gelezen (in illo tempore). Het voordeel is nu dat alles, al vanaf het begin, in de plooien valt. Zo autobiografisch dat alle scènes, dankzij de biografie van Clark, nu heel herkenbaar zijn. Er is ook kritiek gekomen op de roman, in het begin zelfs een publicatieverbod in de VS en een heus proces achteraf. Veel personages herkenden zichzelf en vonden zich geviseerd of onheus behandeld (de waarheid doet niet zelden pijn natuurlijk). Nu ja, Plath is niet mals met sommigen, neem nu die paar bladzijden over de relatie van Esther (Sylvia) met Buddy Willard (Dick Norton). ‘… daar kwam ik erachter dat hij me al die jaren voor de gek had gehouden en wat een huichelaar het was.’ Je zou voor minder een klacht indienen. De glazen stolp was aanvankelijk onder de schuilnaam Victoria Lucas verschenen (in Engeland en later dan toch in de VS).

Ook haar eigen moeder, Aurelia – Mrs. Greenwood in de roman, krijgt er flink van langs. Vooral zij heeft bezwaren gemaakt tegen de publicatie van de roman in de VS na de dood van Sylvia.

Nu lees ik natuurlijk dit boek met een heel andere kijk op de personages. Wel boeiend.

 

Maandag 26 april 2021

De voorbije dagen heb ik vier nieuwe gedichten geschreven. Eigenlijk alle vier zo goed als na elkaar. Nogal duister nu ik ze bekijk, ik vermoed, nou ik ben het eigenlijk zeker, invloed van Sylvia Plath. Te vroeg om er hier veel over te vertellen, ze zijn nog in statu nascendi, al kan het best dat er daar bijna niets meer aan gewijzigd wordt. Dit zijn de titels: ‘Openscheuren’, ‘Dora’ (gebaseerd op Dora Diamant, de laatste liefde van Kafka), ‘Eigenlijk is iedereen een boek’ en ‘In Buchenwald’. Om enigszins juister te zijn moet ik bekennen dat ik een goede week hiervoor ook al een gedicht gepleegd heb, dat heet (tot nu toe) ‘L’Age de l’homme’ en begint met (ook tot nu toe): ‘Heen en weer tussen de verveling / mij thuis voelen in dit wanhopige lichaam’. Ook niet bepaald gedrenkt in bloemetjesromantiek. Het best de vijf wat laten rusten, ze dan weer eens opnemen en schrappen, schrappen… daar draait het meestal op uit. Maar ik geef toe, het vuur ontbreekt nog, ik verwacht nu niet meteen een stortvloed aan poëtische invallen. Geduld oefenen maar.

 

Dinsdag 27 april 2021

Zonet de intro van Rob Riemen bij Nexus 86 gelezen. Altijd zeer goed met veel stof tot nadenken. Het hele nummer staat in het teken van ‘Ons tijdperk van angst’. Klopt dat wel? Dat tijdperk van angst wel, maar waren niet alle tijdperken, tijdperken van angst? Onze voorouders, de holbewoners en hun angst voor wilde dieren of natuurfenomenen, en hoe geciviliseerder de mens werd, hoe meer angst hij zou krijgen voor de andere (‘l’enfer, c’est les autres’): struikrovers, machtswellustige leenheren, oorlogen, onberekenbare tirannen en despoten… en ga zo maar door. Albert Camus schreef in Le siècle de la peur dat de 17de eeuw het tijdperk van de wiskunde was (Leibniz en Newton bijvoorbeeld), de 18de eeuw het tijdperk van de natuurwetenschappen (de duiveltjes van Maxwell!), de negentiende dat van de biologie (Darwin) en de twintigste eeuw, de eeuw van de angst – twee wereldoorlogen, holocaust en Hiroshima & Nagasaki en de angst voor een nucleaire catastrofe!

Maar de huidige angst lijkt mij meer existentieel, je ziet het vooral aan de manier waarop men die angst wenst te verdrijven of nog eerder die angst tracht te negeren. Angst – in tegenstelling tot vrees, je bent -bang voor iets - heeft sowieso een onbestemd object, nochtans zou je kunnen stellen is er de angst voor het grote niets. Nietzsche, altijd al een vooruitziende visionair, waarschuwde ons voor de angst van het nihilisme. Heidegger wist het nog sterker uit te drukken: ‘De grootste angst is de angst voor het denken’.

We durven inderdaad niet meer denken, niet meer kijken, laat staan dat we dan zouden zien. Angst heeft het populisme voorgebracht of in elk geval stevig gevoed. Het individu probeert zich te weren tegen de angst door zich te verschansen in de massa, hoe minder zelf, de meesten hebben geen zelf meer (daarentegen zijn ze dan zeer zelfzuchtig), hoe veiliger lijkt het wel. En die individuen laten zich aldus vlot manipuleren. Dat klinkt allemaal niet zo vrolijk, maar laten wij ons niets op de mouw spelden: de Corona-pandemie is zomaar geen voorbijgaande crisis en wie de ernst van de (komende) klimaatcrisis in twijfel trekt, is ronduit naïef. Ik beklaag onze kleinkinderen en hun kinderen.

 

Woensdag 28 april 2021

Omne animal triste post coïtum en dan komt er nog een haan achter, maar deze kan ook tellen: omnis viator triste post iterum, elke reiziger is triestig na de reis. Is dat zo? Je komt thuis van een (verre) reis, daar plof je je valiezen neer en kijk dat was het dan, weer thuis, je vertrouwde omgeving maar ook je dagelijkse sleuromgeving. Het avontuur (want dat is reizen toch altijd een beetje) is voorbij. De voorbije dagen spoken nog wat door ons hoofd: Arthene, Rome, Barcelona, de Pyreneeën of wat het ook was, maar gepasseerd voorbij, dat was het dan, dat is het geweest. Voltooide tijd. Moet je daarom thuis blijven? Je heil zoeken in avontuurlijke reisdocumentaires? Er maar op googelen? Sedert de Corona denk je daar enigszins anders over, reizen was vroeger nog gewoon mogelijk, nou ja gewoon als je voldoende geld had of dat er voor over had, maar het kon dus. Plots is dat, wellicht nog voor lang, uitgesloten. India, Brazilië, Zuid-Afrika… wie waagt het om daar als toerist wat rond te toeren. De wereld aan je voeten? Hm.

 

Donderdag 29 april 2021

Ben ik een verzamelaar van boeken? Het woordje verzamelaar heeft bij mij een ietwat negatieve klant. Mensen verzamelen sigarenbandjes, postzegels, luciferdoosjes en wat nog allemaal. Nee ik verzamel geen boeken, al zijn zij, in de woorden van Stefan Hertmans, mijn ‘dierbaarste kunstwerk’? De Poolse schrijfster en winnares van de Nobelprijs literatuur schrijft ergens over haar man dat hij ‘met een Noach-achtig gevoel voor missie, boekenplanken bouwt voor papieren boeken.’ Alsof papieren boeken gered moeten worden, maar misschien is dat ook zo. Mijn generatie en de volgende ook nog wel denk ik, gaat er van uit dat het papieren boek onontbeerlijk is als een voor de eeuwigheid (cq. de volgende generaties) te koesteren schat van wijsheid en schoonheid. Zou het echt kunnen dat ooit een generatie X + n al dat papier bij het oud papier zet, aangezien al dat moois en al die wijsheden netjes verpakt en gedistribueerd kunnen worden middels elektronische kanalen? Er is natuurlijk (in beide betekenissen) die tactiele ervaring van een papieren boek vast te nemen, erin te grasduinen, er in te lezen, het weer op te bergen…. Moeten wij dat dan loslaten? Er is ook wel het verschil tussen een boek en een tijdschrift, beide papieren artefacten, met dit laatste ga je veel achtelozer te werk, dat gooi je in een krantenmand, of je klasseert het netjes na het vorige nummer, maar herinkijken? Zelden of nooit. En als je met plaatsgebrek te maken hebt, dan zijn de tijdschriften het eerste slachtoffer.

 

Vrijdag 30 april 202 

‘Il faut cultiver son jardin’. Heel zeker, ik dacht aan die wijze woorden van Voltaire toen ik hier wat godverloren De wilde tuin van de verbeelding, een boekje van cultuurfilosoof Kris Pint zag liggen. Ergens lees ik : ‘Dit mentale tuinieren is gericht op de intensivering van het alledaagse leven en op de transformatie ervan tot een (persoonlijk) kunstwerk. Enkel door een actieve, persoonlijke, intieme omgang met kunstwerken en teksten, door de handen vuil te maken, door te wroeten en te verplanten, kan ik hopen iets te ontdekken wat er echt toe doet.’ Is kunst dan zowat het enige wat ertoe doet? Ik heb de neiging om dat te beamen, maar ja er zijn nog zoveel andere dingen: de vriendschap en de liefde bijvoorbeeld. Pint gebruikt ook een – voor mij ongekend en dus nieuw – woord: bembergen. Het is inderdaad een onbestaand werkwoord en het komt uit een roman van Witold Gombrowicz (Kosmos) en het woord verwijst naar alle vormen van stiekem genot, een uitdrukking van 'bijna onzichtbare genoegens’. Zo schrijft Pint onder meer: 'Oog voor detail' heeft minder te maken met de kunst van het perfectioneren dan met de kunst van het 'bembergen': het vermogen om in schijnbaar triviale zaken toch verborgen, delicate genoegens te ontdekken.

Bembergen lijkt mij een aantrekkelijke bezigheid.

 

Mei 2021

Zaterdag 1 mei 202

Wie komt er vandaag te voorschijn op de kalender van het Nederlands Klassiek verbond? Socrates en Alcibiades, begot! Dat zijn toch die twee van het Symposium? Waren dat nu zo hechte vrienden? Symposium, een wat deftige benaming voor drinkgelag, orgie, zeg maar zuippartij. Nu ja, de jonge adonis Alcibiades en de oude, pezige, slordige Socrates en allebei stomdronken, in elk geval Alcibiades (Socrates kon wel tegen een stootje hij kon de hele verzamelde meute onder tafel drinken). En dan moest elke aanwezige een lofrede uitspreken over Eros. Het is me daar wat geweest. Alcibiades, die ‘slechts’ twintig jaar jonger is dan Socrates – lees ik op de ommezijde van het kalenderblad – slaagt er in Socrates te verleiden, wat moeilijk is, Socrates is verliefd op hem, maar als ze samen de nacht doorbrengen gebeurt er niets. Alcibiades druipt dan maar af, je zou voor minder teleurgesteld zijn. Socrates wou Alcibiades een lesje in zelfbeheersing leren. Op de voorkant staat er een afbeelding van de Franse XVIIIe schilder François-André Vincent (wat waren die oude Franse dubbelnamen toch plechtig en gedistingeerd): Alcibiades in gesprek met Socrates. Over de schouder van Socrates luister een piepjonge van lauwerkrans voorziene Eros mee. Op de achterkant staat een kleine afbeelding van een ander schilderij, iets van 100 jaar later, het is van de oriëntalist bij uitstek, ook een fransman, Jean-Léon Gérome en stelt een bordeelscène onder een linnen luifel voor. Socrates treft de halfnaakte Alcibiades zittend aan, terwijl een wel erg jong ook halfnaakt meisje op een tepel van Alcibiades zuigt. De in het rood geklede Socrates houdt met beide handen de linkerhand van Alcibiades vast en achter Socrates schurkt zich een driekwart naakte vrouw zich tegen de filosoof aan. Een sierlijke toekijkende windhond en drie figuranten voltooien het schilderij. La décadence par excellence.

  

 

Zondag 2 mei 2021

Ik had mezelf beloofd om nog drie schilderijen af te leveren voor pARTcours 2021 (en we weten nog niet eens of het zal doorgaan!). Ik ben er vandaag aan begonnen. a) de techniek had ik al in mijn hoofd, een beetje Gerard Richterachtige streken, maar dan concentrisch want b) ik wou een knipoogje geven naar het beroemde (of beter beruchte) dubbelportret van Oskar Kokoschka, de windbruid, waar hijzelf en Alma Mahler in een turbulente lucht in elkaars armen liggen. Een abstract knipoogje wel te verstaan. Waar ik ga uitkomen, geen idee, toeval speelt, zeker in kunst, een grote rol. Ik wil mij zelfs beperken tot enkele grondkleuren (en die wel vermengen): zwart, twee blauwen, rood en geel. Geen penselen, geen schildermessen, maar een soort brede schraper, maar dan in rubber. Enfin, die dingen moeten een naam hebben natuurlijk een vloertrekker heb ik op Google gevonden, maar niet om een vloer te egaliseren hier. Nu zou het wel kunnen dat ik voor een ‘final touch’ toch een penseel of schildersmes gebruik, ik denk voor het aangeven van eventuele contouren van de twee geliefden uit het schilderij van Kokoschka. Lukt het niet dan kan ik alles overschilderen, pardon overtrekken met mijn trekkertje.

   

Maandag 3 mei 2021

Uit Vuurduin, Aantekeningen bij een wereld die verdwijnt van Eva Meijer, uitgave naar aanleiding van de Maand van de filosofie:

‘Manieren om op te gaan in het landschap:

          Heel lang heel stil staan.

          De kleur van het landschap aannemen.

          De vorm van het landschap aannemen.Je ingraven (onderduiken, opstijgen).

          Een onopvallend dier nadoen.

          Erin verdwijnen (bijvoorbeeld ver genoeg weglopen of sterven).

          Je metamorfose afwachten.

          Zorgen dat het landschap zich op een dag naar je voegt,

          bijvoorbeeld door het land te bewerken.’

 

Eigenlijk een uitgebreide voetnoot bij dat ene korte zinnetje: ‘Landschappen liggen in je lichaam opgeslagen, niet alleen als kaart.

En welke manier verkies ik? Ik vind ze allemaal aantrekkelijk, maar ik twijfel nog het meest tussen de eerste manier en je metamorfose afwachten.

 

Dinsdag 4 mei 2021

Hilma af Klint, ik dacht eerst dat het een drukfout was. Alma of Klimt leek mij meer voor de hand liggend. Maar nee, Hilma af Klint bestaat of beter bestond. Obiit 21 oktober 1944, tachtig jaar oud. Een wat excentrieke Zweedse, een schilderes, adept van Rudolf Steiner, daar is allemaal niets mis mee (nou ja, Steiner…), ook niets wereldschokkends, maar … Hilma af Klint (Hilma voor de initimi en intimae allicht) Hilma dus was de ‘moeder’ van de abstracte kunst. Nee, niet Kandinksy, Malevich of wie hebben wij daar nog die het vaderschap van de abstracte kunst claimen? Picabia, Mondriaan? Nee het was een vrouw die er mee begonnen is, ergens tussen 1910 en 1914. Vooruitziend was zij ook, in haar testament stond gestipuleerd dat haar werk pas twintig jaar na haar dood zou mogen getoond worden. Dat was dus 1964, maar geen curator of galerijhouder die er maar aan dacht dat geklieder, van een vrouw dan nog, te exposeren. Pas in 2019 (!) komt er overzichtstentoonstelling van haar werk onder de naam Paintings for future in het Guggenheim van New-York. Waw! Wie was dat? Plots begint iedereen te graven in het leven en werk (waarmee de familie eerst geen weg mee wist) van Hilma.  En terecht meen ik. Interessant lijkt mij vooral haar evolutie naar het abstracte, iets wat ze vaak vertolkt in een serie van opeenvolgende schilderijen met hetzelfde thema, haar Zwanenserie bijvoorbeeld, zeventien schilderijen van figuratief naar puur abstract. En hé, Svanen nr. 1 doet mij denken aan de affiche van Documenta IX met Jan Hoet als curator (verdorie waar is die (mooie) tijd!).

       

Hilma af Klint, Svanen 1                                          Hilma af Klint, Svanen 17                                       Documenta IX – affiche

 

Woensdag 5 mei 2021

Dat over Hilma af Klint, dat weet ik van Joke Hermsen. In haar onlangs verschenen boekje Ogenblik & Eeuwigheid (tijd is haar dada zoals wij onderhand al weten), ondertitel: Meer tijd voor de kunst, staan verschillende essays over kunstenaars en hun werk, zo ook : ‘Ouroboros en overige perikelen – het vitalisme van Hilma af Klint’. Verder naar mijn (niet zo) bescheiden mening heel interessante stukjes over Dean Scully, Virginia Woolf, Marlene Dumas, Thomas Mann, Mark Rothko, Hannah Arendt (jawel!), Edmond Jabès en Paula Modersohn-Becker, ook een favoriet van mij, maar zover ben ik nog niet. Joke Hemsen heeft in 2017 een naar het schijnt prachtige en in elk geval zeer geprezen tentoonstelling (ik ben er toen jammer genoeg niet geraakt) gecureerd in het kasteel van Gaasbeek over de tijd: Kairos Castle. De kunst van het juiste ogenblik met werk – ik noem er slechts enkele - David Claerbout, Nicolas de Staël, Gilbert Garcin, George Meertens, Hans Op de Beeck, Pipilotti Rist (waw!), Patrick Van Caeckenbergh. Er was ook (aangepaste) muziek te horen van J.S. Bach, Arvo Pärt, Simeon Ten Holt, Philip Glass, Steve Reich, John Tavener en nog anderen. Joke Hermsen heb ik ooit willen vragen voor onze Thomas Mannlezing. Op zoek naar contactgegevens van haar kwam ik terecht op een soort managementbureau die haar belangen waarnam. Vraagprijs was geloof ik 2000 euro. Nee, bedankt Joke.

 

Donderdag 6 mei 2021

Gisteren De Spiegel (Zerkola) van Andreï Tarkovski bekeken. Hermetisch is zowat het minste wat je van deze film kan zeggen. Je ziet zeker niet wat je ziet of wat je zou moeten zien. En al wordt die film zijn meest atypische film genoemd, toch herkende ik er de hele tijd zijn stijl, zijn blik in. Het verhaal (verhaal?) leunt sterk aan bij de verhalen van Bergman vind ik: onwezenlijk, verleden gemengd met het nu, gefilmd in kleur, dan weer zwart-wit en sepia…

Misschien moet je de beelden en de sequensen gewoon op je laten afkomen, maar als kijker wil je er toch iets mee, iets mee doen of erover nadenken. Wel het gaat heel moeilijk, nergens krijg je greep op wat er getoond wordt. Er zijn de vele (en soms lange) uit archiefmateriaal bestaande oorlogsscènes, of beter scènes in de rand van de oorlog: zwaar door een ondiep meer ploeterende soldaten die een affuit meetrekken, er is de aanwezigheid van de weidse landschappen die soms onheilspellend tot leven komen in een abrupte storm en er zijn de personages, de vrouw en haar zoon Ignat, de oude moeder (gespeeld door dezelfde actrice die de vrouw speelt) en dan is er nog de poëzie van de vader van Tarkovski, die gedichten worden voorgelezen maar moeten herkauwd worden, ze zijn te snel voorbij, maar je voelt op het ogenblik wel hoe doordringend ze zijn. Over die film wil ik wel meer lezen en te weten komen. Ik heb hier een boekje over Tarkovski en daar hebben we het weer: ik vind het nergens terug, straks wat systematischer zoeken.

 

Vrijdag 7 mei 2021

Gisteren op pad geweest in een doods Brugge. Twee tentoonstellingen op drie locaties.

In de Biekorf de ‘Antwoordtentoonstelling op het werk van Sylvie De Meerleer’. De Stad Brugge (lees: de cultuurdienst en lees: vooral Jan Verhaeghe) en Sylvie De Meerleer, de (vijfde) artist in residence in de Biekorf, hadden een oproep gedaan om met een kunstwerk een antwoord te geven op haar werk, een muurgrote spiraal die zij met behulp van een fijne beitel vanuit het centrum uitgekapt had op de muur bij de inkom van de tentoonstellingsruimte. Zo’n tweehonderd of driehonderd kunstenaars hadden een antwoord ingediend, een zeventigtal bleef weerhouden. Die worden nu tot eind mei van 2021 tentoongesteld, en zijn te bezichtigen na afspraak. Uiteraard een grote verscheidenheid van werk, maar door de m.i. geslaagde opstelling gaf de tentoonstelling toch een coherente indruk. Mooie individuele stukken van o.m. Marc de Wachter, Beljita Gurung, Thomas Van Nuffel, (onze) Carine Vankeirsbilck en een ‘niet hexagonaal’ zelfportret van Guido Dobbelaere. Een beetje atypisch voor Guido misschien, alhoewel zijn kijkkastjes zagen wij al eerder. Na de Biekorf, op naar De tank op de Burg. Daar deel één van ‘Hedendaagse primitieven’. Een fototentoonstelling met foto’s van Brugse kunstenaars of kunstenaars die iets met Brugge te maken hebben. Fotograaf van dienst was Alex Vanhee, een aangespoelde Bruggeling, elke kunstenaar werd ook geïnterviewd door Benedikte Van Eeghem. Interviews en foto’s werden gebundeld in een mooi uitgegeven naslagwerk. Naast de meer dan mensengrote foto’s was er doorgaans een werk te zien van de kunstenaar of een tekst in het geval de man/vrouw het bij de literatuur gezocht had (Peter Verhelst, Delphine Lecompte, Lara Taveirne, …) . Muzikanten (Jos Van Immerseel, Jean Blaute, Thomas Blondelle, …) moesten het stellen met enkel een foto. Van De Tank naar de Exporuimte op de burg, is maar een sprongetje. Hier was het tweede deel van de tentoonstelling te bewonderen.

     

Sylvie De Meerleer                                                   Marc de Wachter                                                         Mieke Teirlinck (foto: Alex Vanhee)

 

Zaterdag 8 mei 2021

Joke Hermsen in Ogenblik & Eeuwigheid, Meer tijd voor de kunst. Een twaalftal essays over kunst en tijd.

‘Zolang de kunstenaar zijn werk voor zichzelf houdt, bestaat het in feite niet.’

‘Een schrijver verliest zijn verhaal zodra hij het verteld heeft, en daarom zal hij nooit met schrijven kunnen ophouden.’

‘De helende werking van literatuur, ook wel bibliotherapie genoemd…’

 

Moet ik nu nog meer in bibliotherapie gaan?

 

Zondag 9 mei 2021

Zopas De wand uitgelezen, het boek voor de leesgroep, volgende vrijdag. Toen ik de titel zag dacht ik eigenlijk meteen aan dat andere ‘wandboek’, De muur (The wall) van John Lanchester, maar nee al vlug bleken beide romans zowat elkaars tegengestelde te zijn, op alle gebied. De voortdurende actie in De muur tegenover de stille rust in De Wand alleen al is zeer opvallend. Dan maar De Wand, de auteur is de Oostenrijkse Marlen Haushofer (meisjesnaam Frauendorfer), ze stierf in 1970, nog geen vijftig jaar oud. Die fameuze (doorzichtige) wand is er eigenlijk maar bij gesleurd, een soort stoffelijke Deus ex machina om het verhaal te kunnen laten gebeuren (of er enige realiteitswaarde aan te geven, ondanks die surreële wand), voor mij is die wand in de eerste plaats een metafoor voor het van alles en iedereen afgescheiden zijn. Wat doet een vrouw helemaal alleen op de wereld? Alhoewel ze heeft haar dieren: haar hond Lucks, haar koe Bella en haar naamloze kat en tussendoor nog enkele diervrienden die allemaal verdwijnen, doodgaan blijkbaar tijdens haar verhaal. Of beter tijdens haar verslag, zo noemt ze haar geschrijf (de eveneens naamloze ‘ze’ wel te verstaan). Even dacht ik ook aan Walden van Thoreau, maar dit laatste boek is meer belerend, terwijl het hier om een ‘roman in verslagvorm’ gaat.

Ja je moet het kunnen, schrijven over dagen en nachten die op elkaar lijken, steeds in dezelfde zeer sobere omgeving, geen mens te bespeuren (behalve in het begin, om een aanvaardbaar uitgangspunt te kunnen presenteren en op het einde, om toch maar dat eeuwige zelfde af te kunnen sluiten). Meer nog, als lezer raak je geboeid, gefascineerd zelfs, bovendien is er geen indeling in afzonderlijke hoofdstukken, het is één lang verslag zonder enige onderbreking, je raakt geboeid dus, en je wil verder lezen, onophoudelijk. Haushofer weet het ook goed aan te pakken door bijvoorbeeld in haar verslag zaken die toen nog in de toekomst lagen regelmatig te vermelden, langs haar neus weg bijna. Zo de dood van haar trouwe hond, over de feiten zelf lezen wij pas in de laatste bladzijden. Waarover gaat het dan allemaal? Als het al over iets gaat. Het overleven van een vrouwelijke Robinson Crusoë in een hedendaagse omgeving? Eenzaamheid en wat dat met een mens doet? Over de innige relatie tussen mens en (huis)dier? Over het niet kunnen (maar soms moeten) doden van dierlijke wezens? Over het einde der tijden en de laatste mens – wat ook niet echt klopt, aangezien er een vreemde man helemaal op het einde verschijnt (die ze dan wel neerschiet en zijn lijk in een kloof werpt, dus toch de laatste mens)? Een recensent heeft het over prachtige zinnen, die heb ik niet echt gevonden, prachtig dan in de zin van kunstig, poëtisch, esthetisch. Wel simpele zinnen, zogenaamde tussendoorzinnen die beklijven, waar je inderdaad mag bij stil staan, maar waar je dus gemakkelijk over leest. Ja, plaats Haushofer maar direct naast Jelinek.

Maandag 10 mei 2021

Mailtje ontvangen van Thomas in verband met een studiedag, volgende week maandag, die de UA inricht over Iris Murdoch als filosofe. Iris Murdoch als (moraal)filosofe. Thomas is de (fiere) dagvoorzitter en zal deze studiedag inleiden. Ik lees dat er volgende bijdragen zullen zijn:

Iris Murdoch over literatuur en filosofie: vragen naar de vorm, door Edith Brugmans.

‘The loving she’: over feministische ethiek en onszelf wegcijferen door Lotte Spreeuwenberg.

Foute gedachten – Iris Murdochs bijdrage aan de hedendaagse discussie over ‘moral encroachment’ door Katrien Schaubroeck.

Iris Murdoch over morele waarneming en gehoorzaamheid door Rob Compaijen en tot slot: Iris Murdoch: “What is not to love?” Enkele hoogtepunten uit Murdochs werk en receptie door Mariëtte Willemsen en Hannah Marije Altorf. Eventjes dacht ik dat die receptie sloeg op een knabbeldrink of zo, tot ik mij realiseerde dat alles online plaatsvindt. Ik zal mezelf dus moeten trakteren.

Ja, vooral de bijdrage van Katrien Schaubroeck zie ik met interesse tegemoet. Encroachment, ik heb het even moeten opzoeken: aantasting. Schaubroeck schreef namelijk een boekje over Murdoch: Iris Murdoch. Een filosofie van de liefde, verschenen bij Letterwerk, de uitgeverij van Thomas, in de Questa-reeks.

Ik dacht dat ik dat ergens liggen, maar neen, blijkbaar niet, dus dan maar besteld.

 

Dinsdag 11 mei 2021

In mijn dagelijkse rommeling gestoten op een Oxfam-agenda uit 2006, king size. En zowaar is elke dag gevuld met een geschreven dagboekaantekening, nou niet elke dag, de aantekeningen stoppen op 22 maart.

Mijn geschrift was toen net nog leesbaar, momenteel is het dat al lang niet meer, zelfs voor mijzelf. Wat staat erin? Op het eerste gezicht enkel faits divers, over mezelf in de wereld? Soms typische zinnen (typisch voor mij bedoel ik), zo op 2 januari – mijn eerste werkdag van het jaar blijkbaar. ‘Over de middag naar de bibliotheek (nvdr. De Brusselse hoofdstedelijke bibliotheek vlak achter het Muntplein)mijn boeken binnenbrengen. Koffie met kaastaart, maar ze hadden geen kaastaart, dus flan. ‘s Avonds in grote bocht naar huis.’ En de laatste zin van die dag, (al even typisch): ‘’s Nachts weer tamelijk lang wakker’. Die zin kon evengoed van vandaag zijn. Het meeste is geschreven met paarse inkt. Ik herinner mij die fijne (letterlijk) vulpen en ook de inktpatronen van Pelikan. Het kan nog plezant worden daar een beetje in te lezen.

 

Woensdag 12 mei 2021

Een mooi beeld heeft Joke Hermsen, zowel in Stil de tijd als in Kairos aangereikt. De toekomst ligt achter ons, het verleden ligt voor ons. De tijd werd volgens een antieke Griekse uitdrukking gezien als een rivier (een beetje zoals het ‘panta rei’ van Heraclitus). Wij staan in de stroom en kijken met de stroming mee, wat wij voor ons zien is dan het (nabije) verleden dat verderop vervaagt als het verre verleden; de toekomst die dan achter onze rug ligt, kennen wij niet, maar zij (de toekomst is vrouwelijk, hmm) duwt ons zo voort. Hoe we ons moeten gedragen hoe we moeten handelen kunnen we enkel aflezen uit het voor ons liggende en bekende verleden. Betekent ook dat we de toekomst niet zomaar als een onbeschreven blad mogen bekijken en evenmin dat we ons moeten neerleggen bij iets wat nu eenmaal voorbij is.

 

Donderdag 13 mei 2021

Ik heb even volgende zin moeten herlezen: ‘De liefde is de handeling waarbij iets a-posteriorisch – de bij toeval ontmoet andere – wordt omgezet in een a-priori – de voorwaarde om te kunnen leven’. Wat is die waar (na vier keer gelezen te hebben). Deze zin wordt in de mond gelegd van Günther Anders, filosoof, eigenlijk Günther Stern – Anders was zijn pseudoniem. Wie is G.A. of G.S? Wel, hij is de (eerste) man van H.A die tegen de toen en nu nog altijd heersende gewoonte niet (mevrouw) Hannah Stern geworden is, maar Hannah Arendt gebleven is. Twee filosofen onder hetzelfde dak… niet bepaald een goed recept voor bestendigheid en samenhorigheid, en dat is ook zo gebleken, acht jaar na hun huwelijk was het al voorbij, al bleven de twee elkaar waarderen en opzoeken. Günther zou trouwens de zin uit het begin van mijn aantekening in het oor gefluisterd hebben van Hannah terwijl hij haar tijdens een gekostumeerd bal (de flamboyante Hannah was verkleed in een haremmeisje!) over de dansvloer zwierde. Die zin besloot Hannah om met Günther te trouwen, zo suggereert Joke Hermsen in haar ‘verhaaltje’ over Hannah Arendt. Maar terug naar de zin. Een ontmoeting gebeurt doorgaans onverwachts, ook al hing die soms in de lucht (denk aan de ontmoeting tussen Sylvia Plath en Ted Hugues, ze waren beiden uitgenodigd op een bal van de universiteit), dus  - als er iets van komt – is die ontmoeting een a posteriori gebeurtenis. En ja, dit is een voorwaarde, meer zelfs een conditio sine qua non, zonder dewelke de wereld in zijn gewone verdere beloop zou gelaten zijn, maar omdat het een begin was, een initium ut esset – een begin opdat het zou zijn (Augustinus, de kerkvader waarop Arendt doctoreerde bij Karl Jaspers) wordt de voorwaarde dus een a priori. De ontmoeting die voorwaarde wordt, het a posteriori dat een a priori wordt.

PS. De oorspronkelijke uitspraak luidde: initium ut esset, homo creatus est -opdat er een begin zou zijn, is de mens geschapen.

 

Vrijdag 14 mei 2021

Hé, hé, wat het onbesuisd zinnetje gisteren van Günther Anders toch kan teweeg brengen. Zo te horen was hij wel een (groot) stuk pessimistischer dan Hannah. Zijn roman over een land met een totalitair regime, De catacombe van Molussië, wist hij pas in het jaar van zijn dood (1992) te voltooien, hij was er al mee bezig toen hij nog met Hannah was. Anders publiceerde wel een aantal vooral filosofische/marxistische essays, hij stond ook op de barricaden tegen de wereldwijde nucleaire dreiging na WO 2, iets wat Sylvia Plath ook danig bezig gehouden heeft. Nog een weetje: Anders/Stern was een verwant van Walter Benjamin en Bertolt Brecht. Benjamin, ook zo’n interessant iemand, maar jammer genoeg is er zo goed als niets van hem vertaald in het Nederlands, Das Passagenwerk lijkt mij toch meer dan de moeite waard. Ja wat als het Passagenwerk zou vertaald worden in het Nederlands… dan stond ik bij het verschijnen gegarandeerd aan de deur van de Raaklijn, geloof me (en ook voor de vertaling van Das Prinzip Hoffnung van Ernst Bloch!). Maar ‘wat als’, de meest stupide aanzet van een uitspraak. Persoonlijk vind ik ‘Wat als’-vragen en -bedenkingen flauwe kul – wat voor zin heeft het om onomkeerbare situaties te gaan bevragen: wat indien Napoleon 200 jaar later was geboren, wat als het effect van Coronavirus tijdig was ontdekt enz. Dus daar niet over wakker liggen; misschien komt er ooit een vertaling van Das Passagenwerk, zo heb ik jaren heimelijk gehoopt dat Joseph und seine Brüder van Thomas Mann zou vertaald worden, en kijk, enkele jaren geleden was de Nederlandse versie er, Jozef en zijn broers, een pil van 1350 bladzijden, vertaald door Thijs Pollmann. Uiteraard onmiddellijk aangeschaft én met grote voldoening gelezen.

 

Zaterdag 15 mei 2021

Er zijn die stupide ‘wat alsen’ en die richten zich uiteraard op het verleden, maar er zijn natuurlijk ook toekomstgerichte ‘wat alsen’, realistische doch doorgaans irreële veronderstellingen. Wat als ik morgen de lotto zou winnen (wat op zich onmogelijk is omdat ik nooit meespeel met dat soort dingen)… onrealistisch dus. Wat als ik morgen een verloren partituur van Béla Bartok zou ontdekken (wat beslist moeilijk zou zijn, aangezien ik nooit rommelmarkten of antiquariaten afschuim, maar kom, je weet nooit). Dat is al realistischer omdat Bartok negen strijkkwartetten gecomponeerd heeft, waarvan er slechts zes bekend zijn, de eerste drie zijn verloren gegaan. Ja wat dan? Ik veronderstel dat ik dan een uitnodiging voor een uitgebreid etentje (en een dikke cheque) zou krijgen van de culturele attaché van Hongarije, alhoewel, cultuur zit daar nog meer dan bij ons in het politieke verdomhoekje. Dus zelfs indien (wat als!), dan nog zou dat op een sisser uitlopen, ik zou beter zoeken naar een verloren cantate van Bach, een paar dagen Leipzig zouden ook niet te versmaden zijn.

Oké, ik droom, maar wat zou het leven saai zijn zonder dromen? Joke Hemsen breekt een ferme lans voor meer enthousiasme en bevlogenheid, ze is daarvoor niet te vies om grootheden als Desiderius Erasmus, Friedrich Nietzsche, Henri Bergson, Ernst Bloch en  Hannah Arendt in te schakelen.

Intussen is het half mei geworden, vreselijk hoe snel de tijd vliegt en alles voorbijgaat.

 

Zondag 16 mei 2021

Hoe heette men zo’n jaar weer? We hebben het heilig jaar in Santiago de Compostela – telkens als het feest van Sint-Jacob op een zondag valt (25 juli) en men dan dat reuzenwierookvat uit de kelders van de kathedraal haalt en door het schip laat slingeren. Een schouwspel waar ik niet zo gerust in zou zijn, om te beginnen het gewicht van het wierookvat dat nog erg verzwaard wordt door het slingeren en zo doorheen de ruimte suist. Kunnen die kruisbogen, die toch ook niet van de jongste zijn, dat wel houden? En we hebben ook het heilig jaar in Rome, wanneer de paus ‘Sesam open u speelt’ bij een of andere bronzen poort in de Sint-Pietersbasiliek, iets wat in principe slechts om de 50 jaar plaats vindt, netjes aan het begin en halverwege de eeuw, maar sommige pausen hebben niet genoeg aan één heilig jaar en doen er dan maar eentje bij zoals in het recent verleden paus Johannes Paulus II Woytila in 1983 en dan opnieuw in 2000. Omdat onze Fanciscus (de Argentijn Jorge Mario Bergoglio, maar wie weet dat nog of heeft dat ooit geweten?) er van uit gaat dat hij 2050 niet meer zal halen heeft hij ook al zijn wapenfeit gerealiseerd, in 2016 namelijk, het zogenaamde jaar van de barmhartigheid. Zo’n jubeljaar heet ook wel Hallelujajaar en we vinden het al terug in het Oude Testament. De bedoeling was om elke 50 jaar tabula rasa te houden in de maatschappij. Dus schulden kwijtschelden en herbeginnen met schone lei, dit om te vermijden dat rijken rijker en armen armer werden. Mooi initiatief eigenlijk. Ik zie het vandaag niet onmiddellijk gebeuren. Gates en Bezos die hun portefeuille laten leegstromen om de pieken en de dalen wat te nivelleren… Halleluja, dat zou pas een vreugdezang waard zijn. Trouwens ik heb iets met Halleluja, zeldzame momenten van ontroering en overgave, in de muziek vind je er natuurlijk wel veel van, in de eerste plaats in het Gregoriaans maar behalve natuurlijk Händel in zijn Messias hebben wij bijvoorbeeld een wervelend Halleluja bij Mozart in zijn motet Exsultate, jubilate.

 

Juni 2021

Vrijdag 4 juni 2021

pARTcours 2021, deze biënnale van de ‘lokale’ kunst in Zedelgem zit er al een tijdje op. Een bijzonder winderige raameditie dit keer, zeg dat wel. In elk geval geen terrasjesweer. Toch redelijk succesvol heb ik de indruk, zeker op Pinksterenzondag was er toch tamelijk veel volk op de been, vooral op de fiets dan. Hier en daar knap werk, maar ook veel prul natuurlijk en de presentatie was uiteraard alles behalve evident, alles achter reflecterend glas en dan de gekste combinaties naast elkaar soms. Maar goed, dat soort evenementen organiseren in (onzekere) Coronatijden, het is niet alles. Een dikke week vooraf wisten wij nog niet eens of de kunstroute zou kunnen doorgaan. Voordeel was dan wel dat er geen permanentie vereist was, alhoewel elks voordeel heeft zo zijn nadeel, tijdens een permanentie kon je een boekje bij je hebben, al moet ik toegeven dat je daar nu ook niet heel de tijd na elkaar in kunt lezen. Elk voordeel heeft zo zijn nadeel.

 

Zaterdag 5 juni 2021

Ik kom nog even terug op pARTcours, de voorbije kunstroute. Ik heb die route de zaterdag voor driekwart afgefietst. Wat mij het meest is bijgebleven was het bezoek aan Tom Collier: muzikant, dirigent en componist, zoals het in de folder stond. Hij had buiten ook een installatie staan, of beter hangen ‘vuurvogel’ (waarom dat geen ‘windvogel’ noemen?) Ja, wel knap gevonden maar eerder behorend tot de vogelverschrikkerskunst, daar ging het mij niet om, wel om de man en zijn muzikale spitstechnologie die hij daar voor de gelegenheid uitgestald had. Een indrukwekkende batterij elektronica en een paar geluidsboxen en een geanimeerde uitleg (eindelijk iemand die geïnteresseerd was?). Wat toen door mijn hoofd speelde was de vraag (die ik toen niet gesteld heb, mijn frank/euro valt altijd veel later) in hoeverre het ‘creëren’ van nieuwe muziek, het maken van een nieuwe compositie niet erg afhankelijk is van het toeval. Je klikt enkele, knopjes aan, een beetje resizing links en rechts en nog wat kleur erbij, dat zich in telkens andere sonoriteiten vertaalt, en daar heb je je eerste elektronisch muziekje, dat vooral elektronisch én toevallig klinkt. Boeiend, dat wel, maar waar zit dan de creatieve geest van de maker? Deed mij sterk denken aan de kladderkunst van bijvoorbeeld Pollock en af en toe Richter (tussen haakjes beiden grote figuren uit de abstracte schilderkunst, begrijp mij niet verkeerd): er een beetje op los spetteren en met de naam die je al hebt verdien je dan weer 25.000 euro met een half uurtje plodderen.

Maar die man had wel degelijk meer in petto, dat heb ik pas ontdekt als ik hem even opzocht op internet en zowaar op zijn website terecht kwam: www.tomcollier.be. Daar staan dus enkele composities op en hier is er geen toeval meer te achterhalen, dit lijkt mij alles heel doordacht te zijn en ik heb er bij het luisteren wel degelijk een esthetisch genoegen aan beleefd.

Er staat ook een stukje biografie op zijn site, al vind ik de intro wat lullig, zo typisch voor typische kunstenaars, ik citeer even: “Mijn inspiratie vindt zijn oorsprong in de natuur met een bijzondere aandacht voor licht in zijn breedste betekenis, van een zonnestraal die op een herfstavond door een blad sijpelt tot de helderheid waarmee we een inzicht ervaren. Elke compositie is een zoektocht naar de juiste stemming passend bij mijn verbeelding.” Natuur, zoektocht, stemming, verbeelding… wat een gedoodverfde mix van inspiratie! Soyons sérieux, Tom!

 

Zondag 6 juni 2021

‘Wat is werkelijk van belang in ons leven?’, meer – en terecht zelfs – in welke periode van ons leven? Zoals meestal sta ik bij dit soort vragen met mijn mond halfvol tanden. De gangbare gedachtegang zou dan zijn: vrouw, kinderen, ouders enzovoort, wat meestal wel niet klopt, zeker niet als de verschillende periodes van je leven afstruint. Doorgaans komt het natuurlijk altijd neer op hetzelfde: wat is werkelijk van belang voor mij, nu, vroeger, straks en later? Ik dus! Laten we daar niet flauw over doen. Goed, maar na die ik dan? Het leven zelf maar, dat is dan ook weer draaien rond diezelfde ik-pot eigenlijk. Dus geen ik, geen leven dan, maar wat dan wel? Het woord dat nu al voortdurend door mijn brein zweeft is schoonheid. Esthetische en ethische schoonheid en bij voorkeur als die beiden samenvallen (wat eigenlijk het geval zou moeten zijn, en doorgaans ook is, althans als we ons even op Wittgenstein beroepen). Is dit een afdoend antwoord? Hoeft er daar tekst en uitleg, een afbeelding bij? Natuurlijk niet, schoonheid is een te abstract begrip om daar woorden aan mooi te maken. Ben ik dan een schoonheidsaanbidder? Van mezelf vind ik van wel, al klinkt dat wel zeer onbescheiden, zeker met dat Latijnse gezegde in gedachten: de gustibus (et coloribus) non disputandum. Lange tijd aan Cicero toegeschreven maar blijkbaar afkomstig uit de niet zo donkere middeleeuwen. Maar, in alle onbescheidenheid, laten wij ons van die smaken en kleuren niets aantrekken. Schoonheid dat refereert naar kunst zou je denken, is ook zo, al zal er in de natuur ook wel schoonheid te vinden zijn, toch ligt het daar enigszins anders. Kan een leeuwerik mij een schoonheidservaring geven? Zeker en vooral als hij opgelost is in zijn omgeving: het landschap (bij voorkeur een korenveld – cultuur – en een blakende zon – natuur –, stilte en enkel het gekwinkeleer boven dat stukje oneindigheid). Maar ik zoek het vooral in de kunst – des mensen dus. Of beter ik vind het, doorgaans toevallig zonder er naar te zoeken. Het (de schoonheid) openbaart zich vaak vrij plots. Het tweede pianoconcerto van Brahms bijvoorbeeld tijdens de finale van Koningin Elisabethwedstrijd of zoals je plots voor een schilderij van Khnopff staat en daar zowat lam geslagen wordt door een zittende vrouw, in zichzelf gekeerd met op de achtergrond, een net nog aanwezige pianist. Het schilderij heet ‘En écoutant Schumann’ als ik mij nog goed herinner, ooit stond ik er voor en door dat meer dan een vlugge blik waardig te achten, stelde ik vast dat ik werkelijk perplex stond, meerdere minuten heb ik toen doorgebracht voor dat schilderij. Schoonheidservaring. Zonder schoonheid zou …, maar dat is onmogelijk, dus waarom daarop ingaan?

 

Maandag 7 juni 2021

Kinesitherapie. Ik heb geen probleem met kinesitherapie en nog minder met de peuten zeker als het peutes zijn, maar ik vraag mij toch af wat voor zin dat in mijn geval heeft of gehad heeft. Vanmorgen was het weer van dat: een halfuurtje, dat meestal maar twintig minuten duurt, mijn (fysiek) evenwicht zoeken op zo’n hobbelig bobbelig kussentje, met de blauwe bal spelen en tussendoor naar een stom programma op een scherm kijken, nu ja, ik kijk eigenlijk alleen naar het uur dat daar in de rechterbovenhoek oplicht. En de dag nadien dan stramme spieren hebben. Ik zal blij zijn als heel die oetsie toetsie achter de rug zal zijn. Weer driekwart uur (kwartier heen en terug met de fiets, tien minuten wachten, twintig minuten hop met de beentjes en de armpjes) dat ik zal vrij hebben om mijn creatieve geest aan te wakkeren. Was het maar waar! O ja, wat ik onlangs zag en waar ik stikjaloers op was: een zeer zonnige dag, ik fiets langs de Brugse vesten (binnenkant), zie daar een jonge man uitgestrekt op zijn rug in het gras liggen (hij slaapt, soest, dut of wat dan ook) en naast zijn hoofd een boekje. Wat een gelukzak zeg, midden in de dag in de zon liggen luieren en af en toe een stukje lectuur. Toen dacht ik: maar ik kan dat toch ook? Toch niets wat mij tegen houdt? Ik kan evengoed een boekje meezeulen, naar de Brugse vesten rijden en mij daar languit in het gras neerleggen en een hoofdstukje of twee lezen… maar verdorie, ik doe het niet, want altijd ergens naartoe, altijd iets te doen… vreselijk! Gretchen am Spinrad, waar is mijn rust naartoe?

 

Dinsdag 8 juni 2021

Jules Renard in zijn dagboek (23 november 1888): ‘Je kent niet de zorg om het geld, om dagelijks brood. zie, je bent vrij, en de tijd behoort je toe. Je hoeft alleen maar te willen. Maar het kunnen ontbreekt je.’ Die laatste zin kan ik voor mij wel omkeren: ik hoef alleen maar te kunnen, maar het willen ontbreekt me, of beter het zetten van die eerste stap.

 

Vrijdag 11 juni 2021

‘Dans chaque génie il y a un grain de folie’. Altijd gedacht dat deze uitspraak van Friedrich Nietzsche kwam, maar ik lees die nu hier in ‘Le neveu de Rameau’ van de encyclopedist Denis Diderot, een werk(je) uit 1762 of daaromtrent. Nu, het zou zeker van Nietzsche kunnen geweest zijn en na even googelen kom ik tot de constatering dat zelfs Diderot niet de eerste was, maar Aristoteles, wel, wel.

 

Dinsdag 15 juni 2021

Begonnen aan de biografie van Charles Baudelaire (hij wordt dit jaar 200). Niet zo uitnodigende typografie, maar het is vooral de inhoud die telt. Erg traditioneel opgevat (tot nu toe, hij is momenteel 14 jaar): voorouders, ouders, kinderjaren (bijna niets), schooljaren, veel opsommingen. maar wat mij opviel, dat ik dat wel graag lees, al die feiten en (halve) anekdotes. Nu, of ik dat nog 350 bladzijden zal uithouden is iets anders, maar tot nu toe lukt dat aardig. Het bijzonder mooie weer nodigt natuurlijk niet uit om veel te lezen, te meer omdat er nogal wat werk in de tuin te doen is. Alles op zijn tijd zegt de Prediker, er is een tijd van dit en er is een tijd van dat, maar altijd tijd te kort.

 

Donderdag 17 juni 2021

(sans paroles)

 

Zaterdag 19 juni 2021

Vertalen. Niet specifiek wat Baudelaire betreft, alhoewel…

Je vertaalt zijn poëzie in het Nederlands en wat krijg je (met de beste wil van de wereld)? Proza.

Hoe komt dat? Ik zou het ook niet weten. Is Frans dan uit zichzelf zo’n poëtische taal? Nee toch, al vermoed ik dat er in het Frans meer woorden met verschillende nuances beschikbaar zijn (als wij onze dialecten erbij nemen, lukt dat voor onze taal misschien ook nog).

Vandaar dat Les Fleurs du Mal zoveel mooier leest in de oorspronkelijke taal (liefst met een woordenboek, dat wel). Ik neem één voorbeeldje, nogal willekeurig, een jeugdgedicht (niet uit Les Fleurs dus): 

– Nous traînions tristement nos ennuis, accroupis

Et voûtés sous le ciel carré des solitudes,...’

Vertaald (door Truus Boot en/of Nelleke Van Maaren, de vertalers van de biografie, veronderstel ik)

– Wij sleepten onze verveling droevig met ons mee, gehurkt,

En gebogen onder de vierkante hemel van de eenzaamheid,…

Voor alle duidelijkheid, met deze vertaling is er niets mis mee, maar hier snuif ik toch geen poëzie?

 

Zondag 20 juni 2021

Woorden en begrippen vroeger en nu, vaak hebben ze doorheen de tijd heel andere betekenissen gekregen, en kan je ze dus niet meer met de instelling van vandaag lezen, moet je je dus inleven in de toenmalige tijd. Neem nu begrippen als socialisme, romantiek,… zeker dat laatste betekent nu helemaal iets anders. Maar ik ga er niet verder op in, want om het verschil tussen toen en nu te maken heb je meer dan een paar regels nodig. Leuk vond ik wel als de jonge Baudelaire zijn bundel Les lesbiennes aankondigde (die trouwens nooit zou verschijnen, maar vele van de gedichten erin zijn later wel opgenomen in Les Fleurs du Mal). Voor Baudelaire zijn lesbiennes niet de vrouwen die wij vandaag voor ogen hebben, maar zijn het de bewoonsters van het eiland Lesbos (nu ja, we zitten hiermee wel in een bepaalde richting). Als hij vrouwen wil aanduiden die zich aan elkaar overgeven, gebruikt hij de term tribades.(tribaden) of spreekt hij van ‘verdoemde vrouwen’ (we zijn in 1844!).

 

Maandag 21 juni 2021 (zonnewende)

Onlangs nog, als ik mij goed herinner, had ik het nog over het belang van schoonheid. Ik had het dan vooral over esthetische schoonheidservaringen. Het luisteren naar Beethovenkwartteten, symfonieën van Brahms, pianoconcerti van Mozart of het bewonderen van Khnopff, Nolde, Rothko of het degusteren van de poëzie Rilke, het lezen van Hadrianus’ gedenkschriften…, maar dus niet over mijn schoonheidservaringen met en in de natuur. Dat is iets wat mij ontbreekt, schoonheid ontdekken in de natuur, het kleine, het microscopische en het grote, het kosmische. Mijn gevoelens daarbij zou ik niet in de categorie van schoonheid brengen, eerder in de categorie van het grootse, het overweldigende, het adembenemende, ja het ontzagwekkende (zeker vulkanen en het heelal met zijn ontelbare sterren). Bij Baudelaire of beter in een brief van Charles aan een vrolijke drinker en would-be dichter, die voor een bundel met poëzie over het bos enkele natuurgedichten gevraagd had, vond ik een antwoord op die vraag van Fernand Desnoyers. want zo heette de man. Deze laatste had al namen gestrikt als Victor Hugo, Alphonse de Lamartine, George Sand, Alfred de Musset, Gerard de Nerval…, toch niet de minste. Ziehier Baudelaire zelf aan het woord in (een deel van) zijn brief:

‘Mijn beste Desnoyers, u vraagt me gedichten voor uw boekje, gedichten over de  Natuur, nietwaar? over bos, grote eiken, struweel, insecten, over de zon, vermoed ik? Maar u weet toch wel dat ik niet in staat ben tot mooie gevoelens met betrekking tot planten, en dat mijn ziel zich verzet tegen die merkwaardige nieuwe Religie, die altijd, lijkt mij, voor elk spiritueel wezen enigszins shocking moet zijn. Ik zal nooit geloven dat de ziel der Goden in planten huist, en als dat toch het geval mocht zijn, zou ik me daar maar matig druk om maken, en ik zou mijn eigen ziel heel wat hoger aanslaan dan die van de heilig verklaarde groenten. Ik heb zelfs altijd gedacht dat er in de Natuur iets droevigs was, iets hards en wreeds, dat springlevend is en welig tiert, iets onbestemds, dat raakt aan schaamteloosheid. Omdat het mij onmogelijk is volledig aan uw specifieke wensen tegemoet te  komen, zend ik u twee proeven van poëzie, die wel ongeveer de hele scala weergeven van mijmeringen die mij in het schemeruur overvallen. In de diepten van het bos, ingesloten onder die gewelven die lijken op die van sacristieën en kathedralen, denk ik aan onze verbazingwekkende steden, en de wonderbaarlijke muziek die over de boomtoppen rolt, klinkt mij in de oren als de vertaling van menselijk klagen.’

Niet dat dit honderd procent mijn eigen mening of gevoelens dekt, maar ik kan mij toch in heel wat zaken herkennen. Ik beken ooit was ik wel enigszins anders gestemd, mijn – belachelijke – flower power periode (niet de flower power maar mijn tijdelijke overgave eraan vind ik nu belachelijk), gepaard met een zeker pantheïstische drang naar totaalervaring, nooit in geslaagd trouwens. Nee het heilige in de groenten zal ik niet vlug ontdekken. Nu wellicht houden mijn gelijkenissen met Baudelaire hierbij op, ik zou niet graag zijn vriend geweest zijn, voor zover er iemand zijn vriend kon zijn. de man was wispelturig, opvliegend, onvoorspelbaar en irritant (dat laatste ben ik misschien ook voor sommige aardelingen). Nee gedichten over puur natuur zie ik mij niet direct schrijven. Ik ben denk ik eerder een stadsmens zonder stad (ik zou niet weten welke stad mij het beste ligt, zeker niet de grote steden of de metropolen, misschien eens over nadenken).

 

Dinsdag 22 juni 2021

Voilà, zo maar ineens zijn wij op weg naar de winter. Wat een afknapper om dat te beseffen, en toch zijn we (zouden we moeten zijn) op het hoogtepunt van licht en warmte. Nu de nachten beleven boven de Noorpoolcirkel of de witte nachten in Sint-Petersburg, dat moet toch een bijzondere ervaring zijn (waar ik nooit deel aan zal hebben, weet ik maar al te goed, maar ik lig er zeker niet van wakker). The soul is born old but grows young. That is the comedy of life. And the body is born young and grows old. That is life's tragedy.’ Van wie anders dan van Oscar Wilde? En hij heeft nog eens gelijk ook. Ik sop mij maar verder in mijn tragedie.

 

Woensdag 23 juni 2021

Deze namiddag bestuursvergadering Het Beleefde Genot, en ja we beleven er nog genot aan, zij het met mate (zoals je hoort te drinken). Wat zal de uitkomst zijn? Einde van vijftien jaar bloeiende Cultuur (jawel, met grote C) in Zedelgem? Of voorzichtige herneming van lezingen, op een weliswaar lager pitje? De vroegere draad weer opnemen van voor de Corona? Nee, dat laatste zit er beslist niet meer in, zelf heb ik er geen behoefte aan en geen energie meer voor.

 

Donderdag 24 juni 2021

In de Malte van Rilke staat deze mooie en ware zin: ‘Gedichten zijn niet, zoals de meeste mensen denken, gevoelens, maar ervaringen. Omwille van één enkel gedicht moet je dus vele steden zien en mensen.’ Inderdaad, één enkel gedicht bevat soms een hele wereld of had die omgeving nodig om te kunnen ontstaan. Als lezer besef je dat niet. Ervaringen, de meeste toch, zijn natuurlijk ook gevoelens die je meedraagt. Bij het schrijven van gedichten maak je daar, vaak volkomen onbewust, gebruik van. Schrijven zeg ik, maar gedichten schrijf je dus niet, ze schrijven eerder zichzelf nadat ze gecomponeerd, samengesteld werden in je hoofd. En zoals je je geheugen selectief gebruikt om enkel de mooie hoekjes van een stad te herinneren, zo ga je dan je eerste compositie ontdoen van de overlast van te veel woorden. Soberheid siert het gedicht, sommige dichters zijn daar meesters in, denk aan Roland Jooris, ik neem als voorbeeld een van zijn recentste gedichten uit de bundel Vertakkingen:

Wegens het onbestemde

Namens het nog
vormeloze

Blijkens zijn honger
zijn dorst naar steeds
dichter

Ondanks de gaafheid
die hem beschadigt

Desnoods tegenstrijdig
met wat hij begeert
.

 

Het leest wat onwennig, zoveel soberheid zijn we niet gewoon, maar ‘In der Beschränkung zeigt sich erst der Meister’. Beweerde Goethe dat niet, zo’n twee eeuwen geleden?

 

Vrijdag 25 juni 2021

‘Maar wanneer de pers, radio en televisie of sociale media lucht krijgen van dergelijk onderzoek, brengen ze het zo dramatisch, sensationeel of gedenkwaardig mogelijk, en wekken daarmee vaak angst om iets onschuldigs.’ Getekend: Theodor Dalrymple, niet bepaald mijn beste vriendje, maar hij heeft het toch vaak juist. Wat zei Franklin Roosevelt ooit weer? ‘The only thing we have to fear is … fear itself.’

 

Zondag 27 juni 2021

Wat grasduinen in oude papieren en daar vind ik zowaar een handgeschreven gedicht op de achterkant van een postkaartje waarop een Art nouveau-raam te zien is in Brussel.

Het gedicht, zo merk ik, is gemaakt naar aanleiding van Gedichtendag van 2006. Niet meteen het beste wat ik geschreven heb (doet mij denken aan sommige van mijn vroege gedichten, Raak mij aan, dan zal ik weten wat het is te leven bijvoorbeeld), maar het begin is wel te doen:

 

Vergezel mij

ontmoet mij

behoor mij toe

en laat mij die dwaasheid begaan

dit alles toe te staan.

 

De tweede strofe ligt zowat in het verlengde van de eerste:

Ontvlucht mij niet

ontvlucht niet mij

leef mij voor en

leef voor mij

en laat mij deze vrijheid nog

mij aan jou te binden.

 

Het langere volgende deel vind ik niet zo geslaagd, al kan het voor derden niet zoveel betekenen als voor mij (bevestigt mijn theorie over de vierdelige gelaagdheid(*) van een gedicht): het publieke eerste niveau is niet zoveel zeggend, er staat gewoon wat er staat, het vierde heel intieme, persoonlijke niveau spreekt de dichter zelf dieper en persoonlijker aan: 

Wees mijn Mozart

wees mijn Bach

mijn strijkkwartet

mijn Goldberg en mijn Alpensymfonie

 

(vergelijk Beethoven an die unsterbliche Geliebte: ‘Du, mein Engel, mein Alles, mein Ich…‘). De dichter heeft dus iets met deze vijf muzikale verwijzingen.

O ja, het kaartje, zie ik hier, komt uit een reeks getiteld ‘L’Art de Vivre à Bruxelles’. Baudelaire, de notoire Belgenhater (wat of wie haatte hij niet?) zou zich verslikken als hij dat zou gelezen hebben.

 

* Niveau 1: publieke niveau, niveau 2: niveau van de criticus of recensent, niveau 3: niveau van de jij-figuur, niveau 4: het zeer persoonlijke niveau van de dichter zelf.

Maandag 28 juni 2021

 

Wat grasduinen zoal kan opleveren. Toevallig (ik stak gewoon mijn hand uit en vatte de eerste CD die ik voelde) ligt hier voor mij een CD met de Mis van Sint-Wenceslas van de Boheemse componist Adam Vaclav Michna, geboren ergens rond 1600. Maar dat zou je niet zeggen als je die muziek hoort. Het Kyrie bijvoorbeeld is effenaf prachtig, Bach meer dan waardig, de eerst van de mis en zeker de begeleidende instrumentatie (geweldige kopers!) is dat ook.

Er staat ook een tweede werk op, een Requiem. Het is wel een volledig Requiem, ik bedoel inclusief een Dies Irae, voor deze sequentia is er zelfs een ongebruikelijk stuk, een zogenaamde tractus: Absolve domine, bevrijd Heer… En echt, ook dit Requiem is van een uitzonderlijke schoonheid.

1er enregistrement mondial staat er op de hoes, maar ik vind nergens wanneer dat gebeurd is, wel waar: in l’Eglise Saint-Léon in Parijs. Vermoedelijk in 1988 of 1989, aangezien er een © 1989 op gedrukt staat.

Heerlijk om dat nog eens te horen, ik weet helemaal niet meer welke muzikale pareltjes in mijn laden zitten.

 

Woensdag 30 juni 2021

 

Een roman die begint met het (voor)woord: ‘decursus [Lat.]: stroom, rivier; (in verband met een ziekte) beloop, verloop’ – onderaan, rechts op de eerste bladzijde. Niet bepaald wat je van een roman verwacht en zeker niet als je die bladzijde omslaat en geconfronteerd wordt met drie (lange) citaten. Eentje uit Krieg und Bevölkerung van een zekere Julius Tandler, uit 1918, een tweede (langer dan een bladzijde) uit een artikel verschenen in Archiv für Kinderheilkunde, geschreven door ene Hans Krenek in 1942 en tot slot twee zinnen van Michel Foucault uit zijn Surveillir et punir van 1975. En dan begint de tekst van de eigenlijke roman: ‘De eerste keer dat ze hem naar Spiegelgrund brachten, was in januari 1941, op een koude , heldere winterochtend toen de grond bleek en glinsterend oplichtte door de vorst.’ Al vlug wordt duidelijk dat Spiegelgrund een kindertehuis is waar de jonge protagonist, Adrian Ziegler, 10 jaar, in terecht komt. Een roman die in feite een soort docu-roman blijkt te zijn. Am Spiegelgrund heeft echt bestaan. Wikipedia: Am Spiegelgrund was een kinderkliniek in Wenen tijdens de Tweede Wereldoorlog, waar 789 patiënten werden vermoord onder de kindereuthanasie in nazi-Duitsland. Verder lezen we dat er in 2002 een herdenkingsmonument opgericht is. Toch vrij laat als je ’t mij vraagt.

O ja, de titel van de roman: De kinderen van Spiegelgrund, de Zweedse schrijver, maar wonend in Wenen, heet Steve Sem-Sandberg.

 

Juli 2021

Zondag 4 juli 2021

 

Toen de gezondheid van Baudelaire fel aan het achteruitgaan was – hij woonde toen in Brussel -, weet hij dat (ik citeer uit de biografie van Pichois & Ziegler) ‘aan dat verdoemde België, aan de sponsachtige aarde, aan het vochtige klimaat, aan het water waarmee de straten worden geschrobd, aan het smakeloze, slecht toebereide eten, aan de ‘zwaarmakende’ sfeer in het land, aan de ‘vertraging’ die België aan het levensritme oplegt.’ Terwijl de oorzaak natuurlijk in zijn eigen afgepeigerde lijf zat en al jaren zat te knagen.

In Brussel hield Baudelaire zich onder meer bezig met de uitgave van zijn Oeuvres complètes. Zijn moeder, die hij steeds betrok (meestal achteraf) in zijn exploten had wel bezwaren tegen sommige van de ‘onchristelijke’ gedichten, zo tegen zijn Litanies de Satan, dat met deze regels begint:

O toi, le plus savant et le plus beau des Anges,

Dieu trahi par le sort et privé de louanges,

O Satan, prends pitié de ma longue misère!

 

O jij, de meest geleerde en mooiste van de engelen,

God verraden door het lot en beroofd van lof,

O Satan, heb medelijden met mijn lange ellende!

En ergens in het midden wordt de hoop wel bijzonder sterk gekwalificeerd:

O toi qui de la mort, ta vieille et forte amante,

Engendras l'Espérance, - une folle charmante!

 

O jij die van de dood, je oude en sterke minnaar,

De Hoop zult verwekken, - een charmante gekke vrouw!

 

Baudelaire zou zich verdedigen tegenover zijn moeder (een beetje spartelen als een duiveltje in een wijwatervat) en haar een strenge brief schrijven (bemoei je met je eigen zaken), waarop zij antwoordde in de trant van ‘oké, ik offer mij op met tranen in de ogen en ik vraag u nu het gedicht toch op te nemen. Getekend: uw oude vriendin en moeder’.

 

Maandag 5 juli 2021

Eén enkele woordje, hoe onbeduidend ook, kan een wereld van verschil maken. En nee, ik heb het hier niet over ‘Dies süsse Wörtlein: und’ van Wagner uit zijn Tristan und Isolde ‘Doch unsre Liebe, / heibt sie nicht Tristan / und Isolde? / Dies süsse Wörtlein: und’ (und!), maar over een ander venijnig woordje: uw. Zuster Kleinschmittiger (terloops) tegen zuster Anna Katschenka (in De kinderen van Spiegelgrund): “Het ziet ernaar uit dat we het een tijdje zonder uw dokter zien te redden”. Die zit! ‘Anna Katschenka blijft doodstil staan en proeft het woord uw dat zuster Kleinschmittiger uitsprak. Anna Katschenka was in het geniep verliefd op dokter Jekelius, al is deze laatste daar nooit op ingegaan. Verder lezen we: “Tegen tegenslag of persoonlijk verlies kun je je verweren. Maar hoe verweer je je tegen laster? Kwaadaardige woorden die als onzichtbare wonden onder de huid blijven zitten en nog lang nadat de klap is uitgedeeld blijven bloeden. Maar waarover je onmogelijk iets kunt zeggen, want zodra je toegeeft dat je bloedt, geef je ook toe dat de klap raak was. (Uw dokter, zuster Katschenka)”. En sindsdien is het gezag van zuster Katschenka gebroken, al haar collega’s kijken schijnbaar onverschillig weg. Of hoe je met een terloops uitgesproken woordje iemand kunt breken. Katschenka kan er geen weg mee, en dat is ook te begrijpen.

 

Vrijdag 9 juli 2021

Zedelgem haalt de laatste weken bijna dagelijks (opinie)artikels in de nationale kranten, enfin, toch in De Standaard, allemaal omwille van die Letse bijenkorf. Om eerlijk te zijn een heel geslaagd kunstwerk, maar als je dan te weten komt wat er allemaal achter schuilt, ola! Of hoe een halve waarheid kan leiden tot een volle leugen. Het gemeentebestuur heeft hier inderdaad geblunderd door zich de hele achtergrond te laten uiteenzetten door op zijn minst een betwistbaar figuur, ondanks zijn deskundigheid op het gebied, maar met een grote (en grove) vooringenomenheid. Nu, mea culpa, ook ik had meer moeten weten, mijzelf afvragen hoe die Letse krijgsgevangenen daar terecht gekomen zijn en ja, waarom eigenlijk. Ik heb mij dat zelfs afgevraagd, eerder waarom iemand uit zeker niet onverdachte hoek zich daar zo op gesmeten heeft. Dat gevoel had ik toch tijdens een minitentoonstelling in Vloethemveld over het kamp, met tekeningen en brieven en ander parafernalia uit die tijd. Anderzijds is het nu wel goed dat er zo’n storm van protest losbreekt, alles kan nu in zijn terechte (historische) context geplaatst worden en zal hopelijk veel mensen wakker schudden.

 

Zaterdag 10 juli 2021

De voorbije week heb ik mij aangesloten bij Brugge Leest (www.bruggeleest.be). ‘Dit is dé plek waar je jouw leestips als Stadslezer kan delen (en de leestips van andere lezers kan ontdekken) . Als stadslezer schrijf je een paar keer per jaar een stukje over een boek waar je van genoten hebt’ (sic). Ik heb mij dus aangemeld als stadslezer, maar ik weet nog niet of ik als zodanig aanvaard zal worden (ben ik Bruggeling genoeg?). uiteraard kan je daar de leestips van anderen lezen, op het eerste gezicht zijn er wel enkele hardnekkige stadslezers of betere stadslezeressen: Silke Winne, Peggy Truyen, Jet Marchau komen alvast verscheiden keren voor op de homepage (huispagina?), geen van de drie ken ik, ook de andere stadslezers niet – gaan naar ‘Over ons’ en daar staan ze, allemaal de stadslezers, min of meer alfabetisch volgens voornaam gerangschikt. Thomas Barbier van De Reyghere zie ik wel staan bijvoorbeeld, Benedikt Van Eeghem (ken ik van de Hedendaagse primitieven), Chris Spriet (een wat opdringerig sujet om een lezing voor HBG te komen geven) en dat is het zo wat…

Ik denk natuurlijk aan iets anders: dit zouden potentiële medewerkers (sters dan maar) voor de Toverberg kunnen zijn.

Zelf zou ik mij wel durven wagen aan een recensie of beter persoonlijke bespreking van De kinderen van Spiegelgrund, het boek dat ik zopas uit heb en die roman is alvast nog niet besproken in Brugge Leest. Afwachten dus.

 

 

 

 

 

© Copyright 2021  ALLE RECHTEN VOORBEHOUDEN   hetbeleefdegenot.be

Contact: info@hetbeleefdegenot.be - tel. 0498/73.58.73

Laatst bewerkt: 14 juli 2021

a