HET BELEEFDE GENOT vzw

Fotogalerij 2008

Uitstap Poëziezomer Watou

23 augustus 2008

Het verre land nabij

Augustus is de snode maand

van kop tot staart auf Liebe eingestellt

hangt hij het masker van de zomer aan zijn laatste dagen

Drempelvrees, zo heet het, verbijsterd zijn de sporen

niets vinden wij en zoeken doen wij zeker niet.

Op, op, naar het zuidzuidwesten

de blikken op het graf van Santiago. Wij stralen

op zijn schaduw, daar de betonnen boom

de dichter kijkt dwars in zich heen

en tussen kerk en toren zwalkt

een kraai, hij klopt zijn hoogste lied

hij gorgelt, keelt, vergeelt het groen

vergeelt het mozaïek in duizend en drie stukken

de wereld is versplinterd, oxalis in de glazen

het lauwe schuim verschraalt

het sijpelt langs de blauwe kerkhofmuur

O wind die zwiept en ook de asse

van de dichter gezaaid tussen de weegbree

en de linke grassen van augustus.

 

Sterven om te leven, altijd verder

tot altijd alle tijd, nabij of ver, geen tijd meer is

kom teer betaste nimfen, schuil met mij

vergeet je regen niet, maak van je druppels

spiegels, die twee aan twee mijn hals aanstaren

wie is diegene, hij die de schimmel grauw

en brood nog brood durft noemen?

Hardnekkig kijkt hij naar de stenen

ze vallen dauwend op het Avondland

vang jij ze in de spleet tussen je borsten

zo wil ik ze bewaren tot aan mijn laatste dorst.

Laat mij dan de regenboog beklimmen

de afgrond tartend met mijn sidderende ogen

om driest het zwarte roet te snuiven

geuren van het verschroeide Walhalla

en aan de wand grafieten linten van de nornen.

Nee slechts in dromen dalen wij er neer

wij is jij en ik en jij, wij zijn met drie

de hoofden naar elkander toegebogen

conisch als een Portugese vlieger

eens losgelaten door de mannen met een pet.

O vliegen langs het blauwe van de regenboog

de man en zijn geslepen vrouwen (het zijn er 2)

slaaf van zichzelf, verdubbeld is zijn hartstocht

Icaros, nu toegerust met androgyne software

vliegend over genetisch gemanipuleerde maïs (GA21)

Waar gaat het heen, waar gaan wij heen?

Oekoe, oekoe. Oekoe moekoe toe

Of vrij vertaald: duifje, duifje, vlieg toch met ons mee

Alleen voor vrede wil de duif nog wakker worden,

Icaros voelt de zuigkracht der magneten uit het Oosten

Magneten van de tweedracht zijn het

IC’s zijn daar niet tegen bestand, hij valt

hij duikelt naar beneden, vogeltol en duikersvlucht

en in zijn zog de heel fatale vrouwen

de stralen van de aarde onderscheppen hen.

Wij zijn niet bang, dat zijn wij nooit geweest

wij zweven op elkanders schouders, zo lip aan lip

wij zweven naar het land en Amen. Belanden

in de witte kelder rond het zwarte kaarslicht,

vlinderhoge kuilen. Geslepenheid en moegekookt

geharnast staan de rechte doden

een dubbelschijf heeft er hun middenrif gevijld

zij hebben ook hun middenvinger afgesneden

zij wijzen letters, tikken woorden met twee vingers

twee aan elke hand, dus tweemaal twee maakt vier

volgens het ritme van het keukenzout dat ijlings schrijlings

door de tijd en door de loper stroomt.

Natrium blijft achter, chloor valt door

maakt kegels en verspreidt een scherpe lucht

vliegen komen er op af, ze vallen

zinderend neer, de vliezen van hun vleugels

verlamd, doorboord, dooraderd en doorsneden.

De vaders van hun zonen, zij dus

ze vlogen meer dan negenhonderd meter

930 meter om precies te zijn

Hun ogen blauw, blauw na zoveel windafstand

Ik vind de sporen niet van wie er struikelt

de mensendochter is op komst, zingt Hallelujah!

Werpt u ter aarde, stervelingen aller naties, gloria!

Kniel neer, aanbidt haar, tuit je lippen

haar wenkbrauw waakt hier over dood en leven.

Ik dek mij in eerwaarde broeders, ik gun mijzelf

claustrofobie, de mijne, naar alle vier de windstreken

Het nadir is de palm van jouw linkerhand, je rechterhand

omhoog, en sla mij niet gij dochter van Jeruzalem

gij zwarte hoer van Babylon, nigra sed formosa

gij die mijn blijdschap zijt vanaf mijn kindertijd

gij die mijn linkervoet vertrappelt

kauw mij niet voor, herkauw mij niet

spuug mij niet uit, nog liever wil ik

angstig in je keel verdwijnen.

Hoe hoog is deze reis? Nog hoger dan de regenboog?

Ja hoger dan haar spiegelbeeld, en hoger dan haar lied.

Ik wil vandaag je zuster nemen zoals ik

jou genomen heb, dus hou je stevig vast

mijn zwaard is kort, is bot

zoals de schaduw van de rotsen

maar sterk. De hemel is je lichaam

de sterren zijn als stoelen op de dorsvloer

je tepels schuren tegen je robe de nuit

de hemel is je dansend lichaam, ik zei het al

ik ben de aarde, aardser kan ik niet

sacraal staat Ydraggsil een scarabee gelijk

gevleugeld tussen hemel, aarde en de zee

zuigt hij de elementen kosmisch aan elkaar

het water kleeft als sterrenvuur

Ydraggsil verliest zijn eeuwen

Zoals – als in een flits – de wilg zijn blad verliest

Notung schreeuw ik dan maar,

Notung, Notung, halfverlegen.

Ik roep het vol erbarmen. Notung!

Waar echo’s staan, daar hangen nu koralen

op notenbalken aan elkaar geregen.

En ja, jij breekt mijn zwaard, herstel het dan!

Maak scherp zijn snede, zodat het in jou snijdt

het snijdt mijn verten, jouw nabijheid

hoe ik je zo niet zag, het moest maar mocht niet zijn

de weg naar huis… nee niet de ware weg

maar slechts een mogelijke lijn, de nacht

naar Vadergem, een rimpelige pleisterplaats.

Reeds kraait de haan een vierde maal

en later zeg ik later, maar later is een hovercraft

een speeltuig uit mijn overlangse dromen

Heer Everzwijn, kijk hoe hij zwenkt en maalt

van ver kwam jij naar mij, ik zag je zo, zie je niet meer.

 

 

 

 

 

 

 

Bart Madou, 2008

H

Foto's: Bart Madou & André Callier

© Copyright 2008 ALLE RECHTEN VOORBEHOUDEN   hetbeleefdegenot.be

Contact: hetbeleefdegenot@scarlet.be - tel. 0498/73.58.73

Laatst bewerkt: 30 juni 2010